Commentaar

Artikel 1 geeft de definities die noodzakelijk zijn voor een juiste interpretatie van het koninklijk besluit. Andere, dikwijls meer fundamentele begrippen, worden gedefinieerd in artikel 2 van de wet van 3 mei 1999; zij worden hier niet meer hernomen.

Art. 2 somt 10 soorten van vervoer op waarop de wet van 3 mei 1999 en haar uitvoeringsbesluiten niet van toepassing is.

Het gaat hier hoofdzakelijk om transporten die de concurrentie weinig kunnen verstoren omdat zij een geringe economische weerslag hebben (in de zin van de richtlijn 96/26/EG van 29 april 1996 inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederenvervoer over de weg), wegens de geringe tonnage van de voertuigen, de aard van de vervoerde zaken of de korte afstand die wordt afgelegd.

Dit is het geval voor bepaalde nationale transporten zoals, bijvoorbeeld, transport van strooizout, vervoer van waarden, lijkenvervoer, enz.

Het betreft eveneens het nationaal en internationaal vervoer dat is vrijgesteld van elke vervoervergunning krachtens de eerste richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1962 betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke regels voor bepaalde soorten goederenvervoer over de weg; dit is met name het geval voor het vervoer van post in het kader van een openbare dienst.

Art. 3. De uitzonderingen die in art. 2 worden vermeld, zijn niet van toepassing op de vrachtbrieven in het internationaal vervoer. Het gebruik van deze documenten wordt immers voorgeschreven door hoofdstuk III van het "Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg", beter gekend onder de afkorting "CMR", dat door België werd geratificeerd.

Het CMR is niet van toepassing op het postvervoer noch op het lijkenvervoer. Het is evenmin van toepassing op verhuizingen, maar het onderhavige ontwerp voorziet daarvoor in een specifieke vrachtbrief.