Zakenvervoer

03 MEI 1999. - Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg.


TITEL II. - Toegang tot en uitoefening van het beroep

Hoofdstuk I Voorwaarden voor het uitoefenen van ondernemer Art 7
Hoofdstuk II Betrouwbaarheid = strafrechtelijke veroordeling Art 8
De Koning bepaalt inzake de betrouwbaarheid ... Art 9
Hoofdstuk III Vakbekwaamheid = voorwaarden Art 10
Vakbekwaamheid = afgifte Art 11
De Koning bepaalt inzake de vakbekwaamheid ... Art 12
Hoofdstuk IV Financiële draagkracht - wanneer men hieraan voldoet Art 13
De Koning bepaalt ... inzake borgtocht Art 14

HOOFDSTUK I

Voorwaarden

Art 7

HOOFDSTUK II

Betrouwbaarheid

Art 8

( Het woord "frank" in dit artikel wordt gewijzigd in "euro" volgens art. 2 KB 20-07-2000 houdende uitvoering inzake de materies die onder het departement van Verkeer en Infrastructuur resorteren, van de wet van 26 juni 2000 betreffende de invoering van de euro in de wetgeving die betrekking heeft op aangelegenheden als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. )

§ 1. Indien de onderneming een natuurlijke persoon is, voldoet zij aan de voorwaarde van betrouwbaarheid wanneer :

§ 2. Indien de onderneming geen natuurlijke persoon is, voldoet zij aan de voorwaarde van betrouwbaarheid wanneer geen enkele van de personen belast met het dagelijks bestuur van de onderneming en geen enkele van de personen aangewezen om de in artikel 3, 1° en 2° bedoelde werkzaamheden van de onderneming te leiden :

§ 3. Voor de toepassing van de in §1, 1° bedoelde bepalingen wordt als een ernstige strafrechtelijke veroordeling beschouwd :

§ 4. Voor de toepassing van de in §1, 2° bedoelde bepalingen worden als ernstige strafrechtelijke veroordelingen wegens inbreuken op de genoemde voorschriften beschouwd :

§ 5. Voor de toepassing van de §§ 1 tot 4 gelden tevens de volgende bepalingen :

Art. 9. De Koning bepaalt :

HOOFDSTUK III

Vakbekwaamheid

Art 10

§ 1. Indien de onderneming een natuurlijke persoon is, voldoet zij aan de voorwaarde van vakbekwaamheid wanneer ofwel deze natuurlijke persoon ofwel een andere door hem aangewezen persoon, die de in artikel 3, 1° en 2° bedoelde werkzaamheden daadwerkelijk en permanent leidt, houder is van een getuigschrift of een bewijs van vakbekwaamheid.
Indien de onderneming geen natuurlijke persoon is, voldoet zij aan de voorwaarde van vakbekwaamheid, wanneer een van de natuurlijke personen die de in artikel 3, 1° en 2° bedoelde werkzaamheden daadwerkelijk en permanent leiden, houder is van een getuigschrift of een bewijs van vakbekwaamheid.

§ 2. Opdat er sprake zou kunnen zijn van een daadwerkelijke en permanente leiding van de vervoerswerkzaamheden, moet de persoon die zijn getuigschrift of zijn bewijs van vakbekwaamheid doet gelden voor die onderneming, regelmatig tussenkomen in een bepaald aantal welomschreven activiteiten; deze activiteiten mogen door de voornoemde persoon slechts worden uitgeoefend in een beperkt aantal ondernemingen.

§ 3. Een ongunstige beslissing omdat de vervoerswerkzaamheden van de onderneming niet daadwerkelijk of niet permanent worden geleid door een persoon die houder is van het getuigschrift of bewijs van vakbekwaamheid, kan door de minister of zijn gemachtigde worden herzien.

§ 4. Wanneer een van de personen aangewezen om de vervoerswerkzaamheden van de onderneming te leiden, overlijdt, lichamelijk of wettelijk onbekwaam wordt om zijn functie uit te oefenen of de onderneming in andere omstandigheden verlaat, moet de onderneming deze gebeurtenis aan de minister of aan zijn gemachtigde melden.

Art. 11. (gewijzigd Wet 24-03-2003 BS. 08-4-2003)

§ 1. Het getuigschrift van vakbekwaamheid wordt afgegeven door de Minister of zijn gemachtigde aan elke natuurlijke persoon die overeenkomstig de voorschriften bepaald door de Koning :

§ 2. Het in artikel 10 bedoelde bewijs van vakbekwaamheid is het document afgegeven door de hiertoe door elke andere lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte aangewezen overheid of instantie, dat aantoont dat een natuurlijke persoon de door de betrokken lidstaat vereiste bekwaamheid bezit.

Art. 12.

§ 1. De Koning bepaalt :

§ 2. De Koning kan de hem bij §1, 5° en 6° verleende bevoegdheden overdragen aan de minister.

HOOFDSTUK III

Financiële draagkracht

Art. 13.

Art. 14.

§ 1. De Koning bepaalt :

§ 2. De Koning kan de hem bij §1, 3° verleende bevoegdheid overdragen aan de minister.


Top