|
|
|
|
| Betrouwbaarheid getuigschrift = getuigschrift van goed zedelijk gedrag, uittreksel strafregister of gelijkwaardig document | Art 4 |
| Bewijs van vakbekwaamheid | Art 5 |
| Model getuigschrift van vakbekwaamheid | Art 6 |
| Afgifte getuigschrift van vakbekwaamheid na examens | Art 7-11 |
| Bewijs dat iemand daadwerkelijke een onderneming leidt | Art 12 |
| Persoon met getuigschrift overlijdt, verlaat de firma of is niet meer in staat - wat te doen | Art 13 |
Art 4
§ 1. De bij artikel 8 van de wet (= de wet van 3 mei 1999) bepaalde betrouwbaarheid wordt aangetoond met een getuigschrift van goed zedelijk gedrag bestemd voor een openbaar bestuur.
Indien het in het eerste lid bedoelde document niet wordt afgegeven door het land van oorsprong van de betrokkene of door de landen waar hij zijn woonplaats had, kan de betrouwbaarheid worden aangetoond met een uittreksel uit het strafregister, of, bij ontstentenis daarvan, met een gelijkwaardig document, afgegeven door het land van oorsprong van de betrokkene en, in voorkomend geval, door de landen waar hij zijn woonplaats had.
§ 2. Bij ontstentenis van de in § 1 bedoelde documenten, of indien deze geen of onvoldoende gegevens bevatten om te kunnen uitmaken of aan de voorwaarde van betrouwbaarheid wordt voldaan, moeten deze documenten vervangen of aangevuld worden door een verklaring van een bevoegde administratieve of rechterlijke instantie, die betrekking heeft op de aspecten van de voorwaarde van betrouwbaarheid waaromtrent de in § 1 bedoelde documenten geen uitsluitsel geven.
§ 3. Bij ontstentenis van de voornoemde documenten, of indien deze documenten nog onvoldoende gegevens bevatten om te kunnen uitmaken of aan alle aspecten van de voorwaarde van betrouwbaarheid wordt voldaan, worden zij vervangen of aangevuld door een verklaring van een bevoegde administratieve of rechterlijke instantie of, bij ontstentenis daarvan, van een notaris van het land van oorsprong van de betrokkene en, in voorkomend geval, van de landen waar hij zijn woonplaats had en waarin wordt bevestigd dat de betrokkene plechtig en onder ede heeft verklaard dat hij geen van de in artikel 8 van de wet bedoelde veroordelingen of verboden heeft opgelopen.
§ 4. De in §§ 1, 2 en 3 bedoelde documenten moeten minder dan drie maanden vóór hun overlegging zijn afgegeven.
§ 5. De onderneming moet ten minste om de vijf jaar het bewijs leveren dat zij nog voldoet aan de voorwaarde van betrouwbaarheid.
Daarenboven moet de onderneming dit bewijs leveren telkens de Minister of zijn gemachtigde erom verzoekt.
Om het in het tweede lid bedoelde bewijs te leveren, beschikt de onderneming over een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de datum van verzending van de vraag die de Minister of zijn gemachtigde aan haar gericht heeft.
§ 6. De in artikel 8, § 5, 2°, tweede lid van de wet bedoelde deler wordt vastgesteld op 60.
Art 5
1° ofwel met een getuigschrift van vakbekwaamheid voor nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg, afgegeven overeenkomstig de bepalingen van artikel 11, § 1 van de wet;
2° ofwel met een getuigschrift van vakbekwaamheid voor nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg, afgegeven bij toepassing van het koninklijk besluit van 18 maart 1991 tot vaststelling van de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg;
3° ofwel met een getuigschrift van vakbekwaamheid voor nationaal goederenvervoer over de weg, afgegeven bij toepassing van het koninklijk besluit van 5 september 1978 tot vaststelling van de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg;
4° ofwel met een getuigschrift van vakbekwaamheid voor internationaal goederenvervoer over de weg, afgegeven bij toepassing van het in 3° van dit artikel bedoelde koninklijk besluit van 5 september 1978;
5° ofwel met een getuigschrift van vakbekwaamheid voor internationaal vervoer, afgegeven bij toepassing van het ministerieel besluit van 7 maart 1967 houdende bepaling van de inzake vakbekwaamheid gestelde eisen voor de afgifte van een algemene vergunning voor internationaal vervoer en tot wijziging van het ministerieel besluit van 23 september 1960 genomen ter uitvoering van het koninklijk besluit van 22 september 1960, houdende algemeen reglement betreffende het vervoer van zaken met motorvoertuigen tegen vergoeding;
6° ofwel met een getuigschrift van vakbekwaamheid dat destijds geldig was voor het internationaal vervoer uitsluitend tussen België en Nederland en omgekeerd, afgegeven overeenkomstig de bepalingen van artikel 26 bis van het in 5° van dit artikel bedoelde ministerieel besluit van 7 maart 1967;
7° ofwel met een bewijs van vakbekwaamheid afgegeven door de hiertoe door elke andere lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte aangewezen overheid of instantie en waaruit blijkt dat :
§ 2. Indien het in § 1, 7° bedoelde bewijs van vakbekwaamheid werd afgegeven op basis van een praktijkervaring van ten minste vijf jaar op directieniveau in een vervoeronderneming, is het slechts ontvankelijk wanneer de ingeroepen ervaring werd verworven in een vervoeronderneming gevestigd in de Staat die het bewijs heeft afgegeven.
Art. 7.
De lijst van de onderwerpen voor de cursussen en de examens, bedoeld in artikel 11, § 1 van de wet wordt vastgesteld in bijlage 2.
Art. 8.
De erkenning van de instellingen belast met het organiseren van de in artikel 11, § 1, 1° van de wet bedoelde cursussen zal plaatsvinden op de door Ons bepaalde datum.
Art. 9.
De Minister bepaalt de wijze waarop de cursussen bedoeld in artikel 11, § 1, 1° van de wet worden georganiseerd en in het bijzonder de voorwaarden om aan deze cursussen deel te nemen.
Art. 10.
§ 1. Het examen bedoeld in artikel 11, § 1, 2° van de wet bestaat uit :
§ 2. De schriftelijke proef bestaat uit twee gedeelten, namelijk :
Elk gedeelte duurt ten minste twee uur.
§ 3. Alleen de geslaagden voor de schriftelijke proef mogen deelnemen aan de mondelinge proef.
§ 4. Zowel voor elk van beide gedeelten van de schriftelijke proef als voor de mondelinge proef, mag de weging van de punten niet lager zijn dan 25 % en niet hoger zijn dan 40 % van het totaal aantal toe te kennen punten.
§ 5. Om te slagen voor het examen moeten de kandidaten minstens 50 % van de punten behalen voor elk onderwerp of groep van onderwerpen waarop de ondervraging betrekking had en een gemiddelde van minstens 60 % van de punten voor het geheel van het examen.
Evenwel kan de examencommissie lagere cijfers aanvaarden voorzover de kandidaat minstens 50 % van de punten heeft behaald voor de beide gedeelten van de schriftelijke proef, alsook voor de mondelinge proef.
Art. 11.
§ 1.
De vergoedingen voor de prestaties geleverd door de voorzitter, de secretaris en de leden van de examencommissie, evenals de vergoeding voor de kosten veroorzaakt wegens het vervullen van hun opdracht, vallen ten laste van het erkende organisme; ze worden vastgesteld als volgt :
Voor de vergoeding van de kosten veroorzaakt wegens het vervullen van hun opdracht, worden de voorzitter, de secretaris en de leden van de examencommissie gelijkgesteld met de ambtenaren van rang 13.
De in het eerste en het tweede lid bedoelde bedragen worden op 1 september van elk jaar aangepast aan de evolutie van het gezond-heidsindexcijfer overeenkomstig de volgende formule : basisvergoeding vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het aanvangsindexcijfer.
Voor de toepassing van het derde lid wordt onder «nieuw indexcijfer» verstaan, het gezondheidsindexcijfer van de maand die aan de aanpassing van de vergoeding voorafgaat en onder «aanvangsindex-cijfer», het gezondheidsindexcijfer van de maand september 2002.
§ 2.
De Minister bepaalt de andere modaliteiten van de organisatie van de examens bedoeld in artikel 11, § 1, 2° van de wet en in het bijzonder :
Art. 12.
§ 1. Om te kunnen aannemen dat een persoon permanent en daadwerkelijk een onderneming leidt waarin hij zijn getuigschrift of zijn bewijs van vakbekwaamheid doet gelden, moet hij kunnen bewijzen:
§ 2. De persoon die zijn getuigschrift of zijn bewijs van vakbekwaamheid doet gelden voor de onderneming en die niet voldoet aan de bepalingen van § 1, moet kunnen bewijzen :
§ 3. De onderneming moet om de vijf jaar het bewijs leveren dat zij nog voldoet aan de voorwaarde van vakbekwaamheid.
Daarenboven moet de onderneming dit bewijs leveren telkens de Minister of zijn gemachtigde erom verzoekt.
Om het in het tweede lid bedoelde bewijs te leveren, beschikt de onderneming over een termijn van een maand, te rekenen vanaf de verzendingsdatum van de vraag door de Minister of zijn gemachtigde.
Art. 13.
§ 1. Wanneer een van de personen aangewezen om de vervoerwerkzaamheden van de onderneming te leiden, overlijdt, lichamelijk of wettelijk onbekwaam wordt om zijn functie uit te oefenen of de onderneming verlaat in andere omstandigheden, moet de onderneming deze gebeurtenis binnen de maand aan de Minister of aan zijn gemachtigde melden.
§ 2. In geval van overlijden of lichamelijke of wettelijke onbekwaamheid van de houder van het getuigschrift van vakbekwaamheid, beschikt de onderneming over een termijn van één jaar vanaf deze gebeurtenis om in de aanstelling van een plaatsvervanger te voorzien.
De onderneming kan niet genieten van de in het eerste lid bedoelde termijn indien de bovenbedoelde gebeurtenis plaatsvindt vooraleer haar een eerste vervoervergunning werd afgegeven.
De Minister of zijn gemachtigde kan toestaan dat een persoon van minimum vijftig jaar oud die geen houder is van een getuigschrift of van een bewijs van vakbekwaamheid, maar die over een praktische ervaring beschikt van ten minste vijf jaar in het dagelijks bestuur van de onderneming waarin zich, sedert maximum een jaar, een van de gebeurtenissen als bedoeld in het eerste lid heeft voorgedaan, de leiding van de vervoerwerkzaamheden voortzet van de persoon die is overleden of onbekwaam is geworden.
§ 3. Wanneer de houder van een getuigschrift of van een bewijs van vakbekwaamheid de onderneming verlaat in andere omstandigheden dan deze bedoeld in § 2, eerste lid, bepaalt de Minister of zijn gemachtigde een termijn van maximum zes maanden vanaf deze gebeurtenis om in de aanwerving van een plaatsvervanger te voorzien.
De onderneming kan niet genieten van de in het eerste lid bedoelde termijn indien de bovenbedoelde gebeurtenis plaatsvindt vooraleer haar een eerste vervoervergunning werd afgegeven.