Zakenvervoer

07 MEI 2002. - K.B. betreffende het vervoer van zaken over de weg.

TITEL II. - Ondernemingen gevestigd in België

Toegang tot het beroep en uitoefening van het beroep.

kosten hoofdelijke borgtocht + kopie Art 14
Bewijs van financiële draagkracht Art 15
Aanwending v/d borgtocht Art 17
Wie kan aanspraak maken op borgtocht Art 18
Volledige of gedeeltelijke afneming op de borgtocht Art 19-20
HOOFDSTUK III
Financiële draagkracht

Afdeling 1. - Principe

Art 14

Afdeling 2. - Bewijs

Art 15

    1. een kredietinstelling naar Belgisch recht, erkend overeenkomstig titel II van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, of een bijkantoor van een kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een andere Lid-Staat van de Europese Unie, geregistreerd overeenkomstig artikel 65 van de voornoemde wet van 22 maart 1993, of een niet in België gevestigde kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een andere Lid-Staat van de Europese Unie en in België haar werkzaamheid verricht in het kader van het vrij verrichten van diensten, overeenkomstig artikel 66 van de voornoemde wet van 22 maart 1993;
    2. een verzekeringsonderneming, erkend overeenkomstig de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen;
    3. een vennootschap van gezamenlijke borgstelling, aangenomen door de Minister van Financiën voor de borgtochten van ondernemers, vergunninghouders en aannemers van werken van algemeen nut.

Art. 16.

Afdeling 3. - Aanwending van de borgtocht

Art. 17.

§ 1. De borgtocht bedoeld in artikel 14 dient in zijn geheel om de schulden van de onderneming te waarborgen voorzover zij opeisbaar werden tijdens de periodes bedoeld in §2 en voorzover zij voortvloeien uit :

  1. de levering aan de onderneming van de volgende materiële goederen en diensten, voorzover zij dienen voor de uitvoering van de in artikel 3, 1° en 2° van de wet bedoelde werkzaamheden:
    1. de banden alsook de andere onderdelen en de verplichte toebehoren van de voertuigen;
    2. de herstelling en het onderhoud van deze voertuigen;
    3. de prestaties van het rijdend personeel;
  2. de vervoerovereenkomsten, zowel de hoofdovereenkomsten als de overeenkomsten van onderaanneming, gesloten door de onderneming;
  3. de niet-betaling van de retributies en zegelrechten door de onderneming verschuldigd krachtens artikel 33.

§ 2. Op de borgtocht kan slechts aanspraak worden gemaakt voorzover de schulden opeisbaar werden in de periode van 365 dagen die aan de datum van aanspraak op de borgtocht voorafgaat.

Indien een schuldeiser tegen de onderneming een rechtsvordering instelt en de hoofdelijke borg daarvan in kennis stelt, bij ter post aangetekende zending van een kopie van de akte van rechtsingang, is de in het eerste lid bedoelde periode van 365 dagen, die welke voorafgaat aan de datum van die aangetekende zending.

Indien, in geval van faillissement van de onderneming, een schuldeiser een aangifte van schuldvordering indient, en de hoofdelijke borg daarvan in kennis stelt bij ter post aangetekende brief, is de in het eerste lid bedoelde periode van 365 dagen die welke voorafgaat aan de datum van die aangetekende brief.

Op de borgtocht kan evenwel nooit aanspraak worden gemaakt voor schulden :

  1. die reeds opeisbaar waren vóór de datum waarop het in artikel 16 bedoelde bewijs werd opgesteld;
  2. die ontstaan zijn na het faillissement van de onderneming, behalve als de rechtbank van koophandel toestemming heeft gegeven voor de voorlopige voortzetting van de handelswerkzaamheden van de gefailleerde.

Commentaar

Art. 18.

§ 1. Op de borgtocht kan alleen aanspraak worden gemaakt door de houders van schuldvorderingen bedoeld in artikel 17, door overlegging, bij ter post aangetekende brief gericht aan de hoofdelijke borg bedoeld in artikel 15 :

  1. ofwel van een ten laste van deze onderneming in Belgie¨ genomen, zelfs niet-uitvoerbare, rechterlijke beslissing;
  2. ofwel, in geval van faillissement van de onderneming, van het bewijs van aanvaarding van de schuldvordering in het passief van dit faillissement door de curator of de rechtbank van koophandel.

§ 2. Behalve in geval van faillissement, zullen de aanspraken op de borgtocht worden afgehandeld volgens de datum van afgifte van de aangetekende zending gericht aan de hoofdelijke borg; de postdatum geldt hierbij als bewijs.

Indien verscheidene aanspraken op dezelfde datum op de post werden afgegeven en het bedrag van de borgtocht onvoldoende is, zal tot een evenredige verdeling tussen de betrokken schuldeisers worden overgegaan.

De hoofdelijke borg die een aanspraak op de borgtocht niet betwist, moet de schuldeiser betalen binnen de zestig dagen na ontvangst van deze aanspraak.

§ 3. In geval van faillissement, zal tot een evenredige verdeling worden overgegaan tussen de schuldeisers die, binnen de maand na de datum waarop de schuldvorderingen in het passief van het faillissement werden aanvaard, aanspraak hebben gemaakt op de borgtocht overeenkomstig § 1, 2°.

Nochtans zal voorrang worden gegeven aan de schuldeisers die aanspraak zullen hebben gemaakt op de borgtocht overeenkomstig § 1, 1°, uiterlijk bij het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn.

De hoofdelijke borg die een aanspraak op de borgtocht niet betwist, moet de schuldeiser betalen binnen de zestig dagen na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn.

Art. 19.

§ 1. In geval van volledige of gedeeltelijke afneming op de borgtocht :

  1. geeft de hoofdelijke borg, bij ter post aangetekende brief, onverwijld kennis aan de Minister of zijn gemachtigde van het bedrag van de verrichte afneming, alsook van de naam en het adres van de betrokken schuldeiser;
  2. deelt de hoofdelijke borg onverwijld de verrichte afneming mee aan alle schuldeisers die zich schriftelijk tot hem hebben gewend;
  3. zendt de Minister of zijn gemachtigde een kopie van de in 1° bedoelde kennisgeving naar de betrokken schuldeiser;
  4. deelt de Minister of zijn gemachtigde de afneming mee aan de onderneming, bij ter post aangetekende brief;
  5. is de onderneming verplicht de borgtocht te herstellen of aan te vullen binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de in 4° bedoelde mededeling.

§ 2. In geval de hoofdelijke borg, op eigen initiatief of op verzoek van de onderneming, beslist zich geheel of gedeeltelijk te ontdoen van zijn verplichtingen :

  1. geeft de hoofdelijke borg kennis van zijn beslissing aan de Minister of zijn gemachtigde;
  2. deelt de hoofdelijke borg onverwijld zijn beslissing mee aan alle schuldeisers die zich schriftelijk tot hem hebben gewend;
  3. deelt de Minister of zijn gemachtigde de beslissing van de hoofdelijke borg mee aan de onderneming;
  4. is de onderneming verplicht de borgtocht te herstellen of aan te vullen binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum van verzending van de in 3° bedoelde mededeling.

§ 3. In geval de hoofdelijke borg zou beslissen de verplichtingen over te nemen van een andere hoofdelijke borg die zich vooraf van zijn verplichtingen heeft ontdaan :

Art. 20.

§ 1. De hoofdelijke borg is, onverminderd het bepaalde in het tweede lid, bevrijd van zijn verplichtingen jegens de eventuele schuldeisers na het verstrijken van een termijn van negen maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de Minister of zijn gemachtigde van deze hoofdelijke borg de brief, houdende kennisgeving van zijn beslissing zich geheel of gedeeltelijk van zijn verplichtingen te ontdoen, heeft ontvangen.

Nochtans kan gedurende de laatste zes maanden van de in het eerste lid bedoelde termijn, slechts op de borgtocht aanspraak worden gemaakt indien de schuldvordering vóór het begin van deze laatste zes maanden is ontstaan.

§ 2. Indien vóór het verstrijken van de termijn van negen maanden bedoeld in § 1, een schuldeiser tegen de onderneming een rechtsvordering instelt en de hoofdelijke borg daarvan in kennis stelt, bij ter post aangetekende zending van een kopie van de akte van rechtsingang, wordt deze termijn ten voordele van deze schuldeiser opgeschort; deze termijn begint pas opnieuw te lopen de dag waarop de rechterlijke eindbeslissing in kracht van gewijsde is gegaan.

§ 3. Indien bij faillissement van de onderneming een schuldeiser een aangifte van schuldvordering indient en daarvan de hoofdelijke borg, vóór het verstrijken van de termijn van negen maanden bedoeld in § 1, in kennis stelt, bij ter post aangetekende zending van een kopie van zijn aangifte van schuldvordering, wordt deze termijn ten voordele van deze schuldeiser opgeschort; deze termijn begint pas opnieuw te lopen de dag van de aanvaarding of de afwijzing van de schuldvordering.

§ 4. In afwijking van §§ 1, 2 en 3, kan de borg die zich van zijn verplichtingen heeft ontdaan niet meer worden aangesproken vanaf de datum waarop, in voorkomend geval, de Minister of zijn gemachtigde een bewijs heeft ontvangen van een nieuwe hoofdelijke borg die verklaart de resterende verplichtingen van de vorige borg over te nemen.