|
Verkeerstekens en hun plaatsingsvoorwaarden.
|
Art. 14. Overlangse markeringen die de rijstroken aanduiden.
14.1. Inleidende bepalingen.
14.2. Doorlopende streep.
14.3. Onderbroken streep.
14.4. Naast elkaar getrokken doorlopende en onderbroken strepen.:
14.5. Overlangse markeringen die een rijstrook aanduiden die is voorbehouden aan voertuigen van geregelde openbare diensten voor gemeenschappelijk vervoer en aan voertuigen bestemd voor het ophalen van leerlingen.
14.6. Afbakening van de bijzondere overrijdbare bedding, voorbehouden aan de voertuigen van geregelde diensten voor gemeenschappelijk vervoer.
Art. 15. Overlangse voorlopige markeringen die de rijstroken aanduiden.
1° De doorlopende streep wordt als volgt aangegeven :
![]() |
|
2° De onderbroken streep wordt als volgt aangegeven :
![]() |
|
Art. 16. Overlangse markeringen die een fietspad aanduiden.
![]() |
1° Overlangse markeringen die een fietspad aanduiden moeten aangebracht worden op de kruispunten wanneer het fietspad deel uitmaakt van een openbare weg gesignaleerd door de verkeersborden B9 of B15 en een fietspad na het kruispunt verder loopt. Zij mogen onder dezelfde voorwaarden worden aangebracht wanneer het fietspad deel uitmaakt van een openbare weg gesignaleerd door de verkeersborden B1, B5 of B17.
2° De onderbroken streep bestaat uit trekken van ongeveer 0,15m breedte en van ongeveer 1,25m lengte, met tussenafstanden van ongeveer 1,25m. |
Art. 17. Overlangse markeringen die de rand van de rijbaan aanduiden.
17.1. Werkelijke rand.
![]() |
1° De witte doorlopende of gele onderbroken streep die ter hoogte van de rijbaan wordt aangebracht, is ongeveer 0,15 m breed; op de autosnelwegen is zij ongeveer 0,30 m breed. |
![]() |
2° De gele onderbroken streep bestaat uit trekken met een gelijke lengte tussen 0,50 m en 1,25 m. De tussenafstanden hebben dezelfde lengte. |
17.2. Denkbeeldige rand.
![]() |
De breedte van de witte doorlopende streep is ongeveer :
|
Art. 18. Dwarsmarkeringen.
18.1. Stopstreep.
![]() |
Deze streep is ongeveer 0,50 m breed.
Deze streep wordt aangebracht overeenkomstig plaat 3 van bijlage 4 tot dit besluit en enkel over die breedte van de rijbaan die normaal gebruikt wordt door de bestuurders die moeten stoppen. Wanneer deze streep wordt getrokken op een plaats waar een verkeersbord B5 staat, moet zij zodanig aangebracht worden dat de bestuurder die ervoor stopt, een zo ruim mogelijk zicht heeft op de weg waar de andere bestuurders voorrang hebben, zonder dat hij daarom geïmmobiliseerd wordt op een oversteekplaats voor voetgangers of op een fietspad. Indien evenwel op die plaats overlangse markeringen een fietspad aanduiden, moet zij aangebracht worden vóór deze overlangse markeringen en zo nodig voorbij deze markeringen herhaald worden rekening houdend met hetgeen in vorig lid bepaald is. Wanneer verkeerslichten zijn aangebracht boven de rijstroken conform artikel 61.4.2, van het algemeen verkeersreglement, dan wordt de stopstreep gemarkeerd op tenminste 5 meter voor de lichten. |
18.2. Streep gevormd door witte driehoeken.
![]() |
Deze streep wordt aangebracht op de plaatsen waar de bestuurders, indien nodig, moeten stoppen om voorrang te verlenen. Zij wordt enkel aangebracht over de breedte van de rijbaan die deze bestuurders normaal gebruiken.
Zij wordt gevormd door driehoeken waarvan de basissen naast elkaar gelegen zijn en waarvan de top gericht is naar de bestuurders die voorrang moeten verlenen. Deze driehoeken zijn ongeveer 0,70 m hoog en hebben een basis van ongeveer 0,50 m. Tussen de zwaartelijnen vanuit voornoemde top moet er een tussenafstand zijn van ongeveer 0,70 m, en deze tussenafstand wordt parallel met de basislijn gemeten overeenkomstig plaat 4 van bijlage 4 tot dit besluit. Die streep moet zodanig aangebracht worden dat de bestuurder die ervoor stopt, een zo ruim mogelijk zicht heeft op de weg waar de andere bestuurders voorrang hebben, zonder dat hij daarom geïmmobiliseerd wordt op een oversteekplaats voor voetgangers of op een fietspad. Indien evenwel op die plaats overlangse markeringen een fietspad aanduiden, moet zij aangebracht worden vóór deze overlangse markeringen en zo nodig voorbij deze markeringen herhaald worden rekening houdend met hetgeen in vorig lid bepaald is. |
18.3. Markeringen van oversteekplaatsen voor voetgangers.
![]() |
De breedte van de stroken en van hun tussenafstand is ongeveer 0,50 m overeenkomstig plaat 5 van bijlage 4 tot dit besluit.
Zij hebben een lengte van ten minste :
|
18.4. Markeringen van oversteekplaatsen voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen.
![]() |
De afstand tussen de twee onderbroken strepen is ten minste 1,00 m overeenkomstig plaat 6 van bijlage 4 tot dit besluit.
Deze tussenruimte kan evenwel teruggebracht worden tot ten minste 0,80 m indien het fietspad met éénrichtingsverkeer is. Deze onderbroken strepen worden gevormd door vierkanten of parallellogrammen met als zijde ongeveer 0,50 m en met een tussenafstand van ongeveer 0,50 m. De dwarsmarkering moet aangebracht worden wanneer fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen de rijbaan moeten oversteken op ongeveer 10 m of meer buiten het kruispunt. Zij mag niet aangebracht worden op het kruispunt zelf noch wanneer de fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen de rijbaan moeten oversteken op minder dan ongeveer 10 m buiten het kruispunt. De ondergeschiktheid aan het verkeer op de openbare weg die wordt overgestoken mag verduidelijkt worden door de verkeersborden B1 of B5. |
Art. 19. Andere markeringen.
19.1. Voorsorteringspijlen.
![]() |
1° De lengte van deze pijlen is ongeveer :
2° Telkens wanneer de plaatsgesteldheid het toelaat moeten vóór het kruispunt ten minste drie opeenvolgende voorsorteringspijlen worden aangebracht. De tussenafstand tussen de overeenstemmende punten bedraagt in beginsel ongeveer 20 m. De laatste pijl bevindt zich op ten hoogste 10 m van het kruis-punt. 3° Op het kruispunt mag de afstand tussen de opeenvolgende pijlen worden verminderd en aangepast aan de plaatsgesteldheid. Deze pijlen zijn ongeveer 5 m lang. |
19.2. Rijstrookverminderingspijlen.
![]() |
1° De naderingsmarkering bedoeld in artikel 14.3.2° van dit besluit mag aangevuld worden met rijstrookverminderingspijlen; het aantal ervan bedraagt ten minste vier. In dit geval worden ze aangebracht op de rijstroken die ophouden ten gevolge van een vermindering van het aantal stroken of die om een of andere reden niet meer mogen gevolgd worden. Op de rijbanen met twee rijstroken en verkeer in beide richtingen worden de rijstrookverminderingspijlen evenwel ongeveer in de as van de rijbaan aangebracht. 2° De rijstrookverminderingspijlen zijn ongeveer 5,00 m lang. De overeenstemmende punten van de opeenvolgende rijstrookverminderingspijlen bevinden zich op een afstand van ten minste 10 m van elkaar; ze worden aangebracht overeenkomstig plaat 9 van bijlage 4 tot dit besluit. |
19.3. Markeringen van verkeersgeleiders [en verdrijvingsvlakken] op de grond.
19.4. Markeringen van parkeerplaatsen.
19.5. Markeringen van opstelvakken voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen. (gewijzigd door het MB. van 18 dec 2002 - in werking op 1 jan 2003)
|
De lengte van het opstelvlak moet minimum 4 meter bedragen. Naast de rijstrook voor het autoverkeer wordt een toeleidend fietspad gemarkeerd van ongeveer 1.00 m breed, behalve wanneer de rijstrookbreedte daardoor minder dan 2,5 m zou bedragen Het toeleidend fietspad moet minimum 15 m lang zijn. |
19.6. Markeringen van voorsorteringsstroken voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen.
De voorsorteringsstrook moet minstens 1.00 m breed zijn.
De afmetingen van de pijlen en hun tussenafstand worden aangepast aan de plaatsgesteldheid.
Zij mogen slechts gebruikt worden om de plaats af te bakenen voorbehouden aan voertuigen voor geregelde diensten voor gemeenschappelijk vervoer op een bijzondere overrijdbare bedding of om eigen beddingen en bijzondere overrijdbare beddingen met elkaar te verbinden.
Zij mogen niet gebruikt worden wanneer de markeringen bepaald in artikel 14.6. aangebracht zijn.
|
|||||
|
|
|