30 SEPTEMBER 2005. — Koninklijk besluit tot aanwijzing van de overtredingen per graad van de algemene reglementen genomen ter uitvoering van de wet betreffende de politie over het wegverkeer
30 SEPTEMBRE 2005. — Arrêté royal désignant les infractions par degré aux règlements généraux pris en exécution de la loi relative à la police de la circulation routière

De overtredingen invoege vanaf 31 maart 2006 1° - 2° - 3° en 4° graad.
2° = € 100 - 3°= € 150 - 4°= € 300

Overtredingen van de 1° graad ( = gewone overtreding) boete €50
Alle overtredingen van de reglementen uitgevaardigd op grond van deze gecoördineerde wetten die niet expliciet in dit besluit worden benoemd, zijn overtredingen van de eerste graad.

De bij dit besluit vastgestelde overtredingen van de tweede graad zijn enerzijds de overtredingen die de veiligheid van personen onrechtstreeks in gevaar brengen en anderzijds de overtredingen die bestaan uit het onrechtmatig gebruiken van parkeerfaciliteiten voor personen met een handicap.

De bij dit besluit vastgestelde overtredingen van de derde graad zijn de overtredingen die de veiligheid van personen rechtstreeks in gevaar brengen en de overtredingen die bestaan uit het negeren van een bevel van een bevoegd persoon.

De bij dit besluit vastgestelde overtredingen van de vierde graad zijn de overtredingen die niet alleen de veiligheid van personen rechtstreeks in gevaar brengen maar die bovendien van die aard zijn dat ze bij een ongeval bijna onvermijdbaar leiden tot fysieke schade. Ook de overtredingen die bestaan uit het negeren van een stopbevel van een bevoegd persoon worden in deze categorie ondergebracht.

OVERTREDINGEN
info

INFRACTIONS
info

Art.
wegcode
Art.
KB. 30 sep 2005

1 Van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg.

1. A l’arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l’usage de la voie publique

Aanwijzigingen Indications
De weggebruikers moeten de aanwijzingen opvolgen die ter beveiliging van het oversteken van kinderen, scholieren, personen met een handicap of bejaarden door daartoe gemachtigde opzichters worden gegeven.

150
Les usagers doivent obéir aux indications qui sont données par des surveillants habilités pour assurer la sécurité de la traversée d’enfants, d’écoliers, de personnes handicapées ou âgées.

- 40 bis2 3.29°
De weggebruikers moeten de aanwijzingen opvolgen die gegeven worden :

- ter vergemakkelijking van de beweging der legerkolonnes, door daartoe gemachtigde militairen;

- om de veiligheid te verzekeren :

van culturele, sportieve en toeristische evenementen van wielerwedstrijden en van niet gemotoriseerde sportwedstrijden of -competities, door daartoe gemachtigde signaalgevers;

van de groepen fietsers en groepen motorfietsers door wegkapiteins;

van de groepen voetgangers en groepen ruiters, door groepsleiders;

van het personeel van de werken op de openbare weg door de werfopzichters.

150
Les usagers doivent obéir aux indications qui sont formulées :

- en vue de faciliter le mouvement des colonnes des forces armées, par les militaires habilités à cette fin;

- en vue d’assurer la sécurité :

des manifestations culturelles, sportives et touristiques, des courses cyclistes et des épreuves ou des compétitions sportives non-motorisées, par des signaleurs habilités à cette fin;

des groupes de cyclistes et des groupes de motocyclistes, par des capitaines de route;

des groupes de piétons et des groupes de cavaliers, par des chefs de groupe;

du personnel des chantiers établis sur la voie publique, par les surveillants de chantiers.

- 40.3.1

3.33°
ADR vervoer
Voertuigen die gevaarlijke goederen vervoeren in de zin van het Europees Verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (A.D.R.) en zijn bijlagen, ondertekend te Genève op 30 september 1957 en goedgekeurd bij de wet van 10 augustus 1960, en die krachtens dat Verdrag of krachtens verordeningsbepalingen van intern recht voorzien moeten zijn van een oranje bord, moeten, behalve in geval van noodzaak, de autosnelwegen volgen.
150
Doivent, sauf en cas de nécessité, emprunter les autoroutes, les véhicules transportant des marchandises dangereuses au sens de l’Accord Européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par route (A.D.R.) et ses annexes, signé à Genève le 30 septembre 1957 et approuvé par la loi du 10 août 1960 et qui, en vertu de cet Accord ou de dispositions réglementaires de droit interne, doivent être munis d’un panneau orange.

- 48bis1
3.34°
De toegang tot de openbare wegen of delen van openbare wegen, voorzien van de verkeersborden C24a, b, of c is verboden aan de bestuurders van voertuigen die de gevaarlijke goederen vervoeren welke, door de voor vervoer van gevaarlijke goederen bevoegde Ministers zijn bepaald.

150
L’accès aux voies publiques ou parties de voies publiques pourvues des signaux C24a, b, ou c est interdit aux conducteurs de véhicules transportant les marchandises dangereuses déterminées par le Ministre des Communications et par le Ministre des Affaires économiques les Ministres compétents en matière de transport de marchandises dangereuses.

- 48bis2
3.35°
Afstand tussen de voertuigen La distance entre les véhicules
Buiten de bebouwde kommen moeten de bestuurders van voertuigen en slepen met een maximale toegelaten massa van meer dan 7,5 ton of langer dan 7 meter, onderling een afstand houden van ten minste 50 meter.

100
En dehors des agglomérations, les conducteurs de véhicules et trains de véhicules dont la masse maximale autorisée dépasse 7,5 tonnes ou dont la longueur dépasse 7 mètres, doivent maintenir entre eux un intervalle de 50 mètres au moins.

- 18.2

2.15°
Autosnelweg of Autowegen Autoroutes ou Routes pour automobiles
Op autosnelwegen en autowegen is het verboden :
- de dwarsverbindingen te gebruiken;
- te keren;
- achteruit te rijden of te rijden in de tegenovergestelde rijrichting.
300
Il est interdit sur les autoroutes et les routes pour automobiles :
- d’emprunter les raccordements transversaux;
- de faire demi-tour;
- de faire marche arrière ou de rouler en sens contraire au sens obligatoire.

- 21.4.1°, 2°, 3°

+

- 22.2

4.5°
Bevelen Ordonner
De weggebruikers moeten onmiddellijk gevolg geven aan de bevelen van de bevoegde personen.

150
Les usagers doivent obtempérer immédiatement aux injonctions des agents qualifiés.

- 4.1
3.1°
Elke bestuurder van een stilstaand of geparkeerd voertuig moet dit verplaatsen zodra hij daartoe door een bevoegd persoon aangemaand wordt.

150
Tout conducteur d’un véhicule à l’arrêt ou en stationnement est tenu de le déplacer dès qu’il en est requis par un agent qualifié.

- 4.4 al. 1

3.2°
De volgende bevelen negeren van een bevoegd persoon :

- de arm of de armen horizontaal uitgestrekt, wat stoppen betekent voor de weggebruikers die naderen uit richtingen welke deze aangewezen door de arm of armen, dwarsen;

- het overdwars zwaaien met een rood licht, wat stoppen betekent voor de bestuurders naar wie het licht gekeerd is.

300
Transgresser les ordres suivant d’une personne habilitée :

- le ou les bras tendus horizontalement, qui signifie arrêt pour les usagers qui viennent de directions coupant celles indiquées par le ou les bras tendus;

-le balancement transversal d’un feu rouge, qui signifie arrêt pour les conducteurs vers lesquels le feu est dirigé.

- 4.2.2° + 3°

4.1°
Controle over het voertuig Le contrôle au sujet du véhicule
Elke bestuurder moet in staat zijn te sturen, en de vereiste lichaamsgeschiktheid en de nodige kennis en rijvaardigheid bezitten.

100
Tout conducteur doit être en état de conduire, présenter les qualités physiques requises et posséder les connaissances et l’habileté nécessaires.

- 8.3
2.2°
Gedrag t.o.v. ... - Snelheid matigen ... Le comportement ... - modérer sa vitesse ...
De bestuurder mag de voetgangers niet in gevaar brengen die :

- zich bevinden op een trottoir, een deel van de openbare weg voorbehouden voor het verkeer van voetgangers door het verkeersbord D9 of D10, een berm of een vluchtheuvel;

- zich bevinden op een openbare weg gesignaleerd door de verkeersborden F99a of F99b of ingericht als speelstraat;

- zich bevinden in een zone afgebakend door de verkeersborden F12a en F12b of F103 en F105;
-

- op de rijbaan gaan onder de in het besluit voorziene voorwaarden.

150°
Le conducteur ne peut mettre en danger les piétons qui :

- se trouvent sur un trottoir, une partie de la voie publique réservée à la circulation des piétons par le signal D9 ou D10, un accotement ou un refuge;

- se trouvent sur une voie publique signalée par les signaux F99a ou F99b ou instaurée en rue réservée au jeu;

- se trouvent dans une zone délimitée par les signaux F12a et F12b ou F103 et F105;
-

- circulent sur la chaussée dans les conditions prévues par l’arrêté.

- 40.1

3.23°
De bestuurders moeten dubbel voorzichtig zijn bij het naderen van een voertuig, gesignaleerd zoals bepaald in artikel 39bis 1 van het besluit. Zij moeten bovendien hun snelheid aanzienlijk matigen en zo nodig stoppen wanneer de bestuurder van het aldus gesignaleerde voertuig al de richtingaanwijzers doet werken en hiermee beduidt dat de kinderen gaan in- of uitstappen.

150
Les conducteurs doivent redoubler de prudence à l’approche d’un véhicule signalé conformément à l’article 39bis 1 de l’arrêté. Ils doivent en outre ralentir fortement leur allure et au besoin s’arrêter lorsque le conducteur du véhicule ainsi signalé, fait fonctionner tous les feux indicateurs de direction, signifiant de la sorte que les enfants vont embarquer ou débarquer.

- 39bis2 3.22°
De bestuurder moet zijn snelheid matigen wanneer hij rijdt langs een autocar, een autobus, een trolleybus, een minibus of een spoorvoertuig die stilstaan om reizigers te laten in- of uitstappen.

150
Le conducteur doit modérer sa vitesse pour longer un autocar, un autobus, un trolleybus, un minibus ou un véhicule sur rails qui sont arrêtés pour l’embarquement ou le débarquement des voyageurs.

- 40.3.1

3.24°
Bij afwezigheid van een vluchtheuvel aan de halteplaats van een voertuig voor gemeenschappelijk vervoer, moet de bestuurder die rijdt langs de kant waar de reizigers in- of uitstappen, dezen de gelegenheid laten in alle veiligheid het voertuig, het trottoir, het deel van de openbare weg voorbehouden voor het verkeer van voetgangers door het verkeersbord D9 of de berm te bereiken. Daartoe moet hij stoppen om het in- en uitstappen mogelijk te maken en hij mag slechts opnieuw vertrekken met matige snelheid.

150
Lorsqu’au point d’arrêt d’un véhicule de transport en commun il n’existe pas de refuge, le conducteur qui circule du côté où s’effectue l’embarquement ou le débarquement des voyageurs, doit leur permettre soit d’accéder à ce véhicule, soit de gagner le trottoir, la partie de la voie publique réservée à la circulation des piétons par le signal D9 ou l’accotement en toute sécurité. A cette fin, il doit s’arrêter pour permettre l’embarquement et le débarquement, et ne peut se remettre en mouvement qu’à allure modérée.

- 40.3.2

3.25°
Op plaatsen waar het verkeer geregeld wordt door een bevoegd persoon of door verkeerslichten, moet de bestuurder, zelfs wanneer het verkeer in zijn rijrichting is opengesteld, de voetgangers die zich regelmatig op de rijbaan hebben begeven, de gelegenheid laten het oversteken met een normale gang te beëindigen.

Bovendien, zo er op die plaatsen een oversteekplaats voor voetgangers is, moet de bestuurder in ieder geval stoppen vóór de oversteekplaats voor voetgangers wanneer het verkeer in zijn rijrichting gesloten is.

150
Aux endroits où la circulation est réglée par un agent qualifié ou par des signaux lumineux de circulation, le conducteur doit, même si la circulation est ouverte dans le sens de sa marche, permettre aux piétons qui se sont engagés régulièrement sur la chaussée, d’achever la traversée à allure normale.

En outre, s’il existe un passage pour piétons à ces endroits, le conducteur doit de toute manière s’arrêter en dec¸à du passage pour piétons lorsque la circulation est fermée dans le sens de sa marche.

- 40.4.1

3.26°
Op plaatsen waar het verkeer niet geregeld wordt door een bevoegd persoon of door verkeerslichten, mag de bestuurder een oversteekplaats voor voetgangers slechts met matige snelheid naderen. Hij moet voorrang verlenen aan de voetgangers die er zich op bevinden of op het punt staan zich erop te begeven.

150
Aux endroits où la circulation n’est pas réglée par un agent qualifié ou par des signaux lumineux de circulation, le conducteur ne peut s’approcher d’un passage pour piétons qu’à allure modérée. Il doit céder le passage aux piétons qui y sont engagés ou sont sur le point de s’y engager.

- 40.4.2

3.27°
Het is de weggebruikers verboden te breken door een groep kinderen, scholieren, personen met een handicap of bejaarden :

- ofwel in rijen, vergezeld van een leider;

- ofwel die de rijbaan oversteekt onder de controle van een jeugdverkeersbrigade, van een leider of van een gemachtigd opzichter.

150
Il est interdit aux usagers de couper un groupe d’enfants, d’écoliers, de personnes handicapées ou âgées :

- soit en rangs, sous la conduite d’un guide;

- soit traversant la chaussée sous la conduite d’une patrouille scolaire, d’un guide ou d’un surveillant habilité.

- 40bis 1
3.28°
Het is de weggebruikers verboden te breken :

- door een afdeling van een militaire kolonne bestaande uit een op mars zijnde troep of een voertuigenkonvooi waarvan de gang geregeld wordt door bevoegde personen of door daartoe gemachtigde militairen;

- door een stoet, een groep voetgangers, een samenkomst naar aanleiding van een cultureel, sportief of toeristisch evenement of een processie;

- door een groep deelnemers aan een wielerwedstrijd of aan een niet gemotoriseerde sportwedstrijd of -competitie.

150
Il est interdit aux usagers de couper :

- un élément de colonne militaire constitué par une troupe en marche ou par un convoi de véhicules dont le mouvement est réglé par des agents qualifiés ou des militaires habilités à cette fin;

- un cortège, un groupe de piétons, un rassemblement à l’occasion d’une manifestation culturelle, sportive ou touristique ou une procession;

- un groupe de concurrents participant à une course cycliste ou à une épreuve ou compétition sportive non-motorisée.

- 41. 1

3.31°
Gedrag tov. fietsers, bromfietsen en bejaarden

De bestuurder van een auto of van een motorfiets mag een fietser of bestuurder van een tweewielige bromfiets die zich op de openbare weg bevindt onder de in dit reglement voorziene voorwaarden niet in gevaar brengen.

Hij moet dubbel voorzichtig zijn ten aanzien van fietsende kinderen en bejaarden.

Hij moet een zijdelingse afstand van ten minst één meter laten tussen zijn voertuig en de fietser of bestuurder van een tweewielige bromfiets.

Hij mag een oversteekplaats voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen slechts met matige snelheid naderen teneinde de weggebruikers die er zich op bevinden, niet in gevaar te brengen en ze niet te hinderen wanneer zij het oversteken van de rijbaan met normale snelheid beëindigen. Zo nodig moet hij stoppen om ze te laten doorrijden.

150
Indications - cycliste, cyclomoteur et pesonnes âgées

Le conducteur d’un véhicule automobile ou d’une motocyclette ne peut mettre en danger un cycliste ou un conducteur de cyclomoteur à deux roues qui se trouve sur la voie publique dans les conditions prévues par le présent règlement.

Il doit redoubler de prudence en présence d’enfants et de personnes âgées cyclistes.

Il doit laisser une distance latérale d’au moins un mètre entre son véhicule et le cycliste ou le conducteur de cyclomoteur à deux roues.

Il ne peut s’approcher d’un passage pour cyclistes et conducteurs de cyclomoteurs à deux roues qu’à allure modérée de façon à ne pas mettre en danger les usagers qui y sont engagés et à ne pas les gêner lorsqu’ils achèvent la traversée de la chaussée à vitesse normale. Au besoin, il doit s’arrêter pour les laisser passer.

- 40 ter, al. 1 tot 4

3.30°
GSM GSM
Behalve wanneer zijn voertuig stilstaat of geparkeerd is, mag de bestuurder geen gebruik maken van een draagbare telefoon die hij in de hand houdt.

100
Sauf si son véhicule est à l’arrêt ou en stationnement, le conducteur ne peut faire usage d’un téléphone portable en le tenant en main.

- 8,4

2.3°
Hinderen v/h verkeer Gêner la circulation
Het is verboden het verkeer te hinderen of onveilig te maken door voorwerpen, zwerfvuil of stoffen op de openbare weg te werpen, te plaatsen, achter te laten of te laten vallen, hetzij door er rook of stoom te verspreiden, hetzij door er enige belemmering aan te brengen.

100
Il est défendu de gêner la circulation ou de la rendre dangereuse, soit en jetant, déposant, abandonnant ou laissant tomber sur la voie publique des objets, débris ou matières quelconques, soit en y répandant de la fumée ou de la vapeur, soit en y établissant quelque obstacle.

- 7,3

2.1°
Inhalen Rattraper
Het inhalen geschiedt links.

Het inhalen geschiedt echter rechts wanneer de in het halen bestuurder te kennen heeft gegeven dat hij voornemens is links af te slaan of zijn voertuig op te stellen aan de linkerkant van de openbare weg en zich naar links begeven heeft om deze beweging uit te voeren.

100
Le dépassement s’effectue à gauche.

Toutefois, le dépassement se fait à droite lorsque le conducteur à dépasser a indiqué son intention de tourner à gauche ou de ranger son véhicule sur le côté gauche de la voie publique et s’est porté à gauche en vue d’effectuer ce mouvement.

- 16.3

2.13°
Het inhalen van spoorvoertuigen die de rijbaan volgen geschiedt rechts, zowel wanneer die voertuigen in beweging zijn of stilstaan om reizigers te laten in- of uitstappen.

Het inhalen mag evenwel links geschieden wanneer het rechts niet kan wegens de engte van de doorgang of de aanwezigheid van een stilstaand of geparkeerd voertuig of enige andere vaste hindernis en op voorwaarde dat de tegemoetkomende weggebruikers niet gehinderd of in gevaar gebracht worden.

Het inhalen mag eveneens links geschieden op rijbanen met éénrichtingsverkeer, wanneer de behoeften van het verkeer het rechtvaardigen.

100
Le dépassement des véhicules sur rails qui empruntent la chaussée, s’effectue à droite, que ces véhicules soient en mouvement ou arrêtés pour l’embarquement ou le débarquement des voyageurs.

Toutefois, le dépassement peut se faire à gauche s’il ne peut s’effectuer à droite en raison de l’exiguïté du passage ou de la présence d’un véhicule à l’arrêt ou en stationnement ou de tout autre obstacle fixe et à condition de ne pas gêner ou mettre en danger les usagers circulant en sens inverse.

Le dépassement peut également se faire à gauche sur les chaussées à sens unique lorsque les nécessités de la circulation le justifient.

- 16.9

2.14°
Het links inhalen van een gespan of van een voertuig met meer dan twee wielen is verboden bij het naderen van de top van een helling en in bochten, wanneer de zichtbaarheid onvoldoende is, behalve indien kan ingehaald worden zonder de doorlopende witte streep te overschrijden die het voor de tegenliggers bestemde deel van de rijbaan aflijnt.

300

Le dépassement par la gauche d’un véhicule attelé ou d’un véhicule à plus de deux roues est interdit à l’approche du sommet d’une côte et dans les virages, lorsque la visibilité est insuffisante, sauf si le dépassement peut se faire sans franchir la ligne blanche continue délimitant la partie de la chaussée affectée à la circulation venant en sens inverse.

- 17.2.3°

4.3°
Elke bestuurder die op het punt staat links ingehaald te worden, moet zo ver mogelijk naar rechts uitwijken en mag zijn snelheid niet opvoeren.

150
Tout conducteur qui va être dépassé par la gauche doit serrer à droite le plus possible et ne peut accélérer.

- 16.7

3.8°
Links inhalen is verboden wanneer de bestuurder de tegemoetkomende weggebruikers niet van ver genoeg kan opmerken om het inhalen zonder gevaar voor ongevallen uit te voeren.

150
Le dépassement par la gauche est interdit lorsque le conducteur ne peut apercevoir les usagers venant en sens inverse à une distance suffisante pour effectuer le dépassement sans risque d’accident.

- 17.1

3.9°
Het links inhalen van een gespan [van een tweewielig motorvoertuig] of van een voertuig met meer dan twee wielen is verboden : [ ] in werking 1-03-2007

- op een overweg gesignaleerd door het verkeersbord A45 of A 47, behalve indien het een overweg is met slagbomen of indien het verkeer er door verkeerslichten wordt geregeld;

- wanneer de in te halen bestuurder zelf een ander voertuig dan een fiets, een tweewielige bromfiets of een tweewielige motorfiets inhaalt, behalve wanneer de rijbaan drie of meer rijstroken heeft die bestemd zijn voor het verkeer in de gevolgde rijrichting;

- wanneer de in te halen bestuurder stopt voor een oversteekplaats voor voetgangers of een oversteekplaats voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen of deze oversteekplaatsen nadert op plaatsen waar het verkeer niet geregeld wordt door een bevoegd persoon of door verkeerslichten.

150
Le dépassement par la gauche d’un véhicule attelé [, d'un véhicule à moteur à deux roues ] ou d’un véhicule à plus de deux roues est interdit : [ ] en vigueur le 1er mars 2007

- sur un passage à niveau signalé par le signal A45 ou A47, sauf si celui-ci est muni de barrières ou si la circulation y est réglée par des signaux lumineux de circulation;

- lorsque le conducteur à dépasser dépasse lui-même un véhicule autre qu’une bicyclette, un cyclomoteur à deux roues ou une motocyclette à deux roues, sauf lorsque la chaussée comporte trois bandes de circulation ou plus affectées à la circulation dans le sens suivi;

- lorsque le conducteur à dépasser s’approche de ou s’arrête devant un passage pour piétons ou un passage pour cyclistes et conducteurs de cyclomoteurs à deux roues aux endroits où la circulation n’est pas réglée par un agent qualifié ou par des signaux lumineux de circulation.

- 17.2.1°, 4°, 5°

3.10°
Kruisen Croisement

Het kruisen geschiedt rechts.

150

Le croisement s’effectue à droite.

- 15.1
3.4°
De bestuurder moet bij het kruisen een voldoende zijdelingse afstand laten en, zo nodig, naar rechts uitwijken.

De bestuurder, waarvan het doorrijden belemmerd wordt door een hindernis of door de aanwezigheid van andere weggebruikers, moet vertragen en, zo nodig, stoppen om de tegemoetkomende weggebruikers doorgang te verlenen.

150
En cas de croisement, le conducteur doit laisser libre une distance latérale suffisante et au besoin serrer à droite.

Le conducteur dont la progression est entravée par un obstacle ou la présence d’autres usagers doit ralentir et au besoin s’arrêter pour laisser passer les usagers qui viennent en sens inverse.

- 15.2

3.5°
Wanneer het kruisen of het inhalen wegens de breedte van de rijbaan niet gemakkelijk kan uitgevoerd worden, mag de bestuurder de gelijkgrondse berm volgen, op voorwaarde dat hij de weggebruikers die zich daar bevinden, niet in gevaar brengt.

150
Lorsque la largeur de la chaussée ne permet pas d’effectuer aisément un croisement ou un dépassement, le conducteur peut emprunter l’accotement de plain-pied à condition de ne pas mettre en danger les usagers qui s’y trouvent.

- 15.3
+
- 16.3
3.6°
Het kruisen van spoorvoertuigen die de rijbaan volgen, mag links geschieden, wanneer het rechts niet kan wegens de engte van de doorgang of de aanwezigheid van een stilstaand of geparkeerd voertuig of enige andere vaste hindernis en op voorwaarde dat de tegemoetkomende weggebruikers niet gehinderd of in gevaar gebracht worden.

150
Le croisement des véhicules sur rails qui empruntent la chaussée peut se faire à gauche, s’il ne peut s’effectuer à droite en raison de l’exiguité du passage ou de la présence d’un véhicule à l’arrêt ou en stationnement ou de tout autre obstacle fixe et à condition de ne pas gêner ou mettre en danger les usagers circulant en sens inverse.

- 15.4

3.7°
Lading v/d voertuigen Le chargement des véhicules
De lading van een voertuig moet zodanig geschikt zijn dat ze bij normale wegomstandigheden :

1° de zichtbaarheid van de bestuurder niet kan hinderen;

2° geen gevaar voor de bestuurder, de vervoerde personen, en de andere weggebruikers kan vormen;

3° geen schade kan veroorzaken aan de openbare weg, zijn aanhorigheden, aan de erin liggende kunstwerken of aan de openbare- of privé-eigendommen;

4° niet op de openbare weg kan slepen of vallen;

5° de stabiliteit van het voertuig niet in het gedrang kan brengen;

6° de lichten, de reflectoren en het inschrijvingsnummer niet onzichtbaar kan maken.

100
Le chargement d’un véhicule doit être disposé de telle sorte que, dans des conditions routières normales, il ne puisse :

1° nuire à la visibilité du conducteur;

2° constituer un danger pour le conducteur, les personnes transportées et les autres usagers;

3° occasionner des dommages à la voie publique, à ses dépendances, aux ouvrages qui y sont établis ou aux propriétés publiques ou privées;

4° traîner ou tomber sur la voie publique;

5° compromettre la stabilité du véhicule;

6° masquer les feux, les catadioptres et le numéro d’immatriculation.

- 45.1

2.23°
De ladingen van graangewassen, vlas, stro, paarden- of veevoeder in bulk of in balen, moeten overdekt worden met een dekzeil of met een net. Deze bepaling geldt echter niet voor vervoer binnen een straal van 25 km van de plaats van lading, voor zover het niet langs een autosnelweg geschiedt.

100
Si le chargement est constitué de céréales, lin, paille ou fourrage, en vrac ou en balles, il doit être recouvert d’une bâche ou d’un filet. Cette disposition n’est toutefois pas applicable si ce transport se fait dans un rayon de 25 km du lieu de chargement et pour autant qu’il ne s’effectue pas sur une autoroute.

- 45.2

2.24°
Bestaat de lading uit lange stukken, dan moeten deze onderling en ook aan het voertuig zo stevig vastgemaakt worden dat zij bij het schommelen niet buiten de grootste zijomtrek van het voertuig komen.

100
Si le chargement est constitué de pièces de grande longueur, celles-ci doivent être solidement arrimées entre elles et au véhicule, de manière à ne pas déborder le contour latéral extrême de celui-ci dans leurs oscillations.

- 45.3

2.25°
Al wat dient om de lading vast te maken of te beschutten moet in goede staat zijn en correct worden gebruikt.

Elk onderdeel dat de lading omsluit, zoals een ketting, een dekzeil, een net, enz. moet de lading nauw omsluiten.

100
Les accessoires servant à fixer ou à protéger le chargement doivent se trouver en bon état et être utilisés correctement.

Tout élément entourant le chargement, tel qu’une chaîne, une bâche, un filet, etc. doit le faire étroitement.

- 45.4

2.26°
Indien zij- of achterdeuren bij uitzondering moeten openblijven, moeten zij zodanig vastgezet worden dat zij niet uitsteken buiten de grootste zijomtrek van het voertuig.

100
Si, exceptionnellement, des portières latérales ou arrière doivent rester ouvertes, elles doivent être fixées de manière à ne pas dépasser le contour latéral extrême du véhicule.

- 45.6

2.27°

[47° Het ladingzekeringssysteem moet de krachten kunnen weerstaan die worden uitgeoefend wanneer het voertuig van groep C de volgende versnellingen ondergaat :
   1° vertraging van 0,8 g in voorwaartse richting;
   2° vertraging van 0,5 g in achterwaartse richting;
   3° versnelling van 0,5 g in zijdelingse richting, aan beide zijden.
   Wanneer een samenstellend onderdeel van een ladingzekeringssysteem onderworpen wordt aan een kracht zoals beschreven in het eerste lid, mag de erop uitgeoefende drukkracht de maximale nominale last van dit onderdeel niet overschrijden.
   De samenstellende onderdelen van een ladingzekeringssysteem van een voertuig van groep C :
   1° moeten correct functioneren;
   2° moeten geschikt zijn voor het gebruik dat ervan wordt gemaakt;
   3° mogen geen knopen, beschadigde of verzwakte elementen vertonen die hun werking met het oog op het zekeren van de lading kunnen aantasten;
   4° mogen geen scheuren, sneden of uitrafelingen vertonen;
   5° moeten conform de hiervoor geldende Europese en/of internationale productnormen zijn.
   Het ladingzekeringssysteem dat wordt gebruikt om een lading in of op een voertuig van groep C te omsluiten, vast te zetten of tegen te houden, moet geschikt zijn voor de afmetingen, de vorm, de stevigheid en de kenmerken van de lading.
   Het ladingzekeringssysteem kan opgebouwd zijn uit enkelvoudige of gecombineerde toepassing van ladingzekeringssystemen.]

[ ] Inwerkingtreding : 10-09-2009

150

[ 47° Le système de sûreté du chargement doit pouvoir résister aux forces exercées lorsque le véhicule dugroupe C subi les accélérations suivantes :

    1° ralentissement de 0,8 g vers l'avant;
    2° ralentissement de 0,5 g vers l'arriere;
    3° acceleration de 0,5 g vers les parties laterales, de
          chaque cote.
    Lorsqu'un element composant du systeme de surete du chargement est soumis a une force telle que decrite au premier alinea, la force de pression exercee sur cet element ne peut depasser la charge nominale maximale de celui-ci.
    Les elements composants d'un systeme de surete du chargement d'un vehicule du groupe C :
    1° doivent fonctionner correctement;
    2° doivent etre adaptes a l'usage qui en est fait;
    3° ne peuvent presenter de noeuds, d'elements endommages ou affaiblis pouvant affecter leur fonctionnement quant a la surete du chargement;
    4° ne peuvent presenter de dechirures, de coupures ou d'effilochage;
    5° doivent etre conformes aux normes de produits europeennes et/ou internationales en vigueur en la matiere.
    Le systeme de surete du chargement utilise pour entourer, fixer ou retenir un chargement dans ou sur un vehicule doit etre adapte aux mesures, a la forme, a la consistance et aux caracteristiques du chargement.
    Le systeme de surete du chargement peut etre constitue d'une application simple ou combinee de systemes de surete du chargement. ]

[ ] En vigueur : 10-09-2009

- 45bis.4

3.47°

[48° De stouwvoorziening of de geintegreerde vergrendelvoorziening die wordt gebruikt om een lading aan een voertuig van groep C vast te maken, moet zelf zodanig worden gezekerd dat ze niet kan ontgrendeld raken of loskomen.
   De stouwvoorziening of de geintegreerde vergrendelvoorziening die wordt gebruikt om een lading in of op een voertuig van groep C vast te zetten, moet :
   1° ontworpen en vervaardigd zijn voor de doeleinden waarvoor ze wordt gebruikt; en
   2° gebruikt en onderhouden worden in overeenstemming met de specificaties van de fabrikant en de geldende Europese en/of internationale normen.]

[ ] Inwerkingtreding : 10-09-2009

150

[48° Le dispositif de retenue ou le dispositif de verrouillage integre utilise pour fixer un chargement a un vehicule du groupe C doit etre lui-meme securise de telle sorte qu'il ne puisse etre deverrouille ou detache.
    Le dispositif de retenue ou le dispositif de verrouillage integre utilise pour fixer un chargement dans ou sur un vehicule du groupe C doit :
    1° etre concu et developpe aux fins pour lesquelles il est utilise; et
    2° etre utilise et entretenu conformement aux specifications du constructeur et des normes europeennes et/ou internationales en vigueur ].

[ ] En vigueur : 10-09-2009

- 45bis.5

3.48°
Lichten v/d voertuigen Les lumières des véhicules
De grootlichten moeten echter gedoofd en door de dimlichten vervangen worden :

- bij het naderen van een tegemoetkomende weggebruiker, op de nodige afstand opdat deze laatste zijn weg gemakkelijk en zonder gevaar zou kunnen voortzetten;

- bij het naderen van een spoorvoertuig of een boot waarvan de bestuurder of de stuurman door de grootlichten zou kunnen verblind worden;

- wanneer het voertuig een ander voertuig op minder dan 50 meter afstand volgt, behalve wanneer het inhaalt.

100
Les feux de route doivent toutefois être éteints etremplacés par les feux de croisement :

- à l’approche d’un usager venant en sens inverse, à la distance nécessaire pour que celui-ci puisse continuer sa marche aisément et sans danger;

- à l’approche d’un véhicule sur rails ou d’un bateau dont le conducteur ou le pilote risque d’être ébloui par les feux de route;

- lorsque le véhicule en suit un autre à une distance de moins de 50 mètres, sauf lorsqu’il effectue un dépassement.

- 30.1.1° a, b, c
2.22°
Wanneer het motorvoertuig of de aanhangwagen voorzien is van achtermistlichten, moeten deze lichten gebruikt worden bij mist of sneeuwval die de zichtbaarheid verminderen tot minder dan ongeveer 100 m alsook bij felle regen.
100
Lorsque le véhicule à moteur ou la remorque sont munis de feux de brouillard arrière, ceux-ci doivent être utilisés en cas de brouillard ou de chute de neige réduisant la visibilité à moins de 100 m environ ainsi qu’en cas de forte pluie.

- 30.1.2°, 2° zin/phrase

- 30.3.2° al.2, 1° zin/phrase

2.22°
Het niet gebruiken van de dim- of grootlichten vooraan en de rode lichten achteraan voor motorvoertuigen tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag en in alle omstandigheden wanneer het niet meer mogelijk is duidelijk te zien tot op een afstand van ongeveer 200 meter.
150
Ne pas allumer les feux de croisement ou les feux de route à l’avant et les feux rouges à l’arrière pour les véhicules à moteur entre la tombée et le lever du jour ainsi qu’en toutes circonstances lorsqu’il n’est plus possible de voir distinctement jusqu’à une distance d’environ 200 mètres.

- 30.1

3.19°
Het niet gebruiken van de twee witte lichten vooraan en de rode lichten achteraan voor aanhangwagens die met deze lichten moeten uitgerust zijn, tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag en in alle omstandigheden wanneer het niet meer mogelijk is duidelijk te zien tot op een afstand van ongeveer 200 meter.

150
Ne pas allumer les deux feux blancs à l’avant et les feux rouges à l’arrière pour les remorques qui doivent être munies de ces feux entre la tombée et le lever du jour ainsi qu’en toutes circonstances lorsqu’il n’est plus possible de voir distinctement à une distance d’environ 200 mètres.

- 30.3.2° al. 1

3.19°
Tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag en in alle omstandigheden wanneer het niet meer mogelijk is duidelijk te zien tot op een afstand van ongeveer 200 meter moeten, buiten de lichten voorgeschreven in artikel 30.1. of 30.3. van het besluit, bij voertuigen die meer dan 2,50 meter breed zijn de omtreklichten worden gebruikt.

Deze lichten worden vooraan, achteraan, aan weerszijden en, in voorkomend geval, aan de uiterste zijdelingse uitstekken van het voertuig geplaatst.

150
Entre la tombée et le lever du jour ainsi qu’en toute circonstance où il n’est plus possible de voir distinctement jusqu’à une distance d’environ 200 mètres, des feux d’encombrement des véhicules dont la largeur est supérieure à 2,50 mètres, outre les feux prescrits à l’article 30.1. ou 30.3. de l’arrêté, doivent être utilisés.

Ces feux sont placés à l’avant, à l’arrière et de chaque côté, ainsi que, le cas échéant, aux saillies latérales extrêmes du véhicule.

- 30.4

3.20°
Markeringen of Lijnen Les marquages ou les lignes
Een doorlopende streep betekent dat het iedere bestuurder verboden is deze te overschrijden.

Bovendien is het verboden links van een doorlopende streep te rijden wanneer deze de twee rijrichtingen scheidt.

150
Une ligne continue signifie qu’il est interdit à tout conducteur de la franchir.

En outre, il est interdit de circuler à gauche d’une ligne continue, lorsque celle-ci sépare les deux sens de circulation.

- 72.2
3.45°
Het overschrijden van de oranje doorlopende streep of de doorlopende streep gevormd door oranje spijkers op korte en regelmatige afstanden van elkaar geplaatst.

150
Franchir la ligne orange continue ou la ligne continue constituée par des clous de couleur orange placés à des distances courtes et régulières les uns des autres.

- 73.1
en
- 73.2
3.46°
Overweg Passage à niveau
Het is verboden zich op een overweg te begeven :

- wanneer de slagbomen in beweging of gesloten zijn;

- wanneer de rode knipperlichten branden;

- wanneer het geluidssein werkt.

300
Il est interdit de s’engager sur un passage à niveau :

- lorsque les barrières sont en mouvement ou fermées;

- lorsque les feux rouges clignotants sont allumés;

- lorsque le signal sonore fonctionne.

- 20.3

4.4°
Parkeren of Stilstaan Stationnement ou l’arrêt
Op autosnelwegen en autowegen is het verboden een voertuig te laten stilstaan of te parkeren, behalve op de parkeerstroken, aangewezen door het verkeersbord E9a.

100
Il est interdit sur les autoroutes et les routes pour automobiles de mettre un véhicule à l’arrêt ou en stationnement, sauf sur les aires de stationnement indiquées par le signal E9a.

- 21.4.4°

+

- 22.2

2.17°

Het is verboden een voertuig te laten stilstaan of te laten parkeren op elke plaats waar het duidelijk een gevaar zou kunnen betekenen voor de andere weggebruikers of waar het hun onnodig zou kunnen hinderen, inzonderheid :

  • op de trottoirs en, binnen de bebouwde kommen, op de verhoogde bermen, behoudens plaatselijke reglementering;
  • op de fietspaden en op minder dan 3 meter van de plaats waar de fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen verplicht zijn het fietspad te verlaten om op de rijbaan te rijden of de rijbaan te verlaten om op het fietspad te rijden;
  • op de oversteekplaatsen voor voetgangers, fietsers en bestuurders van 2 wielige bromfietsen en op de rijbaan op minder dan 3 meter voor de oversteekplaatsen;
  • op de rijbaan in de onderbruggingen, in de tunnels en behoudens plaatselijke reglementering, onder de bruggen;
  • op de rijbaan, nabij de top van een helling en in een bocht wanneer het zicht onvoldoende is.

100

Il est interdit de mettre un véhicule à l’arrêt ou en stationnement à tout endroit où il est manifestement susceptible de constituer un danger pour les autres usagers de la route ou de les gêner sans nécessité, notamment :

  • sur les trottoirs et, dans les agglomérations, sur les accotements en saillie, sauf réglementation locale;
  • sur les pistes cyclables et à moins de 3 mètres de l’endroit où les cyclistes et les conducteurs de cyclomoteurs à deux roues sont obligés de quitter la piste cyclable pour circuler sur la chaussée ou de quitter la chaussée pour circuler sur la piste cyclable;
  • sur les passages pour piétons, sur les passages pour cyclistes et conducteurs de cyclomoteurs à deux roues et sur la chaussée à moins de 3 mètres en dec¸à de ces passages;
  • sur la chaussée, dans les passages inférieurs, dans les tunnels et sauf réglementation locale, sous les ponts;
  • sur la chaussée à proximité du sommet d’une côte et dans un virage lorsque la visibilité est insuffisante.

- 24 al.1

+

1° à / tot 6°

2.19°
Het is verboden een voertuig te laten stilstaan of te laten parkeren op de overwegen.

300
Il est interdit de mettre un véhicule à l’arrêt ou en stationnement sur les passages à niveau.

- 24 al.1, 3°

4.6°

Het is verboden een voertuig te parkeren :

  • op de plaatsen waar de voetgangers en de fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen op de rijbaan moeten komen om omheen een hindernis te gaan of te rijden;
  • op de plaatsen waar de doorgang van spoorvoertuigen zou belemmerd worden;
  • wanneer de vrije doorgang op de rijbaan minder dan 3 meter breed zou worden;

100

Il est interdit de mettre un véhicule en stationnement :

  • aux endroits où les piétons et les cyclistes et conducteurs de cyclomoteurs à deux roues doivent emprunter la chaussée pour contourner un obstacle.
  • aux endroits où le passage des véhicules sur rails serait entravé;
  • lorsque la largeur du passage libre sur la chaussée serait réduite à moins de 3 mètres;

- 25.1.4°

- 25.1.6°

- 25.1.7°

2.20°
Het is verboden een voertuig te parkeren op de parkeerplaatsen gesignaleerd zoals voorzien in artikel 70.2.1.3° c, behalve voor de voertuigen gebruikt door personen met een handicap die in het bezit zijn van een speciale kaart zoals bedoeld in artikel 27.4.1 of 27.4.3.

100
Il est interdit de mettre un véhicule en stationnement aux emplacements de stationnement signalés comme prévu à l’article 70.2.1.3° c, sauf pour les véhicules utilisés par les personnes handicapées titulaires de la carte spéciale visée à l’article 27.4.1 ou 27.4.3.

- 25.1.14°

2.21°
Plaats op de rijbaan
Op de wegen voorbehouden voor voetgangers, fietsers en ruiters is alleen het verkeer toegestaan van de categorieën van weggebruikers waarvan het symbool afgebeeld is op de verkeersborden die bij de toegang geplaatst zijn en van de categorieën van weggebruikers die opgesomd zijn in artikel 22quinquies 1, tweede lid van het besluit.

100
Ne peuvent circuler sur les chemins réservés aux piétons, cyclistes et cavaliers, que les catégories d’usagers dont le symbole est reproduit sur les signaux placés à leurs accès et les catégories d’usagers qui sont énumérés dans l’article 22quinquies 1, deuxième alinéa de l’arrêté.

- 22quinquies 1
en/et
5 + F99a + b
2.18°
De gebruikers van de wegen voorbehouden voor voetgangers, fietsers en ruiters mogen elkaar niet in gevaar brengen en niet hinderen. Zij moeten dubbel voorzichtig zijn ten aanzien van kinderen en ze mogen het verkeer niet nodeloos belemmeren.

150
Les usagers des chemins réservés aux piétons, cyclistes et cavaliers ne peuvent se metre mutuellement en danger ni se gêner. Ils doivent redoubler de prudence en presence d’enfants et ne peuvent entraver la circulation sans nécessité.

- 22quinquies 2, al. 1

3.16°
Wanneer de openbare weg twee of drie rijbanen omvat die duidelijk van elkaar gescheiden zijn, inzonderheid door een effen grond, een niet voor voertuigen toegankelijke ruimte, een verschil in niveau, mogen de bestuurders de ten opzichte van hun rijrichting links gelegen rijbaan niet volgen, behoudens plaatselijke reglementering.

150
Quand la voie publique comporte deux ou trois chaussées nettement séparées, notamment par un terre-plein, par un espace non accessible aux véhicules, par une différence de niveau, les conducteurs ne peuvent emprunter la chaussée de gauche par rapport au sens de leur marche, sauf réglementation locale.

- 9.2

3.3°
Richtingsverandering
Le changement de direction

De bestuurder die naar rechts afslaat moet zo dicht mogelijk bij de rechterrand van de rijbaan blijven.

De bestuurder mag zich evenwel naar links begeven wanneer hij wegens de plaatsgesteldheid en de afmetingen van het voertuig of de lading niet bij de rechterrand van de rijbaan kan blijven.

100

Le conducteur qui tourne à droite doit serrer le plus possible le bord droit de la chaussée.

Le conducteur peut toutefois se porter vers la gauche lorsque la disposition des lieux et les dimensions du véhicule ou de son chargement ne permettent pas de serrer le bord droit de la chaussée.

- 19.2.2° al. 1+2

2.16°
Wanneer de bestuurder overeenkomstig artikel 19.2.2°, tweede zin van het besluit zich bij het afslaan naar links mag begeven, moet hij zich vooraf ervan vergewissen dat geen achterligger reeds begonnen is in te halen; bovendien mag hij de andere bestuurders die op normale wijze rijden op de openbare weg die hij gaat verlaten, niet in gevaar brengen.

150
Quand le conducteur peut se porter vers la gauche conformément à l’article 19.2.2°, deuxième phrase de l’arrêté, il doit s’assurer au préalable qu’aucun conducteur qui le suit n’a commencé un dépassement; en outre il ne peut mettre en danger les autres conducteurs qui circulent normalement sur la voie publique qu’il s’apprête à quitter

- 19.2.2° al. 3

3.11°
De bestuurder die naar links afslaat moet voorrang verlenen aan de tegenliggers op de rijbaan die hij gaat verlaten.

150
Le conducteur qui tourne à gauche doit céder le passage aux conducteurs venant en sens inverse sur la chaussée qu’il s’apprête à quitter.

- 19.3.3°

3.12°
De bestuurder die van richting verandert moet voorrang verlenen aan de bestuurders en aan de voetgangers die de andere delen van dezelfde openbare weg volgen.

150
Le conducteur qui change de direction doit céder le passage aux conducteurs et aux piétons qui circulent sur les autres parties de la même voie publique.

- 19.4

3.13°
Snelheid
Vitesse
Snelheidsovertredingen worden niet ingedeeld per graad, maar maken het voorwerp uit van een sui generis bepaling.
Les excès de vitesse ne sont pas répartis par degré, mais font l’objet d’une disposition sui generis.
KB 22-12-2003
Max. 10 km/uur boven de toegelaten maximumsnelheid;

50
Max. 10 km/heure au-delà de la vitesse maximale autorisée;

- art. 3.2°

- binnen de bebouwde kom,
- in een zone 30,
- schoolomgeving,
- woonerf en erf

wordt boven de eerste 10 km/u. boven de toegelaten maximumsnelheid de som van 50 euro met telkens 10 euro vermeerderd voor elke bijkomende kilometer per uur waarmee de toegelaten maximumsnelheid wordt overschreden;

Wie 65 kilometer per uur rijdt binnen de bebouwde kom, wordt een onmiddellijke inning van 100 euro voorgesteld (het basisbedrag van 50 euro + 5 x 10 euro).

min.
60
- dans une agglomération,
- une zone 30,
- à l’abord d’école,
- dans une zone résidentielle et une zone de rencontre,

la somme de 50 euros est majorée de 10 euros pour chaque kilomètre par heure avec lequel la vitesse maximale autorisée est dépassée au-delà des 10 premiers kilomètres par heure dépassant la vitesse maximale autorisée;

Quiconque roule à 65 kilomètres par heure dans une agglomération se voit proposé une perception immédiate de 100 euros (le montant de base de 50 euros + 5 x 10 euros).

- art. 3.2°

in alle andere gevallen wordt boven de eerste 10 kilometer per uur boven de toegelaten maximumsnelheid de som van 50 euro vermeerderd met telkens 5 euro voor elke bijkomende kilometer per uur waarmee de toegelaten maximumsnelheid wordt overschreden.

min.
55
dans tous les autres cas, la somme de 50 euros est majorée de 5 euros pour chaque kilomètre par heure avec lequel la vitesse maximale autorisée est dépassée au-delà des 10 premiers kilomètres par heure dépassant la vitesse maximale autorisée.

- art. 3.2°

Elke bestuurder moet zijn snelheid regelen zoals vereist wegens de aanwezigheid van andere weggebruikers, in ’t bijzonder de meest kwetsbaren, de weersomstandigheden, de plaatsgesteldheid, haar belemmering, de verkeersdichtheid, het zicht, de staat van de weg, de staat en de lading van zijn voertuig; zijn snelheid mag geen oorzaak zijn van ongevallen, noch het verkeer hinderen.

De bestuurder moet in alle omstandigheden kunnen stoppen vóór een hindernis die kan worden voorzien.

100
Tout conducteur doit régler sa vitesse dans la mesure requise par la présence d’autres usagers et en particulier les plus vulnérables, les conditions climatiques, la disposition des lieux, leur encombrement, la densité de la circulation, le champ de visibilité, l’état de la route, l’état et le chargement de son véhicule; sa vitesse ne peut être ni une cause d’accident, ni une gêne pour la circulation.

Le conducteur doit en toute circonstance pouvoir s’arrêter devant un obstacle prévisible.

- 10.1.1° en

- 10.1.3°

2.4°
De bestuurder die de snelheid van zijn voertuig aanzienlijk wil verminderen, moet dit voornemen kenbaar maken door middel van de stoplichten wanneer het voertuig ervan voorzien is of, zoniet, en indien mogelijk, door een teken met de arm.

100
Le conducteur qui veut ralentir de fac¸on notable l’allure de son véhicule doit indiquer cette intention au moyen des feux-stop lorsque le véhicule en est pourvu ou, sinon et si possible, par un geste du bras.

- 10.2 al. 2

2.5°
Elke bestuurder moet vertragen wanneer hij trek-, last- en rijdieren of vee op de openbare weg nadert. Hij moet stoppen indien deze dieren tekenen van angst vertonen.

100
Tout conducteur doit ralentir lorsqu’il approche d’animaux de trait, de charge et de monture, ou de bestiaux se trouvant sur la voie publique. Il doit s’arrêter lorsque ces ani-maux montrent des signes de frayeur.

- 10.3

2.6°
Het is verboden een bestuurder aan te sporen of uit te dagen overdreven snel te rijden.

300
Il est interdit d’inciter ou de provoquer un conducteur à circuler à une vitesse excessive.

- 10.4

4.2°
Behoudens speciale toelating van de wettelijke gemachtigde overheid zijn verboden op de openbare weg, alle snelheids- en sportwedstrijden, inzonderheid snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsritten of -wedstrijden.

300
Sauf autorisation spéciale de l’autorité légalement habilitée, il est interdit de se livrer sur la voie publique à des luttes de vitesse, ainsi qu’à des épreuves sportives, notamment des courses ou concours de vitesse, de régularité ou d’adresse.

- 21.6.4°
- 22.2
+
- 50
4.7°
Verkeersbord Signal
Het verkeersbord B1 niet in acht nemen.
100
Ne pas respecter le signal B1.

- 5 + 67.3 signal B1

2.30°
Het verkeersbord B5 niet in acht nemen.
100
Ne pas respecter le signal B5.

- 5 + 67.3 signal B5

2.31°
Het verkeersbord C1 niet in acht nemen.
150
Ne pas respecter le signal C1.

- 5 + 68.3 signal C1

3.39°
Het verkeersbord C24a niet in acht nemen.

150
Ne pas respecter le signal C24a.

- 5 + 68.3 signal C24a

3.40°
Het verkeersbord C24b niet in acht nemen.

150
Ne pas respecter le signal C24b.

- 5 + 68.3 signal C24b

3.41°
Het verkeersbord C24c niet in acht nemen.

150
Ne pas respecter le signal C24c.

- 5 + 68.3 signal C24c

3.42°
Het verkeersbord C35 niet in acht nemen.

150
Ne pas respecter le signal C35.

- 5 + 68.3 signal C35

3.43°
Het verkeersbord C39 niet in acht nemen.

150
Ne pas respecter le signal C39.

- 5 + 68.3 signal C39

3.44°
Verkeerslicht Le feu de signalisation
Het vast oranjegeel licht betekent dat het verboden is de stopstreep of, zo er geen stopstreep is, het verkeerslicht zelf, voorbij te rijden, tenzij de bestuurder bij het aangaan van dat licht, zo dicht genaderd is, dat hij niet meer op voldoende veilige wijze kan stoppen; zo dit licht bij een kruispunt geplaatst is, mag de bestuurder, die de stopstreep of het licht in dergelijke omstandigheden voorbijgereden is, het kruispunt evenwel slechts oversteken op voorwaarde de andere weggebruikers niet in gevaar te brengen.

100
Le feu jaune-orange fixe signifie interdiction de franchir la ligne d’arrêt ou, à défaut de ligne d’arrêt, le signal même, à moins qu’au moment où il s’allume le conducteur ne s’en trouve si près qu’il ne puisse plus s’arrêter dans des conditions de sécurité suffisante, toutefois, si le signal est placé à un carrefour, le conducteur qui, dans de telles circonstances, a franchi la ligne d’arrêt ou le signal, ne peut traverser le carrefour qu’à la condition de ne pas mettre en danger les autres usagers.

- 61.1.2°

+

- 62ter al. 2,2°

2.28°
Het rood licht negeren. Rood licht betekent dat het verboden is de stopstreep of, zo er geen stopstreep is, het verkeerslicht zelf, voorbij te rijden.

150
Transgresser le feu rouge. Le feu rouge signifie interdiction de franchir la ligne d’arrêt ou, à défaut de ligne d’arrêt, le signal même.

- 61.1.1°
+
- 62ter al.2, 1°
3.36°
Wanneer één of meer bijkomende lichten in de vorm van één of meer groene pijlen tegelijk met een rood licht branden, betekenen de pijlen dat alleen in de richtingen die door de pijlen worden aangeduid mag voortgereden worden, op voorwaarde dat voorrang verleend wordt aan de bestuurders die op regelmatige wijze uit andere richtingen komen en aan de voetgangers.

150
Quand un ou plusieurs feux supplémentaires sous la forme d’une flèche ou de plusieurs flèches vertes sont éclairés conjointement avec le feu rouge, les flèches signifient autorisation de poursuivre la marche uniquement dans les directions indiquées par les flèches, à condition de céder le passage aux conducteurs débouchant régulièrement d’autres directions et aux piétons.

- 61.1.5°
+
- 62ter al.2, 4° + 5°
3.37°
Tweekleurige verkeerslichten die boven rijstroken van de rijbaan geplaatst zijn, hebben de volgende betekenis :

- het rode licht dat de vorm heeft van een kruis, betekent verboden richting op de strook voor de bestuurders naar wie het gericht is;

150
Des signaux lumineux de circulation du système bicolore placés au-dessus des bandes de circulation d’une chaussée, ont la signification suivante :

- le feu rouge qui a la forme d’une croix signifie sens interdit sur la bande pour les conducteurs vers lesquels il est orienté,

- 63.2.1
3.38°
Voetgangers
Les piétons
Zie ook Zebrapad
De bestuurder die van richting verandert moet voorrang verlenen aan de voetgangers die de rijbaan oversteken die hij gaat oprijden.

150
Le conducteur qui change de direction doit céder le passage aux piétons qui traversent la chaussée sur laquelle il va s’engager.

- 19.5

3.14°
Binnen de woonerven en de erven mogen de bestuurders de voetgangers niet in gevaar brengen en ze niet hinderen; zo nodig moeten zij stoppen. Zij moeten bovendien dubbel voorzichtig zijn ten aanzien van kinderen.

150
Dans les zones résidentielles et dans les zones de rencontre, les conducteurs ne peuvent mettre les piétons en danger ni les gêner; au besoin, ils doivent s’arrêter. Ils doivent en outre redoubler de prudence en présence d’enfants.

- 22bis al. 1,2° 1°+2°zin/phrase

3.15°
De bestuurders die in de voetgangerszones rijden, moeten stapvoets rijden; ze moeten de doorgang vrij laten voor de voetgangers en zo nodig stoppen. Ze mogen de voetgangers niet in gevaar brengen en niet hinderen.

150
Les conducteurs qui sont admis aux zones piétonnes doivent le faire à l’allure du pas; ils doivent céder le passage aux piétons et au besoin s’arrêter. Ils ne peuvent mettre les piétons en danger ni les gêner.

- 22sexies 2, al. 2

3.17°
De bestuurders die in de speelstraten rijden, moeten dit stapvoets doen; ze moeten de doorgang vrij laten voor de voetgangers die spelen, hen voorrang verlenen en er zo nodig voor stoppen. Fietsers moeten zonodig afstappen. De bestuurders mogen de voetgangers die spelen niet in gevaar brengen en niet hinderen. Ze moeten bovendien dubbel voorzichtig zijn ten aanzien van kinderen.

150
Les conducteurs qui circulent dans les rues réservées au jeu doivent le faire à l’allure du pas; ils doivent céder le passage aux piétons qui jouent, leur céder la priorité et au besoin s’arrêter. Les cyclistes doivent descendre de leur bicyclette si nécessaire. Les conducteurs ne peuvent pas mettre en danger les piétons qui jouent ni les gêner. Ils doivent en outre redoubler de prudence en présence d’enfants.

- 22septies 2

3.18°
Voorrangsregels
Elke weggebruiker moet voorrang verlenen aan de spoorvoertuigen; daartoe moet hij zich zo snel mogelijk van de sporen verwijderen.

100
Tout usager doit céder le passage aux véhicules sur rails; à cette fin, il doit s’écarter de la voie ferrée dès que possible.

- 12.1

2.7°
De bestuurder die een kruispunt oprijdt moet dubbel voorzichtig zijn ten einde elk ongeval te voorkomen.

100
Le conducteur abordant un carrefour doit redoubler de prudence pour éviter tout accident.

- 12.2

2.8°
Elke bestuurder moet voorrang verlenen aan de bestuurder die op een regelmatige manier van rechts komt, behalve indien hij op een rotonde rijdt of indien de bestuurder die van rechts komt uit een verboden rijrichting komt. (gewijzigd door KB 29jan2007)

De bestuurder moet evenwel voorrang verlenen aan iedere bestuurder die rijdt op de openbare weg of de rijbaan die hij oprijdt :

- wanneer hij uit een openbare weg of een rijbaan met een verkeersbord B 1 (omgekeerde driehoek) of met een verkeersbord B 5 (stop) komt;

- wanneer hij uit een aardeweg of een pad op een openbare weg met een rijbaan komt.
100
Tout conducteur doit céder le passage à celui qui vient à sa droite, sauf s’il circule dans un rond-point ou si le conducteru qui vient de droite vient d'une sens inderdit. (modiefié AR 29jan2007)

Toutefois, le conducteur doit céder le passage à tout autre conducteur circulant sur la voie publique ou la chaussée qu’il aborde :

- lorsqu’il débouche d’une voie publique ou d’une chaussée pourvue d’un signal B1 (triangle sur pointe) ou d’un signal B5 (stop);
- lorsqu’il débouche d’un chemin de terre ou d’un sentier sur une voie publique pourvue d’une chaussée.

- 12.3.1

2.9°
De bestuurder die een trottoir of een fietspas oversteekt, moet voorrang verlenen aan de weggebruikers die overeenkomstig dit besluit gerechtigd zijn om het trottoir of fietspad te volgen.
(gewijzigd door KB 29jan2007 - inoege 1 maart 2007)

100
Le conducteur qui traverse un trottoir ou une piste cyclable, doit ceder la priorite aux usagers de la route qui, conformement au present arrete, sont autorises a circuler sur le trottoir ou la piste cyclable.
(modifié et en vigueur 1 mars 2007)

- 12.4bis

2.10°
De bestuurder die een manoeuver wil uitvoeren, moet voorrang verlenen aan de andere weggebruikers.

100
Le conducteur qui veut exécuter une manoeuvre doit céder le passage aux autres usagers.

- 12.4 al. 1

2.11°
De bestuurder die voorrang moet verlenen, mag slechts verder rijden indien hij zulks kan doen zonder gevaar voor ongevallen, gelet op de plaats van de andere weggebruikers, hun snelheid en de afstand waarop zij zich bevinden.

100
Le conducteur qui doit céder le passage ne peut poursuivre sa marche que s’il peut le faire sans risque d’accident, compte tenu de la position des autres usagers, de leur vitesse et de la distance à laquelle ils se trouvent.

- 12.5

2.12°
Zodra het speciaal geluidstoestel het naderen van een prioritair voertuig aankondigt, moet elke weggebruiker onmiddellijk de doorgang vrijmaken en voorrang verlenen; zo nodig moet hij stoppen.

150
Dès que l’approche d’un véhicule prioritaire est signalée par l’avertisseur sonore spécial, tout usager doit immédiatement dégager et céder le passage; au besoin, il doit s’arrêter.

- 38

3.21°
Wielerwedstrijd Course cycliste
Bij het naderen van een groep renners die aan een wielerwedstrijd deelnemen, moet elke bestuurder onmiddellijk uitwijken en stoppen.

150
A l’approche d’un groupe de concurrents participant à une course cycliste, tout conducteur doit immédiatement se ranger et s’arrêter.

- 41.2

3.32°
Zebrapad = oversteekplaats Passage pour piétons
Zie inhalen
Voir rattraper