|
|
TITEL VI. - Sancties |
| Hoofdstuk I |
|
|
| Hoofdstuk II |
|
Art 34 |
| Hoofdstuk III | Strafbepalingen Gevangenisstraf en/of geldboete verbeurdverklaring Worden eveneens gestraft: |
Art 35
Art 36 Art 37 |
art 37 gewijzigd KB 10 aug 2009 Stbl 20-08-2009
HOOFDSTUK I.
Maatregelen van ambtswege
Art 30
Indien het in artikel 28 bedoelde bewijs niet kan worden geleverd, mag de ambtenaar bedoeld in artikel 25 die vaststelt dat een vervoer van zaken over de weg wordt verricht met een voertuig zonder geldige vervoersvergunning of geldig afschrift van de vergunning of zonder een gelijkgesteld document, zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 27 :
1° de bestuurder verplichten ofwel naar de plaats van lading terug te keren om het voertuig te lossen of om de lading over te laden op een voertuig waarvoor een vervoersvergunning werd afgegeven; in dat geval geschieden de terugkeer naar de plaats van lading, het lossen of het overladen, alsook de verrichtingen die ze vereisen op kosten en voor risico van de overtreder; deze laatste blijft aansprakelijk voor de schade aan en het verlies van de geloste of overgeladen zaken, alsook voor de vertraging van hun levering;
2° overgaan, op kosten en risico van de overtreder, tot het ophouden van deze voertuigen totdat het lossen of overladen zoals bedoeld in 1° heeft plaatsgehad.
Art 31
§ 1. Elke vervoersvergunning, elk afschrift van een vervoersvergunning of elk ermee gelijkgesteld document die het voorwerp is geweest van een beslissing tot intrekking en die in het bezit van de houder of zijn aangestelden wordt gevonden, wordt onmiddellijk in beslag genomen door de ambtenaren bedoeld in artikel 25 en overgezonden aan de minister of zijn gemachtigde.
§ 2. Elke vervoersvergunning, elk afschrift van een vervoersvergunning of elk ermee gelijkgesteld document die in het bezit van een andere persoon dan de houder of zijn aangestelden wordt gevonden, wordt door de ambtenaren als bedoeld in artikel 25 afgenomen en onmiddellijk overgezonden aan de minister of zijn gemachtigde.
Voor de ondernemingen die een bedrijfszetel in België hebben, kan de afgenomen vergunning nationaal vervoer of het afschrift ervan of de vergunning communautair vervoer of het afschrift ervan pas na drie maanden na het afnemen aan de houder ervan worden teruggegeven, behalve indien blijkt dat deze te goeder trouw is, inzonderheid indien hij het verlies of de diefstal van het document heeft aangegeven vóór de vaststelling waarvan sprake in het eerste lid.
Inning en consignatie van een som bij de vaststelling van sommige inbreuken
Art. 32.
§ 1. Bij de vaststelling, op een openbare plaats, van een van de in artikel 36 bedoelde inbreuken op deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, kan, indien het feit geen schade aan derden heeft veroorzaakt en met instemming van de overtreder, hetzij onmiddellijk, hetzij binnen een door de Koning bepaalde termijn, een som geïnd worden die niet hoger mag zijn dan het maximum van de geldboete die op deze inbreuk staat, vermeerderd met de opdeciemen.
§ 2. Door de betaling vervalt de strafvordering, tenzij het openbaar ministerie binnen een maand, te rekenen vanaf de dag van de betaling, de betrokkene kennis geeft van zijn voornemen die vordering in te stellen.
De kennisgeving geschiedt bij een ter post aangetekende brief; zij wordt geacht te zijn gedaan de eerste werkdag na de dag van afgifte ter post.
Art. 33.
§ 1. Indien de dader van de op een openbare plaats vastgestelde inbreuk geen woonplaats of vaste verblijfplaats in België heeft en de voorgestelde som niet onmiddellijk betaalt, moet hij aan de ambtenaren bedoeld in artikel 25 een som in consignatie geven, bestemd om de eventuele geldboete en gerechtskosten te dekken.
§ 2. Het door de overtreder bestuurde voertuig wordt op zijn kosten en risico ingehouden tot deze som betaald is en het bewijs geleverd wordt dat de eventuele bewaringskosten van het voertuig betaald zijn.
§ 3. Indien de verschuldigde som niet betaald wordt binnen de zesennegentig uren, te rekenen vanaf de vaststelling van de inbreuk, mag de inbeslagneming van het voertuig door het openbaar ministerie bevolen worden.
Een bericht van inbeslagneming wordt binnen twee werkdagen aan de eigenaar van het voertuig gezonden.
De kosten en het risico voor het voertuig blijven tijdens de duur van de inbeslagneming ten laste van de overtreder.
De inbeslagneming wordt opgeheven nadat het bewijs is geleverd dat de som die in consignatie moet worden gegeven en de eventuele bewaringskosten van het voertuig zijn betaald.
§ 4. Indien de strafvordering tot veroordeling van de betrokkene leidt, zijn de volgende bepalingen van toepassing :
1° indien de aan de Staat verschuldigde gerechtskosten en de uitgesproken geldboete lager zijn dan de geïnde of in consignatie gegeven som, wordt het overschot terugbetaald;
2° indien het voertuig in beslag genomen is, wordt bij vonnis bevolen dat de administratie bevoegd voor het beheer van de Domeinen het voertuig moet verkopen bij niet-betaling van de geldboete en de gerechtskosten binnen een termijn van veertig dagen vanaf de uitspraak van het vonnis;
deze beslissing is uitvoerbaar niettegenstaande elk rechtsmiddel.
Indien de aan de Staat verschuldigde gerechtskosten, de uitgesproken geldboete en de eventuele bewaringskosten van het voertuig lager zijn dan de opbrengst van de verkoop, wordt het overschot terugbetaald.
§ 5. Als de betrokkene wordt vrijgesproken, wordt de geïnde of in consignatie gegeven som of het in beslag genomen voertuig teruggegeven; de eventuele bewaringskosten van het voertuig vallen ten laste van de Staat.
§ 6. Als de betrokkene voorwaardelijk is veroordeeld, wordt de geïnde of in consignatie gegeven som teruggegeven na aftrek van de gerechtskosten; het in beslag genomen voertuig wordt teruggegeven nadat de gerechtskosten betaald zijn en het bewijs is geleverd dat de eventuele bewaringskosten van het voertuig betaald zijn.
§ 7. De in consignatie gegeven som of het in beslag genomen voertuig wordt teruggegeven wanneer het openbaar ministerie beslist geen vervolging in te stellen of wanneer de strafvordering vervallen of verjaard is.
§ 8. Indien, bij toepassing van artikel 216bis van het wetboek van strafvordering, de door het openbaar ministerie vastgestelde som lager is dan de geïnde som, wordt het overschot terugbetaald.
§ 9. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing wanneer de inbreuk is begaan door een militair, die zich verplaatst voor de behoeften van de dienst, of door één van de personen bedoeld in de artikelen 479 en 483 van het wetboek van strafvordering.
Art. 34.
De Koning bepaalt :
1° het bedrag van de te innen som bedoeld in artikel 32, § 1 en de wijze van inning;
2° het bedrag van de in consignatie te geven som bedoeld in artikel 33, § 1 en de wijze van inning.
Strafbepalingen
Art. 35.
§ 1. De in artikel 36 bedoelde inbreuken op deze wet en haar uitvoeringsbesluiten worden bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met een geldboete van vijftig tot tienduizend frank, vermeerderd met de opdeciemen, of met één van die straffen alleen, onverminderd de eventuele schadevergoeding.
De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, waaronder ook hoofdstuk VII en artikel 85, zijn op die inbreuken van toepassing.
§ 2. Onverminderd de bepalingen van artikel 56 van het Strafwetboek, mag de straf in geval van herhaling binnen twee jaar na de veroordeling echter niet lager zijn dan het dubbele van de straf die vroeger wegens dezelfde inbreuk werd uitgesproken.
§ 3. Bij veroordeling wegens vervoer van zaken tegen vergoeding verricht met een voertuig waarvoor geen vervoervergunning werd afgegeven overeenkomstig de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten :
1° kan de rechter de verbeurdverklaring of de tijdelijke vastlegging van het voertuig bevelen;
bij tijdelijke vastlegging stelt de rechter vast hoe lang deze zal duren en op welke plaats het voertuig, op kosten en op risico van de eigenaar, aan de ketting zal worden gelegd;
2° worden de schadevergoedingen toegekend aan de burgerlijke partij, bevoorrecht op het voertuig dat voor het plegen van de inbreuk heeft gediend. Dit voorrecht neemt rang in onmiddellijk na het voorrecht bedoeld in artikel 20, 5° van de hypotheekwet van 16 december 1851.
§ 4. In afwijking van artikel 43, eerste lid van het Strafwetboek kan de verbeurdverklaring van het voertuig wegens inbreuk op deze wet en haar uitvoeringsbesluiten slechts in het in § 3 bepaalde geval worden uitgesproken.
[§5 De politierechtbanken zijn bevoegd voor de in artikel 36 bedoelde inbreuken.] (toegevoegd Wet 24-03-2003 BS. 08-4-2003)
Art. 36.
De schending van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten wordt strafbaar gesteld wanneer zij de bepalingen betreft inzake :
1° de verplichting houder te zijn van een geldige vervoersvergunning overeenkomstig de artikelen 5, §§ 1 en 6 evenals, in de door de Koning bepaalde gevallen, krachtens artikel 22, § 1, 2°;
2° de krachtens de artikelen 9, 2° en 12, § 1, 10°, a) door de Koning vastgestelde termijnen inzake betrouwbaarheid en vakbekwaamheid;
3° de verplichting tot daadwerkelijke en permanente leiding van de werkzaamheden van de onderneming door de persoon die werd aangeduid om er, overeenkomstig artikel 10, zijn vakbekwaamheid te doen gelden;
4° de krachtens artikel 14, § 1, 6° door de Koning vastgestelde verplichtingen van de borgen;
5° de krachtens artikel 22, § 1, 6° door de Koning vastgestelde verplichting de vervoersvergunningen terug te geven die het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing tot intrekking;
6° de krachtens artikel 22, § 1, 7° door de Koning vastgestelde voorschriften inzake de geldigheid van de vervoervergunningen;
7° de krachtens artikel 22, § 1, 8° en 9° door de Koning vastgestelde verplichtingen inzake de betaling van de retributies;
8° de eventueel krachtens artikel 22, § 1, 12° door de Koning vastgestelde verplichting tot het verstrekken van statistische gegevens;
9° de door artikel 23 vastgestelde verplichting een vrachtbrief op te maken, alsook de daarmee gepaard gaande verplichtingen vastgesteld door de Koning krachtens artikel 24;
10° de toegang van de in artikel 25 bedoelde ambtenaren tot de voertuigen en het onroerend goed, overeenkomstig artikel 26, § 1;
11° het bijhouden en het overleggen aan de in artikel 25 bedoelde ambtenaren van welbepaalde informatie en documenten, alsook de oproeping door deze ambtenaren, overeenkomstig [ artikel 26, § 2, 3 en 4 ] (gewijzigd Wet 24-03-2003 BS. 08-4-2003) en artikel 28.
Art. 37. (vervangen Wet 24-03-2003 BS. 08-4-2003)
§ 1. Worden, overeenkomstig de in artikel 35, §§ 1 en 2 bedoelde strafbepalingen gestraft :
1° volgens het geval, de opdrachtgever, de vervoercommissionair of de commissionair-expediteur indien zij, op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst voor het vervoer van zaken waarop deze wet en haar uitvoeringsbesluiten van toepassing zijn, hebben nagelaten, zelfs door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, zich ervan te vergewissen dat de kopie van de vervoervergunning voor het gebruikte motorvoertuig werd afgegeven;
2° de verlader indien hij, vóór de uitvoering van een vervoer van zaken waarop deze wet en haar uitvoeringsbesluiten van toepassing zijn, heeft nagelaten, zelfs door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, zich ervan te vergewissen dat de vereiste vrachtbrief werd opgemaakt.
§ 2. De opdrachtgever, de verlader, de vervoercommissionair of de commissionair-expediteur worden, overeenkomstig de in artikel 35, §§ 1 en 2, bedoelde strafbepalingen, gestraft indien zij instructies hebben gegeven of daden hebben gesteld die hebben geleid tot :
1° overschrijding van de toegelaten massa's en afmetingen van de voertuigen;
2° de niet-naleving van de voorschriften betreffende de veiligheid van de lading van de voertuigen;
3° de niet-naleving van de voorschriften betreffende de rij- en rusttijden van de bestuurders van voertuigen;
4° de overschrijding van de toegestane maximumsnelheid van de voertuigen.
5° De niet-naleving van de beperkingen inzake cabotage over de weg. 5° Toegevoegd KB 10 aug 2009
§ 3. De houder van het getuigschrift of bewijs van vakbekwaamheid die, zelfs door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, de in artikel 3, 1° en 2° bedoelde werkzaamheden van de onderneming niet daadwerkelijk en permanent heeft geleid overeenkomstig de bepalingen van artikel 10, wordt gestraft overeenkomstig de in artikel 35 §§1 en 2, bedoelde strafbepalingen.
§ 4. De vervoerder, de opdrachtgever of de vervoercommissionair worden, overeenkomstig de in artikel 35, §§ 1 en 2 , bedoelde strafbepalingen, gestraft indien zij een vervoer hebben aangeboden, verricht of laten verrichten, tegen een ongeoorloofd lage prijs.
Onder « ongeoorloofd lage prijs » dient te worden verstaan een prijs die onvoldoende is om tegelijkertijd te dekken :
![]()
This site is created by
Stefaan Van Hoeck
![]()