|
|
| Hoofdstuk I | Voorwaarden voor het uitoefenen van ondernemer | Art 7 |
| Hoofdstuk II | Betrouwbaarheid = strafrechtelijke veroordeling | Art 8 |
| De Koning bepaalt inzake de betrouwbaarheid ... | Art 9 | |
| Hoofdstuk III | Vakbekwaamheid = voorwaarden | Art 10 |
| Vakbekwaamheid = afgifte | Art 11 | |
| De Koning bepaalt inzake de vakbekwaamheid ... | Art 12 | |
| Hoofdstuk IV | Financiële draagkracht - wanneer men hieraan voldoet | Art 13 |
| De Koning bepaalt ... inzake borgtocht | Art 14 |
Art 7
Elke onderneming die het beroep van ondernemer van vervoer van zaken over de weg wenst uit te oefenen of dat beroep uitoefent, moet voldoen aan de bij of krachtens deze wet gestelde voorwaarden inzake betrouwbaarheid, vakbekwaamheid en financiële draagkracht.
Art 8
( Het woord "frank" in dit artikel wordt gewijzigd in "euro" volgens art. 2 KB 20-07-2000 houdende uitvoering inzake de materies die onder het departement van Verkeer en Infrastructuur resorteren, van de wet van 26 juni 2000 betreffende de invoering van de euro in de wetgeving die betrekking heeft op aangelegenheden als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. )
§ 1. Indien de onderneming een natuurlijke persoon is, voldoet zij aan de voorwaarde van betrouwbaarheid wanneer :
1° noch deze natuurlijke persoon, noch de door hem eventueel aangewezen personen om de in artikel 3, 1° en 2° bedoelde werkzaamheden van de onderneming te leiden, in België of in het buitenland een in kracht van gewijsde gegane ernstige strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen;
2° geen enkele van de in 1° bedoelde personen in België of in het buitenland in kracht van gewijsde gegane ernstige strafrechtelijke veroordelingen heeft opgelopen wegens inbreuken op de voorschriften inzake :
a) de veiligheid van de voertuigen, alsook de massa's en afmetingen van deze voertuigen;
b) de bescherming van het milieu tegen de verschillende verontreinigingen die uit de uitoefening van het beroep van ondernemer van vervoer van zaken over de weg voortvloeien;
c) de politie over het wegverkeer;
d) de rij- en rusttijden van de bestuurders van voertuigen en het gebruik van de tachograaf;
e) het vervoer van zaken over de weg tegen vergoeding;
f) de in het beroep van ondernemer van vervoer van zaken over de weg geldende loon- en arbeidsvoorwaarden;
g) de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorvoertuigen;
h) de accijnstarieven voor minerale olie;
3° deze natuurlijke persoon geen verbod is opgelegd om een koopmansbedrijf uit te oefenen krachtens het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen.
§ 2. Indien de onderneming geen natuurlijke persoon is, voldoet zij aan de voorwaarde van betrouwbaarheid wanneer geen enkele van de personen belast met het dagelijks bestuur van de onderneming en geen enkele van de personen aangewezen om de in artikel 3, 1° en 2° bedoelde werkzaamheden van de onderneming te leiden :
1° een veroordeling heeft opgelopen als bedoeld in §1, 1°;
2° veroordelingen heeft opgelopen als bedoeld in §1, 2°;
3° een verbod heeft opgelopen krachtens het in §1, 3° bedoelde koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934.
Wanneer een rechtspersoon belast is met het dagelijks bestuur van de onderneming, is de in het eerste lid vermelde voorwaarde eveneens van toepassing op alle natuurlijke personen die zijn aangewezen om deze rechtspersoon te leiden.
§ 3. Voor de toepassing van de in §1, 1° bedoelde bepalingen wordt als een ernstige strafrechtelijke veroordeling beschouwd :
1° elke strafrechtelijke veroordeling die aanleiding heeft gegeven tot een geldboete van meer dan vierduizend frank of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden;
2° elke strafrechtelijke veroordeling die aanleiding heeft gegeven tot een geldboete van meer dan tweeduizend frank maar die vierduizend frank niet overschrijdt, of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan drie maanden maar die zes maanden niet overschrijdt en waarvoor de minister of zijn gemachtigde in het betrokken geval een ongunstige beoordeling geeft.
§ 4. Voor de toepassing van de in §1, 2° bedoelde bepalingen worden als ernstige strafrechtelijke veroordelingen wegens inbreuken op de genoemde voorschriften beschouwd :
1° wanneer geen enkele strafrechtelijke veroordeling in het buitenland werd opgelopen :
a) het geheel van strafrechtelijke veroordelingen die samen aanleiding hebben gegeven tot een totale geldboete van meer dan tweeduizend frank of tot een totale hoofdgevangenisstraf van meer dan vier maanden;
b) het geheel van strafrechtelijke veroordelingen die samen aanleiding hebben gegeven tot een totale geldboete van meer dan duizend frank maar die tweeduizend frank niet overschrijdt, of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan drie maanden maar die vier maanden niet overschrijdt en waarvoor de minister of zijn gemachtigde in het betrokken geval een ongunstige beoordeling geeft;
2° wanneer een of meer strafrechtelijke overtredingen in het buitenland werden opgelopen :
a) het geheel van de in België opgelopen strafrechtelijke veroordelingen die samen aanleiding hebben gegeven tot een totale geldboete van meer dan tweeduizend frank of tot een totale hoofdgevangenisstraf van meer dan vier maanden;
b) onverminderd het in a) bedoelde geval, het geheel van de in België en in het buitenland opgelopen strafrechtelijke veroordelingen die samen aanleiding hebben gegeven tot een totale geldboete van meer dan duizend frank of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan drie maanden en waarvoor de minister of zijn gemachtigde in het betrokken geval een ongunstige beoordeling geeft.
§ 5. Voor de toepassing van de §§ 1 tot 4 gelden tevens de volgende bepalingen :
1° er wordt geen rekening gehouden met :
a) veroordelingen tot een geldboete die niet hoger is dan vijfenzeventig frank of tot een hoofdgevangenisstraf die niet hoger is dan vijftien dagen;
b) straffen of gedeelten van straffen met uitstel indien de geldboete minder dan duizend frank of de hoofdgevangenisstraf minder dan drie maanden bedraagt;
2° bij de strafrechtelijke geldboeten worden de opdeciemen buiten beschouwing gelaten;
bij veroordelingen wegens inbreuken waarop de wetgeving betreffende de opdeciemen op de strafrechtelijke geldboeten geen toepassing vindt, is het in aanmerking te nemen bedrag gelijk aan het quotiënt van de deling van het bedrag van de opgelegde boeten door een deler die door de Koning wordt bepaald;
3° de in §3, 2°, §4, 1°, b) en §4, 2°, b) bedoelde beoordeling van de minister of zijn gemachtigde kan slechts gebeuren na gemotiveerd advies van de in artikel 39 bedoelde Commissie goederenvervoer over de weg;
bij deze beoordeling wordt rekening gehouden met één of meer van de volgende criteria :
het effect van de inbreuken op de concurrentiepositie en op de verkeersveiligheid, de frequentie van de inbreuken, de evolutie in het gedrag van de onderneming, de omstandigheden waarin de inbreuken hebben plaatsgevonden, de aard van de aan de dag gelegde activiteiten, de algemene moraliteit en de beroepsernst van de persoon in kwestie, de antecedenten, inbegrepen de betrokkenheid in vroegere faillissementen, de toekomstperspectieven, alsook de graad van gestrengheid van de eventueel in het buitenland opgelopen veroordelingen.
Art. 9. De Koning bepaalt :
1° de bewijsmiddelen waarmee de betrouwbaarheid wordt aangetoond;
2° de termijn die wordt toegekend aan de onderneming om de in 1° bedoelde bewijsmiddelen over te leggen;
3° de maximumperiode waarna de betrouwbaarheid opnieuw moet worden onderzocht; die periode mag niet langer zijn dan 5 jaar;
4° de in artikel 8, § 5, 2°, tweede lid, bedoelde deler.
Art 10
§ 1. Indien de onderneming een natuurlijke persoon is, voldoet zij aan de voorwaarde van vakbekwaamheid wanneer ofwel deze natuurlijke persoon ofwel een andere door hem aangewezen persoon, die de in artikel 3, 1° en 2° bedoelde werkzaamheden daadwerkelijk en permanent leidt, houder is van een getuigschrift of een bewijs van vakbekwaamheid.
Indien de onderneming geen natuurlijke persoon is, voldoet zij aan de voorwaarde van vakbekwaamheid, wanneer een van de natuurlijke personen die de in artikel 3, 1° en 2° bedoelde werkzaamheden daadwerkelijk en permanent leiden, houder is van een getuigschrift of een bewijs van vakbekwaamheid.
§ 2. Opdat er sprake zou kunnen zijn van een daadwerkelijke en permanente leiding van de vervoerswerkzaamheden, moet de persoon die zijn getuigschrift of zijn bewijs van vakbekwaamheid doet gelden voor die onderneming, regelmatig tussenkomen in een bepaald aantal welomschreven activiteiten; deze activiteiten mogen door de voornoemde persoon slechts worden uitgeoefend in een beperkt aantal ondernemingen.
§ 3. Een ongunstige beslissing omdat de vervoerswerkzaamheden van de onderneming niet daadwerkelijk of niet permanent worden geleid door een persoon die houder is van het getuigschrift of bewijs van vakbekwaamheid, kan door de minister of zijn gemachtigde worden herzien.
§ 4. Wanneer een van de personen aangewezen om de vervoerswerkzaamheden van de onderneming te leiden, overlijdt, lichamelijk of wettelijk onbekwaam wordt om zijn functie uit te oefenen of de onderneming in andere omstandigheden verlaat, moet de onderneming deze gebeurtenis aan de minister of aan zijn gemachtigde melden.
Art. 11. (gewijzigd Wet 24-03-2003 BS. 08-4-2003)
§ 1. Het getuigschrift van vakbekwaamheid wordt afgegeven door de Minister of zijn gemachtigde aan elke natuurlijke persoon die overeenkomstig de voorschriften bepaald door de Koning :
1° eerst de cursussen heeft gevolgd die worden georganiseerd door de Minister [of zijn gemachtigde] of door de instellingen die de [Minister] daartoe erkent;
2° vervolgens geslaagd is voor de examens die worden georganiseerd door een examencommissie die de minister samenstelt.
§ 2. Het in artikel 10 bedoelde bewijs van vakbekwaamheid is het document afgegeven door de hiertoe door elke andere lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte aangewezen overheid of instantie, dat aantoont dat een natuurlijke persoon de door de betrokken lidstaat vereiste bekwaamheid bezit.
Art. 12.
§ 1. De Koning bepaalt :
1° de bewijsmiddelen waarmee de vakbekwaamheid wordt aangetoond;
2° het model van het getuigschrift van vakbekwaamheid;
3° de lijst met de leerstof van de cursussen en de examens;
4° de eventuele vrijstellingen van de in artikel 11, §1 bedoelde verplichtingen;
5° de wijze waarop de cursussen worden georganiseerd;
6° de wijze waarop de examens worden georganiseerd;
7° de regels inzake de aanvraag tot herziening van de in artikel 10, §3 bedoelde ongunstige beslissing;
8° de minimumvoorwaarden waaraan de houder van een getuigschrift of een bewijs van vakbekwaamheid moet voldoen opdat sprake zou kunnen zijn van een daadwerkelijke en permanente leiding van de in artikel 3, 1° en 2° bedoelde werkzaamheden;
9° de maximumperiode waarna de voorwaarde van vakbekwaamheid opnieuw moet worden onderzocht; die periode mag niet langer zijn dan 5 jaar;
10° de termijn die wordt toegestaan aan de onderneming :
11° de voorwaarden tot erkenning van de met het organiseren vande cursussen belaste instellingen. (toegevoegd Wet 24-03-2003 BS. 08-04-2003)
§ 2. De Koning kan de hem bij §1, 5° en 6° verleende bevoegdheden overdragen aan de minister.
Art. 13.
Een onderneming voldoet aan de voorwaarde van financiële draagkracht wanneer zij aantoont een hoofdelijke borgtocht te hebben gesteld waarvan het bedrag afhankelijk is van het aantal voertuigen waarvoor door de minister of zijn gemachtigde eensluidend verklaard afschrift van vergunningen nationaal vervoer of vergunningen communautair vervoer werden gevraagd of afgegeven.
Art. 14.
§ 1. De Koning bepaalt :
1° het bedrag van de vereiste borgtocht;
2° de aard van de borgen die deze borgtocht mogen stellen;
3° het model van de bewijzen van borgtocht;
4° de bestemming van de borgtocht;
5° de regels inzake de aanspraak op de borgtocht;
6° de verplichtingen van de betrokken partijen in geval van afneming op de borgtocht en in geval van vermindering of opzegging van de borgtocht;
7° de voorschriften inzake de bevrijding van de borg.
§ 2. De Koning kan de hem bij §1, 3° verleende bevoegdheid overdragen aan de minister.
|
|
|
|||||
|
|
|