Voorschriften voor inrichtingen voor indirect zicht
HOOFDSTUK III
VOORSCHRIFTEN VOOR DE MONTAGE VAN SPIEGELS EN ANDERE INRICHTINGEN VOOR INDIRECT ZICHT OP VOERTUIGEN.
ALGEMEEN
1.1. Spiegels en aanvullende systemen voor indirect zicht moeten zodanig zijn gemonteerd dat voorkomen wordt dat zij zozeer kunnen bewegen dat het gemeten gezichtsveld significant verandert of zozeer kunnen trillen dat de bestuurder het waargenomen beeld verkeerd zou kunnen interpreteren.
1.2. Aan de voorwaarden van punt 1.1 moet ook worden voldaan indien het voertuig rijdt met snelheden tot 80 % van de door de constructie bepaalde maximumsnelheid zonder hierbij echter 150 km/h te overschrijden.
1.3. De hieronder omschreven gezichtsvelden moeten worden vastgesteld bij ambinoculaire waarneming, waarbij de ogen worden geacht samen te vallen met de « oogpunten van de bestuurder », zoals gedefinieerd in hoofdstuk I, punt 1.1.1.12. Bij de vaststelling van de gezichtsvelden moet het voertuig in rijklare toestand zijn, zoals gedefinieerd in Richtlijn 97/27/EG, bijlage I, punt 2.5. De gezichtsvelden moeten worden verkregen via ruiten met een totale lichtdoorlatingsfactor van ten minste 70 % gemeten loodrecht op het glasoppervlak.
2. Aantal
2.1. Minimumaantal spiegels dat verplicht is
2.1.1. De in punt 5 voorgeschreven gezichtsvelden moeten worden verkregen met behulp van het minimumaantal spiegels dat volgens onderstaande tabel verplicht is. Indien de aanwezigheid van een spiegel niet verplicht is, kan geen enkele andere inrichting voor indirect zicht verplicht worden gesteld.
Ruimte voor tabel
2.1.2. Indien het in punt 5.6 voorgeschreven gezichtsveld van een vooruitkijkspiegel of achteruitkijkspiegel met een overeenkomstig hoofdstuk II, deel B, goedgekeurd en overeenkomstig dit hoofdstuk geïnstalleerd aanvullend systeem voor indirect zicht kan worden verkregen, mag dit systeem in plaats van een vooruitkijkspiegel of achteruitkijkspiegel worden gebruikt.
Indien een camera-beeldschermsysteem wordt gebruikt, moet het beeldscherm uitsluitend het in punt 5.6 voorgeschreven gezichtsveld tonen wanneer het voertuig vooruitrijdt met een snelheid van maximaal 30 km/h. Indien het voertuig een hogere snelheid heeft of achteruitrijdt, mag op het beeldscherm het gezichtsveld van andere op het voertuig gemonteerde cameras worden weergegeven.
2.2 De voorschriften van dit Koninklijk Besluit zijn niet van toepassing op hulpspiegels, zoals gedefinieerd in punt 1.1.1.3 van hoofdstuk I. Deze spiegels moeten echter wel op een hoogte van ten minste 2 meter van de grond zijn gemonteerd, gemeten wanneer het voertuig tot de maximale technisch toelaatbare massa is belast.
3.1 De spiegels moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder, in normale houding achter het stuur, de situatie achter en ter zijde van het voertuig duidelijk kan overzien, en waar nodig, de voor- en/of achterdelen van het voertuig.
3.3. Bij alle voertuigen waarbij het gezichtsveld wordt gemeten in de uitvoering chassis/cabine, moet de minimale en maximale carrosseriebreedte door de fabrikant worden opgegeven, en eventueel door middel van losse schotten worden gesimuleerd. Op het typegoedkeuringsformulier van een voertuig met betrekking tot de montage van spiegels moeten alle tijdens de proeven in aanmerking genomen voertuigen en spiegelconfiguraties worden vermeld.
3.4. De voor de bestuurderszijde voorgeschreven buitenspiegel moet zodanig zijn gemonteerd dat de hoek tussen het verticale vlak door de lengteas van het voertuig en het verticale vlak door het midden van de spiegel en door het midden van het 65 mm lange lijnstuk dat de oogpunten van de bestuurder verbindt, niet groter is dan 55°.
3.5. De spiegels mogen niet aanzienlijk verder buiten de externe carrosserie van het voertuig uitsteken dan noodzakelijk is om de in punt 5 voorgeschreven gezichtsvelden te verkrijgen.
3.6. Indien de onderrand van een buitenspiegel zich bij een voertuig, waarvan de belasting overeenkomt met de maximale technisch toelaatbare massa, op minder dan 2 m boven de grond bevindt, mag deze spiegel niet verder dan 250 mm uitsteken buiten de uiterste breedte van het voertuig gemeten zonder spiegels.
3.7. Spiegels van klasse V en VI moeten zodanig op de voertuigen zijn gemonteerd dat in elke stand geen enkel punt van deze spiegels of van de steunen waarop zij zijn gemonteerd zich op een hoogte van minder dan 2 m boven de grond bevindt bij een belasting die overeenkomt met de maximale technisch toelaatbare massa.
Deze spiegels zijn echter verboden op voertuigen met een zodanige cabinehoogte dat aan dit voorschrift niet kan worden voldaan.
3.8. Onder de in de punten 3.5, 3.6 en 3.7 vermelde omstandigheden mogen de maximaal toegestane breedten van de voertuigen door de spiegels worden overschreden.
4.1 De binnenspiegel moet door de bestuurder in rijpositie kunnen worden versteld.
4.2 De buitenspiegel aan de bestuurderszijde moet van binnenuit met gesloten portier kunnen worden versteld, terwijl het raam geopend mag zijn. De vergrendeling in een bepaalde stand mag echter van buitenaf geschieden.
4.3 De voorschriften van punt 4.2 gelden niet voor buitenspiegels die, na door een duw te zijn omgeklapt, zonder verstelling in de oorspronkelijke stand kunnen worden teruggebracht.
5.1. Binnenspiegels (klasse I)
Het gezichtsveld moet zodanig zijn dat de bestuurder ten minste een vlak en horizontaal weggedeelte met een breedte van 20 m kan overzien waarvan het midden in het verticale vlak door de lengteas van het voertuig ligt, en wel vanaf een afstand van 60 m achter de oogpunten van de bestuurder tot de horizon (figuur 6).

Fig. 6 - Gezichtsveld van een spiegel van de klasse I
5.2. Buitenspiegels, zogenoemde hoofdspiegels van klasse II
5.2.1 Buitenspiegel aan de bestuurderszijde
Het gezichtsveld moet zodanig zijn dat de bestuurder ten minste een vlak en horizontaal weggedeelte met een breedte van 5 m kan overzien dat wordt begrensd door het vlak dat door het buitenste punt van het voertuig aan de bestuurderszijde loopt en evenwijdig is aan het verticale vlak door de lengteas van het voertuig, en wel vanaf een afstand van 30 m achter de oogpunten van de bestuurder tot de horizon.
Bovendien moet de bestuurder vanaf een afstand van 4 m achter het verticale vlak door zijn oogpunten, het weggedeelte met een breedte van 1 m kunnen overzien dat wordt begrensd door het vlak dat door het buitenste punt van het voertuig loopt en evenwijdig is aan het verticale vlak door de lengteas van het voertuig (zie figuur 7).
5.2.2. Buitenspiegel aan de passagierszijde
Het gezichtsveld moet zodanig zijn dat de bestuurder ten minste een vlak en horizontaal weggedeelte met een breedte van 5 m kan overzien dat aan de passagierszijde wordt begrensd door het vlak dat door het buitenste punt van het voertuig aan de passagierszijde loopt en evenwijdig is aan het verticale vlak door de lengteas van het voertuig, en wel vanaf een afstand van 30 m achter de oogpunten van de bestuurder tot de horizon.
Bovendien moet de bestuurder vanaf een afstand van 4 m achter het verticale vlak door zijn oogpunten, het weggedeelte met een breedte van 1 m kunnen overzien dat wordt begrensd door het vlak dat door het buitenste punt van het voertuig loopt en evenwijdig is aan het verticale vlak door de lengteas van het voertuig (zie figuur 7).

Fig. 7 - Gezichtsveld van een spiegel van de klasse II
5.3.1 Buitenspiegel aan de bestuurderszijde
Het gezichtsveld moet zodanig zijn dat de bestuurder ten minste een vlak en horizontaal weggedeelte met een breedte van 4 m kan overzien dat wordt begrensd door het vlak dat door het buitenste punt van het voertuig aan de bestuurderszijde loopt en evenwijdig is aan het verticale vlak door de lengteas van het voertuig, en wel vanaf een afstand van 20 m achter de oogpunten van de bestuurder tot de horizon (zie figuur 8).
Bovendien moet de bestuurder vanaf een afstand van 4 m achter het verticale vlak door zijn oogpunten, het weggedeelte met een breedte van 1 m kunnen overzien dat wordt begrensd door het vlak dat door het buitenste punt van het voertuig loopt en evenwijdig is aan het verticale vlak door de lengteas van het voertuig.
5.3.2. Buitenspiegel aan de passagierszijde
Het gezichtsveld moet zodanig zijn dat de bestuurder ten minste een vlak en horizontaal weggedeelte met een breedte van 4 m kan overzien dat wordt begrensd door het vlak dat door het buitenste punt van het voertuig aan de passagierszijde loopt en evenwijdig is aan het verticale vlak door de lengteas van het voertuig, en wel vanaf een afstand van 20 m achter de oogpunten van de bestuurder tot de horizon (zie figuur 8).
Bovendien moet de bestuurder vanaf een afstand van 4 m achter het verticale vlak door zijn oogpunten, het weggedeelte met een breedte van 1 m kunnen overzien dat wordt begrensd door het vlak dat door het buitenste punt van het voertuig loopt en evenwijdig is aan het verticale vlak door de lengteas van het voertuig.

Fig. 8 - Gezichtsveld van een spiegel van de klasse III
5.4.1. Breedtespiegel aan de bestuurderszijde
Het gezichtsveld moet zodanig zijn dat de bestuurder ten minste een vlak en horizontaal weggedeelte met een breedte van 15 m kan overzien dat wordt begrensd door het vlak dat door het buitenste punt van het voertuig aan de bestuurderszijde loopt en evenwijdig is aan het verticale vlak door de lengteas van het voertuig, en wel ten minste van 10 tot 25 m achter de oogpunten van de bestuurder.
Bovendien moet de bestuurder vanaf een afstand van 1,5 m achter het verticale vlak door zijn oogpunten, het weggedeelte met een breedte van 4,5 m kunnen overzien dat wordt begrensd door het vlak dat door het buitenste punt van het voertuig loopt en evenwijdig is aan het verticale vlak door de lengteas van het voertuig (zie figuur 9).
5.4.2. Breedtespiegel aan de passagierszijde
Het gezichtsveld moet zodanig zijn dat de bestuurder ten minste een vlak en horizontaal weggedeelte met een breedte van 15 m kan overzien dat wordt begrensd door het vlak dat door het buitenste punt van het voertuig aan de passagierszijde loopt en evenwijdig is aan het verticale vlak door de lengteas van het voertuig, en wel ten minste van 10 tot 25 m achter de oogpunten van de bestuurder.
Bovendien moet de bestuurder vanaf een afstand van 1,5 m achter het verticale vlak door zijn oogpunten, het weggedeelte met een breedte van 4,5 m kunnen overzien dat wordt begrensd door het vlak dat door het buitenste punt van het voertuig loopt en evenwijdig is aan het verticale vlak door de lengteas van het voertuig (zie figuur 9).

Fig. 9 - Gezichtsveld van een breedtespiegel van de klasse IV
5.5.1. het vlak dat door het buitenste punt van de cabine van het voertuig aan de passagierszijde loopt en evenwijdig is aan het verticale vlak door de lengteas van het voertuig;
5.5.2. het 2 m naar buiten gelegen vlak evenwijdig aan het in punt 5.5.1 genoemde vlak;
5.5.3. aan de achterzijde : het 1,75 m naar achteren gelegen vlak evenwijdig aan het verticale vlak door de oogpunten van de bestuurder;
5.5.4. aan de voorzijde : het 1 m naar voren gelegen vlak evenwijdig aan het verticale vlak door de oogpunten van de bestuurder. Indien het verticale dwarsvlak door het voorste punt van de bumper minder dan 1 m voor het verticale vlak door de oogpunten van de bestuurder ligt, blijft het gezichtsveld tot dit vlak beperkt.
5.5.5. Indien het in figuur 10 beschreven gezichtsveld kan worden waargenomen door de combinatie van het gezichtsveld van een breedtespiegel (klasse IV) en een vooruitkijkspiegel (klasse VI), is de montage van een trottoirspiegel (klasse V) niet verplicht.

Fig. 10a en 10b - Gezichtsveld van een trottoirspiegel van de klasse V
5.6.1. Vooruitkijkspiegel
5.6.1.1 Het gezichtsveld moet zodanig zijn dat de bestuurder ten minste een vlak en horizontaal weggedeelte kan overzien dat wordt begrensd door :
De voorzijde van dit gezichtsveld mag aan de passagierszijde worden afgerond met een straal van 2 000 mm (zie figuur 11).
Indien voertuigen van deze categorieën waarvan de motorkapconstructie andere kenmerken heeft, met behulp van een vooruitkijkspiegel niet aan de voorschriften kunnen voldoen, moet een camera-beeldschermsysteem worden gebruikt. Indien geen van deze mogelijkheden het vereiste gezichtsveld biedt, moet een ander waarnemingssysteem worden gebruikt. Dit systeem moet binnen het in figuur 11 beschreven gezichtsveld een object van 50 cm hoogte en met een diameter van 30 cm kunnen waarnemen.

Fig. 11 - Gezichtsveld van een spiegel van de klasse VI
5.6.1.2. Als de bestuurder echter, rekening houdend met de belemmeringen van de A-stijlen, een recht lijnstuk kan overzien dat 300 mm voor het voertuig op een hoogte van 1 200 mm boven het wegoppervlak loopt tussen een verticaal vlak in de lengterichting dat door het buitenste punt van het voertuig aan de bestuurderszijde loopt en evenwijdig is aan het verticale vlak door de lengteas van het voertuig en een verticaal vlak in de lengterichting dat door het punt 900 mm buiten het buitenste punt van het voertuig aan de passagierszijde loopt en evenwijdig is aan het verticale vlak door de lengteas van het voertuig, is een vooruitkijkspiegel van klasse VI niet verplicht.
5.6.2 Achteruitkijkspiegel
5.7. Bij spiegels bestaande uit verschillende spiegeloppervlakken met uiteenlopende kromtestralen of die niet in hetzelfde vlak liggen, moet met ten minste een van de spiegeloppervlakken het gezichtsveld worden verkregen en aan de afmetingen worden voldaan (zie punt 2.2.2 van hoofdstuk II) die voor de desbetreffende klasse zijn voorgeschreven.
5.8. Belemmeringen
5.8.1. Binnenspiegels (klasse I)
Het gezichtsveld mag worden beperkt door de aanwezigheid van hoofdsteunen en voorzieningen zoals, met name, zonnekleppen, ruitenwissers op de achterruit, verwarmingselementen en een remlicht van de categorie S3 of door onderdelen van de carrosserie, zoals raamstijlen in geval van twee achterdeuren, mits al deze voorzieningen samen niet meer dan 15 % van het voorgeschreven gezichtsveld beslaan indien zij worden geprojecteerd op een verticaal vlak loodrecht op het verticale vlak door de lengteas van het voertuig. De mate van belemmering wordt gemeten met de hoofdsteunen in de laagste stand en met de zonnekleppen in weggeklapte positie.
5.8.2. Buitenspiegels (klassen II, III, IV, V en VI)
Bij de hierboven omschreven gezichtsvelden wordt met belemmeringen door de carrosserie en bepaalde delen hiervan, zoals andere spiegels, portiergrepen, markeringslichten, richtingaanwijzers en achterbumpers, alsmede delen voor reiniging van de spiegeloppervlakken geen rekening gehouden indien deze belemmeringen samen minder dan 10 % van het gezichtsveld afschermen.
5.9. Beproevingsmethode
Bij het bepalen van het gezichtsveld worden krachtige lichtbronnen in de oogpunten geplaatst en wordt het op een controlescherm weerkaatste licht gemeten. Ook andere, gelijkwaardige methoden kunnen worden toegepast.
ANDERE INRICHTINGEN VOOR INDIRECT ZICHT DAN SPIEGELS
6. Inrichtingen voor indirect zicht moeten zodanige prestaties leveren dat het kritische object in het beschreven gezichtsveld met inachtneming van de kritische waarneming kan worden waargenomen.
7. Het rechtstreekse zicht van de bestuurder moet door de montage van een systeem voor indirect zicht zo min mogelijk worden belemmerd.
8. Voor de vaststelling van de waarnemingsafstand in geval van een camera-beeldschermsysteem voor indirect zicht moet de methode van aanhangsel 1 van dit hoofdstuk worden toegepast.
9. Montagevoorschriften voor het beeldscherm.
De kijkrichting voor het beeldscherm moet ongeveer overeenkomen met die voor de hoofdspiegel.
10. Voertuigen van de categorie M3 en volledige of voltooide voertuigen van de categorieën N2 > 7,5 t en N3 met een speciale carrosserie voor vuilophaling mogen aan de achterzijde van de carrosserie zijn uitgerust met een andere inrichting voor indirect zicht dan een spiegel, teneinde onderstaande gezichtsvelden te bestrijken :
10.2 Indien voertuigen van deze categoriee¨n niet kunnen voldoen aan de eisen van punt 10.1 of 10.2 middels een camera-beeldscherminrichting, mogen andere inrichtingen voor indirect zicht worden gebruikt. In dat geval moet de inrichting binnen het in punt 10.1 beschreven gezichtsveld een object van 50 cm hoogte met een diameter van 30 cm kunnen waarnemen.

Fig. 12 - Gezichtsveld van inrichtingen voor indirect zicht naar achteren.
AANHANGSEL 1 BIJ HOOFDSTUK III
BEREKENING VAN DE WAARNEMINGSAFSTAND
1. CAMERA-BEELDSCHERMSYSTEMEN
1.1. Scheidend vermogen van een camera.
Het scheidend vermogen van een camera is als volgt gedefinieerd :
wc = scheiden vermogen van de camera (boogminuten)
ßc = gezichtshoek van de camera (°)
Nc = aantal beeldlijnen van de camera (#)
De fabrikant moet de waarden van ßc en Nc opgeven
1.2 Bepaling van de kritische kijkafstand van het beeldscherm
Voor een beelscherm van een bepaalde omvang en met bepaalde kenmerken kan een afstand tot het beelscherm worden berekend waarbinnen de waarnemingsafstand uitsluitend van de prestaties van de camera afhangt. Deze kritische kijkafstand rm,c is als volgt gedefinieerd :
Het getal 60 betreft de omrekening van boogminuten naar booggraden
rm,c = kritische kijkafstand (m)
Hm = hoogte van het beeld van het beeldscherm (m)
Nm = aantal beeldlijnen van het beeldscherm (-)
veye = scheidend vermogen van de waarnemer (boogminuten)
De fabrikant moet de waarden van Hm Nm en Dm opgeven.
veye = 8
1.3. Bepaling van de waarnemingsafstand.
1.3.1. Maximale waarnemingsafstand binnen de kritische kijkafstand. Indien het systeem zodanig is gemonteerd dat de afstand oog-beeldscherm kleiner is dan de kritische kijkafstand, is de maximale waarnemingsafstand als volgt gedefinieerd :

rd = waarnemingsafstand (m)
Do = diameter van het object (m)
= vermenigvuldigingsfactor
vc, ßc en Nc overeenkomstig punt 2.1
Do = 0,8 m
= 8
1.3.2. Waarnemingsafstand groter dan de kritische kijkafstand, indien het systeem zodanig is gemonteerd dat de afstand oog- beeldscherm gorter is dan de kritische kijkafstand is de macimale waarnemingsafstand als volgt gedefinieerd :
rm = kijkafstand tot het beeldscherm (m)
Dm = diagonaal van het beeldscherm (")
= aantal beeldlijnen van het beeldscherm (-)
ßc en Nc overeenkomstig punt 1.1
Do = 0,8 m
Nm en veye oveernkomstig punt 1.2
2. SECUNDAIRE FUNCTIONELE VOORSCHRIFTEN
Op basis van de montageomstandigheden moet worden beoordeeld of het volledige systeem nog aan de functionele voorschriften van hoofdstuk II voldoet, in het bijzonder wat de correctie voor invallend licht en de maximale en minimale luminantie van het beeldscherm betreft. Ook moet worden beoordeeld in hoeverre correctie voor invallend licht plaatsvindt en onder welke hoek het zonlicht op een beeldscherm kan vallen; de uitkomsten moeten worden vergeleken met de resultaten van de metingen die op het systeem zijn uitgevoerd.
Dit kan gebeuren op basis van een CAD-model, een hoekbepaling van het licht bij een op het desbetreffende voertuig
gemonteerd systeem, of door metingen aan het desbetreffende voertuig, zoals beschreven in hoofdstuk II, deel B, punt 3.2.
Gezien om gevoegd te worden bij Ons besluit van 25 september 2002.
|
|||||
|
|
|