Zakenvervoer

07 MEI 2002. - K.B. betreffende het vervoer van zaken over de weg.

TITEL II. - Ondernemingen gevestigd in België

Toegang tot het beroep en uitoefening van het beroep.

Betrouwbaarheid getuigschrift = getuigschrift van goed zedelijk gedrag, uittreksel strafregister of gelijkwaardig document Art 4
Bewijs van vakbekwaamheid Art 5
Model getuigschrift van vakbekwaamheid Art 6
Afgifte getuigschrift van vakbekwaamheid na examens Art 7-11
Bewijs dat iemand daadwerkelijke een onderneming leidt Art 12
Persoon met getuigschrift overlijdt, verlaat de firma of is niet meer in staat - wat te doen Art 13

HOOFDSTUK I
Betrouwbaarheid

Art 4

HOOFDSTUK II
Vakbekwaamheid

Afdeling 1 - Bewijs

Art 5

§ 1. De vakbekwaamheid wordt aangetoond :

§ 2. Indien het in § 1, 7° bedoelde bewijs van vakbekwaamheid werd afgegeven op basis van een praktijkervaring van ten minste vijf jaar op directieniveau in een vervoeronderneming, is het slechts ontvankelijk wanneer de ingeroepen ervaring werd verworven in een vervoeronderneming gevestigd in de Staat die het bewijs heeft afgegeven.

Commentaar

Art. 6.

Het model van het in artikel 5, § 1, 1° bedoelde getuigschrift van vakbekwaamheid wordt bepaald in bijlage 1.

Afdeling II - Afgifte van het getuigschrift van vakbekwaamheid

Art. 7.

De lijst van de onderwerpen voor de cursussen en de examens, bedoeld in artikel 11, § 1 van de wet wordt vastgesteld in bijlage 2.

Art. 8.

De erkenning van de instellingen belast met het organiseren van de in artikel 11, § 1, 1° van de wet bedoelde cursussen zal plaatsvinden op de door Ons bepaalde datum.

Art. 9.

De Minister bepaalt de wijze waarop de cursussen bedoeld in artikel 11, § 1, 1° van de wet worden georganiseerd en in het bijzonder de voorwaarden om aan deze cursussen deel te nemen.

Art. 10.

§ 1. Het examen bedoeld in artikel 11, § 1, 2° van de wet bestaat uit :

    1. een schriftelijke proef die betrekking heeft op een gedeelte van de onderwerpen bedoeld in artikel 7;
    2. een mondelinge proef die betrekking heeft op bepaalde onderwerpen, uitgeloot onder die waarover geen schriftelijke proef werd afgelegd.

§ 2. De schriftelijke proef bestaat uit twee gedeelten, namelijk :

    1. vragen over de theorie in de vorm van hetzij meerkeuzevragen, hetzij open vragen, hetzij een combinatie van de twee systemen;
    2. oefeningen betreffende casestudies.

§ 3. Alleen de geslaagden voor de schriftelijke proef mogen deelnemen aan de mondelinge proef.

§ 4. Zowel voor elk van beide gedeelten van de schriftelijke proef als voor de mondelinge proef, mag de weging van de punten niet lager zijn dan 25 % en niet hoger zijn dan 40 % van het totaal aantal toe te kennen punten.

§ 5. Om te slagen voor het examen moeten de kandidaten minstens 50 % van de punten behalen voor elk onderwerp of groep van onderwerpen waarop de ondervraging betrekking had en een gemiddelde van minstens 60 % van de punten voor het geheel van het examen.
Evenwel kan de examencommissie lagere cijfers aanvaarden voorzover de kandidaat minstens 50 % van de punten heeft behaald voor de beide gedeelten van de schriftelijke proef, alsook voor de mondelinge proef.

Art. 11.

§ 1.

    1. verbetering van de schriftelijke proef : 2 euro per examencahier;
    2. ondervraging bij de mondelinge proef : 33 euro per uur, ’s zaterdags en 45 euro per uur, ’s zondags;
    3. deelneming aan de deliberatie van de examencommissie : 20 euro per uur;
    4. vergoeding van de voorzitter van de examencommissie : 128 euro per examenzitting;
    5. vergoeding van de secretaris van de examencommissie : 199 euro per examenzitting en 1,50 euro per deelnemer aan de schriftelijke proef van het examen, met een maximumbedrag van 767 euro.

§ 2.

    1. de samenstelling, de bevoegdheden en de werking van de examencommissie;
    2. de lijst van de onderwerpen die het voorwerp uitmaken van de schriftelijke proef en de weging van de punten zowel voor de beide gedeelten van de schriftelijke proef als voor de mondelinge proef;
    3. de frequentie van de examenzittingen;
    4. de wijze waarop het examen wordt voorbereid en de voorwaarden tot deelneming aan dit examen;
    5. de tuchtregeling op het examen;
    6. de regels betreffende de verbetering van de proeven en de toekenning van de beoordelingscijfers;
    7. de regels betreffende de mededeling van de examenresultaten.

Afdeling III - Aanwending van het getuigschrift van vakbekwaamheid

Art. 12.

§ 1. Om te kunnen aannemen dat een persoon permanent en daadwerkelijk een onderneming leidt waarin hij zijn getuigschrift of zijn bewijs van vakbekwaamheid doet gelden, moet hij kunnen bewijzen:

  1. hetzij dat hij zelf het beroep van ondernemer van vervoer van zaken over de weg als natuurlijke persoon uitoefent;
  2. hetzij dat hij het mandaat van zaakvoerder of van afgevaardigd bestuurder bekleedt en uitoefent;
  3. hetzij dat hij met de onderneming een arbeidsovereenkomst heeft gesloten die onder meer toelaat vast te stellen dat deze persoon de beleidsdaden stelt zoals bedoeld in § 2, 2° en 3°; deze overeenkomst moet gesloten worden voor voltijdse of deeltijdse arbeidsprestaties, voorzover de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur ten minste gelijk is aan vijftig percent van de prestaties van de werknemers met volledige dagtaak van die categorie in de betrokken bedrijfstak of in de onderneming.

§ 2. De persoon die zijn getuigschrift of zijn bewijs van vakbekwaamheid doet gelden voor de onderneming en die niet voldoet aan de bepalingen van § 1, moet kunnen bewijzen :

  1. dat hij volmacht heeft op de bankrekening of op een ermee gelijkgestelde rekening van de onderneming en dat hij die volmacht uitoefent;

  2. dat hij regelmatig ingrijpt in de volgende werkzaamheden :
    1. het aanschaffen van de voertuigen;
    2. het sluiten van de overeenkomsten met de opdrachtgevers en de onderaannemers;
    3. het sluiten van de verzekeringsovereenkomsten;
    4. het ondertekenen van de dagelijkse briefwisseling;
    5. de operationele leiding, zijnde de ritplanning en de ritbewaking;

  3. dat hij regelmatig ingrijpt in ten minste twee van de volgende werkzaamheden :

§ 3. De onderneming moet om de vijf jaar het bewijs leveren dat zij nog voldoet aan de voorwaarde van vakbekwaamheid.

Daarenboven moet de onderneming dit bewijs leveren telkens de Minister of zijn gemachtigde erom verzoekt.

Om het in het tweede lid bedoelde bewijs te leveren, beschikt de onderneming over een termijn van een maand, te rekenen vanaf de verzendingsdatum van de vraag door de Minister of zijn gemachtigde.

Art. 13.

§ 1. Wanneer een van de personen aangewezen om de vervoerwerkzaamheden van de onderneming te leiden, overlijdt, lichamelijk of wettelijk onbekwaam wordt om zijn functie uit te oefenen of de onderneming verlaat in andere omstandigheden, moet de onderneming deze gebeurtenis binnen de maand aan de Minister of aan zijn gemachtigde melden.

§ 2. In geval van overlijden of lichamelijke of wettelijke onbekwaamheid van de houder van het getuigschrift van vakbekwaamheid, beschikt de onderneming over een termijn van één jaar vanaf deze gebeurtenis om in de aanstelling van een plaatsvervanger te voorzien.

De onderneming kan niet genieten van de in het eerste lid bedoelde termijn indien de bovenbedoelde gebeurtenis plaatsvindt vooraleer haar een eerste vervoervergunning werd afgegeven.

De Minister of zijn gemachtigde kan toestaan dat een persoon van minimum vijftig jaar oud die geen houder is van een getuigschrift of van een bewijs van vakbekwaamheid, maar die over een praktische ervaring beschikt van ten minste vijf jaar in het dagelijks bestuur van de onderneming waarin zich, sedert maximum een jaar, een van de gebeurtenissen als bedoeld in het eerste lid heeft voorgedaan, de leiding van de vervoerwerkzaamheden voortzet van de persoon die is overleden of onbekwaam is geworden.

§ 3. Wanneer de houder van een getuigschrift of van een bewijs van vakbekwaamheid de onderneming verlaat in andere omstandigheden dan deze bedoeld in § 2, eerste lid, bepaalt de Minister of zijn gemachtigde een termijn van maximum zes maanden vanaf deze gebeurtenis om in de aanwerving van een plaatsvervanger te voorzien.

De onderneming kan niet genieten van de in het eerste lid bedoelde termijn indien de bovenbedoelde gebeurtenis plaatsvindt vooraleer haar een eerste vervoervergunning werd afgegeven.