Bijlage 1 - Eisen voor goedkeuring voor verlaging
van voertuigen van de categorie M1.

Inhoud:

1.   Opgelegde voorwaarden aan de ondernemingen die de verbouwingsonderdelen vervaardigen.

1.1.         Operationele voorwaarden bij het vervaardigen van de onderdelen.

1.2.         Professionele verantwoordelijkheid

2.   Goedkeuring van vervangingsonderdelen

2.1.   Toepassingsgebied

2.2.   Definities

2.3.   Goedkeuring van de onderdelen voor een ophangingsysteem met schroefveren

2.3.1.     Algemene vereisten

2.3.2.     Specifieke vereisten

2.3.3.     Keuringen

 


1. Opgelegde voorwaarden aan de ondernemingen die de verbouwingsonderdelen vervaardigen.

 

De onderneming die, zoals in dit document beschreven, verbouwingsonderdelen vervaardigt, voldoet aan volgende minima eisen:

 

1.1. Operationele voorwaarden bij het vervaardigen van de onderdelen.

 

-    mogelijkheid tot een fabricatie volgens de regels van de kunst

-    betrouwbaarheid

-    kwaliteitsbeheersysteem

 

De expert van het erkend labo is in ieder geval op de hoogte van de onderneming die de verbouwingsonderdelen vervaardigd heeft of vervaardigt.

 

1.2. Professionele verantwoordelijkheid

 

-    Product verantwoordelijkheid

-    Interne dienst voor productkwaliteitscontrole

-   Iedere wijziging van het product zelf of van een modificatie of aanpassing van het voertuig waarop de verbouwing of modificatie wordt toegepast, wordt aan de experten van het erkend labo gemeld.

 

2. Goedkeuring van vervangingsonderdelen

 

2.1. Toepassingsgebied

 

Dit document bespreekt de modaliteiten voor de goedkeuring van voertuigen van de klasse M1, waarvan het ophangingsysteem werd gewijzigd en/of van de uitrusting (veer-/dempersysteem) waarmee de wijziging wordt uitgevoerd teneinde een voertuigverlaging te bekomen.

Het betreft ook wijzigingen aan het veer-dempersysteem die geen invloed hebben op de hoogteligging van het voertuig.

 

2.2. Definities

 

Wijzigingen aan het voertuig die onder deze regelgeving vallen:

-    het plaatsen van andere veren,

-    aanpassen of wijzigen van de originele veren,

-    het plaatsen van tussenstukken, tussen de veer en haar steun,

-    gewijzigde aanslagen bij inveren,

-    vervangen of wijzigen van torsiestangen,

-    vervangen of wijzigen van de originele veerpoten en Mc-Phersons.

 

Andere definities

 

Veerweg / maat van de verlaging :

De veerweg wordt gedefinieerd als het verschil in verticale afstand, gemeten vanaf het midden van de wielnaaf tot een loodrecht horizontaal vlak door een vast punt van de carrosserie, wanneer het wiel en zijn ophanging vanuit het onbelast voertuig verticaal naar boven beweegt.

De maat van de verlaging is het verschil in gemiddelde waarde van de respectievelijk veerweg gemeten op de vooras en achteras van het serievoertuig en een verbouwd voertuig in onbelaste toestand.

 

Uitveerbegrenzer :

Onderdeel van de wielophanging dat de uitveerweg begrenst en die de overeenkomstige traagheidskrachten van de as-onderdelen opneemt.

 

Inveeraanslag :

Verend element dat dient om de inveerweg van de ophanging elastisch te begrenzen.

 

Ophangingskarakteristiek :

Diagram dat de resultaten van de metingen van de veerweg in mm weergeeft in functie van de aslast in kg.

 

Veerconstante :

Veerconstante in kg aslast per mm (veerweg), die uit de vering, de ophangingskarakteristiek en eventueel de inveeraanslag bepaald wordt als de tangens van de raaklijn aan een punt van de karakteristiek.

 

Bepaling van de veerconstante van de ophangingsveer

 

-   Het voertuig wordt gewogen.

-    Men vergewist zich ervan dat de resultaten niet vervalst worden door spanningen in de ophanging, vb. handrem lossen

-   Aanbrengen van de veerweg meetinrichting: vb. Door het horizontaal kleven van een meetstrook op het buitenspatbord en het kleven van een verticale afleeslat dat door het center van de wielnaaf loopt, zodat de meetstrook en afleeslat elkaar loodrecht kruisen.

-    Belasten van het voertuig in stappen van 50 kg en aflezen van de relatieve inveerweg. Bij het laden wordt erop gelet dat de belading symmetrisch gebeurt. De gewichten worden met de nodige voorzichtigheid in en uitgenomen zodanig dat er geen oscillaties in de ophanging voorkomen (vervalsing door hysteresis)

-    De belading bedraagt iets meer dan 1,4 maal de maximale asbelasting, daar de opname van de raaklijn aan het punt 1,4 van de grafiek maar mogelijk is als de kromme een continue verloop heeft. Ervaringen hebben uitgewezen dat waarden rond 1,5 maal de maximale asbelasting of twee stappen meer in de belasting (100 kg) geen problemen geven.

-    Opnemen van de grafiek van de ophangingveer op DIN-A4 millimeterpapier, waarbij men als maatstaf 100 kg = 20 mm om het verloop aanschouwelijk te kunnen voorstellen

-    Bepalen van de veerconstante door de tangens van de raaklijn aan het punt met abscis 1,4 maal de maximale asbelasting bepaling van de vergelijken met de grenswaarde.

 

Mogelijke fouten

De mogelijkheden van dit meetprincipe worden dan overschreden :

-    Wanneer men de belasting met te kleine stappen doorvoert.

-    (wrijvingskrachten in de demper zijn te groot)

-    Wanneer de veerweg bij te grote belastingstappen wordt opgemeten (te weinig punten op de grafiek om een goede kromme te kunnen realiseren)

-    Wanneer de veerconstante berekend wordt door een lineaire interpolatiemethode; men maakt beter gebruik van meer geigende methodes zoals de discrete-Gaussiaanse-kwadratische-fout methodes.

 

Veervoorspanning :

Veerkracht bij volledig ontlaste wielophanging.

 

Als normale werkingsvoorwaarden in de zin van deze regelgeving geldt volgende :

 

-    verschillende beladingstoestanden van het voertuig;

-   wegtesten op wegdekken in slechte staat;

-    het nemen van bochten onder grensvoorwaarden;

-    wegtesten bij maximale snelheid;

-    afremmen vanuit hoge snelheid.

 

2.3. Goedkeuring van de onderdelen voor een ophangingsysteem met schroefveren

 

2.3.1. Algemene eisen

 

Bij een voertuig waar de hoogte of waar het veer / dempersysteem gewijzigd is, mag er voor de volgende punten geen slechtere prestaties bekomen worden voor een serievoertuig, in het bijzonder met betrekking tot:

 

-      Bedrijfszekerheid en verkeersveiligheid,

-     Baanvastheid en wegligging,

-      Potentieel gevaar voor andere weggebruikers,

-      Eusama waarden

 

2.3.2. Specifieke eisen

 

1. De veren of veerpoten alsook de gewijzigde veersteunen of veerbevestigingen bieden een voldoende bedrijfszekerheid.

 

2. De inveeraanslag is voldoende soepel in een gebied tot 1,4 keer de maximaal toelaatbare wiellast.

 

3. Een voldoende uitveerweg (40-50 mm) is gegarandeerd bij een onbelast voertuig. Er wordt verondersteld dat een voldoende uitveerweg wordt bekomen, wanneer de uitveerbegrenzer bij normaal gebruik van het voertuig niet langer werkzaam is dan bij het serievoertuig. Dit wordt vastgesteld in het kader van rijproeven op de weg waarbij het serievoertuig als referentie genomen wordt.

 

4. Het veeroppervlak heeft in geen enkel geval achteraf uitwendige galvanische behandelingen ondergaan (b.v. het verchromen).

 

5. De vrije bewegingsruimte van de wielen, respectievelijk de banden en de ophangingselementen zijn voldoende, bij normale gebruiksomstandigheden.

 

6. In het gebied tussen de maximale aslast en 1,4 keer de maximale aslast, mag de veerconstante van de ophangingsveer bij personenwagens de volgende limietwaarde niet overschrijden :

 

limietwaarde veerconstante (kg/mm) = maximale aslast (kg)/40 mm

 

(Tolerantie : + 2 kg/mm)

 

Bij alle andere voertuigen van de categorie M1 is de limietwaarde :

 

veerconstante (kg/mm) = maximale aslast (kg)/37 mm

 

(Tolerantie : + 2 kg/mm)

 

Bij voertuigen waarbij, binnen het bereik, de serie-uitvoering een hogere veerconstante heeft, wordt deze als limietwaarde gebruikt.

 

2.3.3. Keuringen

 

1. Keuren van de veren

 

De spiraalveren worden verondersteld een voldoende bedrijfszekerheid te hebben wanneer bij ten minste 2 proefmonsters kan aangetoond worden dat na 500.000 lastvariaties met een oscillatiebreedte van 0,2 tot 0,9 maal de bloklast (belasting waarbij de windingen op mekaar liggen), er geen enkel scheurtje waarneembaar is.

 

Alternatief kan men de keuring uitvoeren met 2 x 10 6lastvariaties voor een oscillatiebreedte begrepen tussen 1,4 de veerkracht van de maximale wiellast als bovenste limiet en 0,25 de veerkracht als onderste limiet. Indien de voertuigconstructeur bijkomende waarden opgeeft voor een voldoende bedrijfszekerheid van de veren, kunnen deze als alternatief gebruikt worden.

 

De veerkarakteristiek wordt voor en na de test van voldoende bedrijfszekerheid opgemeten. De totale lengte van de ongespannen veer (L 0) is in dit geval niet meer dan 3 mm gewijzigd.

 

2. Opstellen van de veerkarakteristiek (ophangingskarakteristiek)

 

Deze karakteristiek is op het voertuig op te nemen.

(Merk op : bij regelbare veren wordt de veer in haar laagste positie opgemeten. De afmetingen en kenmerken van de veeraanslagen zijn opgenomen daar zij een invloed op de karakteristiek kunnen hebben. Dit geldt ook voor de voertuigen waarbij rubberen aanslagen met verschillende dikten voor de niveaucompensatie gebruikt worden. Voor de meetprocedure gelden de indicaties van nr. 2.2 (veerweg).

 

3. Berekening van de veersconstante

 

De veerconstante wordt berekend als zijnde de tangens van de raaklijn aan de veerkarakteristiek in het punt 1,4 keer de maximale aslast. Ze wordt vergeleken met de eisen volgens punt 6 van 2.3.2.

 

4. Keuring van de montage op het voertuig

 

Bij de keuring van de montage, heeft men vooral aandacht voor:

 

-      Veerstoelen en veerschotels:

-     De veer heeft over gans zijn veerweg voldoende geleiding.

 

-      Voorspanning:

-     Een voldoende voorspanning van de veer garandeert, in alle bedrijfsvoorwaarden, een goede steun op de veerschotel of veersteun.

 

-      Drukleidingen worden tegen mechanische beschadigingen en hitte afgeschermd.

 

-      Vrije ruimte ten opzichte van de ophangingselementen, het remsysteem en de stuurinrichting. Richtwaarde bedraagt minimum 4 mm.

 

5. Onderzoek van de graad van verlaging / wijziging van de voertuighoogte.

 

De maat van verlaging wordt vastgesteld volgens de definitie nr. 2.2.

Ze wordt als richtwaarde in het goedkeuringsprotocol ingeschreven.

 

Bij verstelbare veerschotels worden de verschillende waarden vermeld rekening houdend met de toegelaten instelmogelijkheden (max. en min. positie).

 

6. Berekening van de efficaciteit van de inveeraanslagen

 

De efficaciteit van de inveeraanslag wordt berekend aan de hand van de ophangingskarakteristiek. Het profiel van de kromming blijft constant wanneer de aanslag in werking treedt.

 

7. Nazicht van de bodemvrijheid bij een verhoogde inveerweg

 

Na de verlaging kan het voertuig in bedrijfsklare toestand met chauffeur een drempel met een breedte van 800 mm en een hoogte van 110 mm zonder aanraking overrijden. De eventuele aanraking van carrosserieonderdelen in elastische stof wordt hierbij niet in rekening gebracht.

 

8. Wielgeometrie

 

Bij omgebouwde voertuigen wordt een wielgeometriemeting uitgevoerd.

 

Bij omgebouwde voertuigen wordt bij de toelaatbare aslasten, de geometrie van alle wielen gemeten.

 

In geval dat de opgemeten wielgeometriewaarden afwijken van deze vermeld voor het serievoertuig, worden deze opgenomen in het goedkeuringsprotocol.

 

9. De wegliggingstest

 

De wegligging van het verbouwd voertuig is onder normale rijomstandigheden volgens nr. 2.2 te testen.

 

Volgende testen worden uitgevoerd :

 

a) Bochten:

-   Maximale snelheid in bochten en wegligging in het grensgebied.

-    Lastwisselreactie in het grensgebied.

-    Stuurreactie bij het overschrijden van hindernissen en bij grote oneffenheden langs n kant.

 

b) Rechtuit:

-    Overrijden van verhogingen.

-    Overrijden van putten.

-    Rechtuitloop bij maximumsnelheid.

-    Snelle baanwissel (lane changing) bij hoge snelheid.

-   Stuurimpuls en beoordeling van het veergedrag (uitrollen).

-    Reactie bij spoorvorming.

 

10. Voertuigtest in vergelijking met een serievoertuig

 

Wanneer de test volgens punt 9 van 2.3.3. niet positief gevalueerd wordt, kan de test herhaald worden op verzoek van de opdrachtgever waarbij de wegligging vergeleken wordt met deze van het serievoertuig.

 

11. Testen met betrekking tot wiel-bandcombinaties met gewijzigde afmetingen (volgens de beperkingen van het K.B. van maart 1968)

 

Veronderstelt men dat, wegens een wederzijdse benvloeding, bij een verbouwing van de ophanging - in de zin van dit document - sommige van de testresultaten functie kunnen zijn van de afmetingen van de band/wielmontages, dan is een test onder de "worst-case" voorwaarden noodzakelijk.

 

Dit is bijvoorbeeld het geval, wanneer een wijziging aan de inveerweg ten opzichte van het serievoertuig geconstateerd wordt (voorbeeld door gebruik van andere elastomeren, korte demperhuizen of de inbouw van bijkomende veerwegbegrenzers).

 

12. Test van het remgedrag

 

Bij voertuigen met een mechanisch gestuurd (veerweg) of met een drukafhankelijk gestuurd remventiel (ALR), wordt erop gelet worden dat dit ventiel volkomen bedrijfszeker blijft (de aanwijzigingen van de constructeur dienen gevolgd te worden).

 

De volle functionaliteit is enkel gewaarborgd wanneer de regeldiagrammen van het omgebouwd voertuig in alle belastingstoestanden vergelijkbaar zijn met de regeldiagrammen van het voertuig in serie (toleranties voor de afwijkingen: ca. 10% van de maximale stuurdruk).

 

Als alternatief kan een test volgende de Richtlijn 71/320/EEG het bewijs zijn dat de volle functionaliteit werd bewaard.

 

In het protocol wordt vermeld of het getest voertuig met een veerweg/drukafhankelijk remventiel was uitgerust en met welke instelwaarden (serie of nieuw) rekening werd gehouden.

 

Bij voertuigen met een ALR-regelventiel die in verbinding staat met een niveau regelsysteem, die een vrije instelling van het voertuigniveau toelaat, vergewist men zich dat het ALR-ventiel bij alle instellingen voor de rijtoestand en beladingstoestanden functioneel blijft.

 

Mogelijks kan men zich door specifieke technische maatregelen verzekeren dat het voertuig met toelaatbare ALR-regelfuncties kan rijden.

 

13. De hoogte volgens DIN 74058 van de eventueel aanwezige trekhaak wordt nagekeken (350 mm < h < 420 mm).

 

14. Installatie-instructies

 

De installatie-instructies worden bij elke onderdeel afgeleverd.

 

15. Borgingssysteem voor regelbare systemen

 

Indien de verlaging regelbaar uitgevoerd wordt, is een borgingssysteem aanwezig zodanig dat men niet lager kan gaan dan de goedgekeurde waarde (punt 7 van 3.3.3.).

 

16. Toegelaten hoogte van andere onderdelen

 

De toegelaten minimum- en maximumhoogten van andere toebehoren alsook verlichting worden nagezien (nummerplaat, stoplicht, achterlicht, ...).