Artikel 45. - Lading van de voertuigen: algemene voorschriften.

45.1. De lading van een voertuig moet zodanig geschikt en zo nodig vastgemaakt, [overdekt worden met een dekzeil of met een net,1] dat ze:
(KB. 18.9.1991, art. 19; inwerkingtreding: 1.1.1992).

1° de zichtbaarheid van de bestuurder niet kan hinderen;
2° geen gevaar voor de bestuurder, de vervoerde personen, en de andere weggebruikers kan vormen;
3° geen schade kan veroorzaken aan de openbare weg, aan zijn aanhorigheden, aan de erin liggende kunstwerken of aan de openbare- of privé-eigendommen;
4° niet op de openbare weg kan slepen of vallen;
5° de stabiliteit van het voertuig niet in het gedrang kan brengen;
6° de lichten, de reflectoren en het inschrijvingsnummer niet onzichtbaar kan maken.

45.2. De ladingen van graangewassen, vlas, stro, paarden- of veevoeder in bulk of in balen, moeten overdekt worden met een dekzeil of met een net. Deze bepaling geldt echter niet voor vervoer binnen een straal van 25 km van de plaats van lading, voor zover het niet langs een autosnelweg geschiedt.

45.3. Bestaat de lading uit lange stukken, dan moeten deze onderling en ook aan het voertuig zo stevig vastgemaakt worden dat zij bij het schommelen niet buiten de grootste zijomtrek van het voertuig komen.

45.4. Al wat dient om de lading vast te maken of te beschutten zoals kettingen, dekzeilen, netten, enz. moet de lading nauw omsluiten.

45.5. De bestuurder van het voertuig moet de nodige maatregelen nemen om te voorkomen dat de lading, alsmede al wat dient om de lading vast te maken of te beschutten, door lawaai de bestuurder zouden hinderen, het publiek ongemak aandoen of de dieren doen schrikken.

45.6. Indien zij- of achterdeuren bij uitzondering moeten openblijven, moeten zij zodanig vastgezet worden dat zij niet uitsteken buiten de grootste zijomtrek van het voertuig.