Erkenningsvoorwaarden voor de controle-instellingen van de erkende werkplaatsen voor het installeren van snelheidsbegrenzers.
Deze bijlage bepaalt de voorwaarden waarop instellingen van de Minister die het Vervoer onder zijn bevoegdheid heeft, of zijn gemachtigde een erkenning kunnen krijgen om de controle te verrichten van de erkende installateurs van snelheidsbegrenzers.
1. Een instelling die de erkenning aanvraagt, bedoeld in punt 5.3.2. van artikel 77, 7° van het voornoemde koninklijk besluit van 15 maart 1968, dient bij de Minister die het Vervoer onder zijn bevoegdheid heeft, of zijn gemachtigde een aanvraag in, met inbegrip van :
2. Om de erkenning te verkrijgen moet de aanvrager :
3. De directeur van de erkende instelling en de met de opdrachten belaste personen mogen rechtstreeks noch onrechtstreeks belang hebben bij een vennootschap die bedrijvig is met de vervaardiging van of het in de handel brengen van snelheidsbegrenzers.
4. De erkenningsaanvraag wordt onderzocht, waarna de erkenning wordt verleend. Een weigering wordt, in voorkomend geval, gemotiveerd.
5. Het behoud van de erkenning van de instelling is onderworpen aan het jaarlijks indienen van een activiteitenverslag vóór 31 januari van het volgende jaar bij het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid. Dit verslag omvat onder meer de lijst van de gecontroleerde instellingen en een statistische presentatie van de resultaten van deze controles met vermelding van wat conform en niet conform de reglementering is.
6. De instellingen die de erkenning aanvragen, verbinden zich ertoe om een jaarlijkse controle te verrichten op de volgende punten :
7. De instelling die de erkenning aanvraagt, verbindt zich ertoe om na afloop van de controle, aan iedere gecontroleerde onderneming een rapport met de controleresultaten te overhandigen, evenals haar besluiten betreffende de conformiteit van de erkende werkplaats aan de geldende regels voor de installatie en de controle van snelheidsbegrenzers, met eventueel de nodige verbeteringen en correcties die zich opdringen. Een kopie van het controlerapport wordt systematisch overgemaakt aan het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid. Het model van het controlerapport wordt vooraf ter goedkeuring voorgelegd aan het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.
8. Wanneer de controle één of meer ernstige non-conformiteiten aan het licht brengt, stelt de erkende instelling het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid daarvan uitdrukkelijk in kennis.
9. De controles die niet overeenkomstig de bepalingen in deze bijlage zouden gebeuren, herhaalde kwaliteitsgebreken in de controles of de niet onmiddellijke kennisgeving van de in punt 8. bedoelde vaststellingen kunnen de intrekking van de erkenning van de instelling tot gevolg hebben.
Gezien om gevoegd te worden bij Ons besluit van 15 februari 2006 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.
KB 15-02-2006 - BELGISCH STAATSBLAD van 07.03.2006
|
|||||
|
|
|