Laatst gewijzigd door het KB. van 17 maart 2009 (BS 09.04.2009)
|
A. Categorieën van voertuigen
|
De categorieën zijn gedefinieerd als hieronder, met als referentie de categorieën bepaald in artikel 1§1, van dit besluit.
|
M2= voertuigen voor personenvervoer max. 5ton en meer dan 8 personen bestuurder niet meegerekend.
|
|
| M3= idem als M2 doch meer dan 5ton |
| N2= voertuigen voor goederenvervoer van meer dan 3,5 ton en = of < 12 ton max. massa | |
| N3= idem als N2 doch meer dan 12 ton max. massa. |
| 02= aanhangwagens max. massa meer dan 750 kg doch niet meer dan 3,5 ton | |
| 03= aanhangwagens max. massa meer dan 3,5 ton doch niet meer dan 10 ton | |
| 04= aanhangwagens max. massa meer dan 10 ton |
| N1= voertuigen voor goederenvervoer van ten hoogste 3,5 ton max. massa |
|
M1= voertuigen voor personenvervoer max. 8 personen, bestuurder niet meegerekend.
|
|
B. Te controleren punten
|
|
3. Zicht
|
|
1. Reminstallaties
|
De controle van de reminstallaties voor de voertuigen van categorie 1 tot 6 heeft betrekking op de volgende punten.
De tijdens de controle verkregen waarden moeten, voor zover dat mogelijk is, voldoen aan de technische normen van Richtlijn 71/320/EEG (1).
1.1.Mechanische toestand en werking
1.1.1. Draaipunten van het voetrempedaal :
1.1.2.Staat en slag van het bedieningspedaal
1.1.3.Vacuumpomp of compressor en reservoirs
1.1.4.Lage-drukverklikker of -manometer
1.1.6.Parkeerrem, bedieningshendel, parkeerremvergrendeling
1.1.7.Remkleppen (voetkleppen, ontluchtingsventielen, regelkleppen, enz.)
1.1.8.Koppelingskoppen voor remmen voor aanhangwagens
1.1.9.Energie- of drukreservoir
1.1.10. Rembekrachtiging, hoofdcilinder (hydraulische systemen)
1.1.12. Remslangen
1.1.13. Remvoeringen/remblokken
1.1.14. Remtrommels, remschijven
1.1.15. Remkabels, stangen, hendels, overbrenging
1.1.16. Remcilinders (veerremcilinders en hydraulische remcilinders inbegrepen)
1.1.17. Automatische lastafhankelijke remkrachtregelaar
1.1.18. Zelfafstellende remhefbomen (indien aanwezig)
1.1.19. Retarder (indien gemonteerd of voorgeschreven)
1.2. Remkracht en bedrijfszekerheid van de bedrijfsrem [invoege op 1 juli 1999]
1.2.1.Remkracht (geleidelijk tot maximum opgevoerde kracht)
1.2.2.Bedrijfszekerheid
Categorie 1 : 50 % (2)
Categorie 2 : 43 % (3)
Categorie 3 : 40 % (4)
Categorie 4 : 50 %
Categorie 5 : 45 % (5)
Categorie 6 : 50 %
of
1.3. Remkracht en bedrijfszekerheid van de hulprem (indien afzonderlijk werkend systeem) [invoege op 1 juli 1999]
1.3.1.Remkracht
1.3.2.Bedrijfszekerheid
1.4. Remkracht en bedrijfszekerheid van de parkeerrem [invoege op 1 juli 1999]
1.4.1.Remkracht
1.4.2.Bedrijfszekerheid
1.5. Remkracht van de retarder of motorrem
1.6.Anti-blokkeersysteem [invoege op 1 juli 1999]
|
2.Stuurinrichting en stuurwiel
|
Voor voertuigen in de categorieën 1 en 2
2.1. Mechanische toestand
2.2. Stuurwiel
2.3. Speling in de stuurinrichting
2.4. Wiellagers
Voor voertuigen in de categorieën 4, 5 en 6
2.5. Mechanische toestand
2.6. Speling in de stuurinrichting
2.7. Bevestiging van de stuurinrichting
2.8. Wiellagers
|
3. Zicht
|
Voertuigen in de categorieën 1 tot 6
3.1. Gezichtsveld
3.2. Toestand van de ruiten
3.3. Achteruitkijkspiegels en inrichtingen voor indirect zicht
3.4. Ruitewisser
3.5. Ruitesproeier
|
4. Lichten, reflecterende inrichtingen en elektrische installaties
|
Voertuigen in de categorieën 1 tot 6
4.1. Groot licht en dimlicht
4.1.1. Toestand en werking
4.1.2. Richting
4.1.3. Schakelaars
4.1.4. Zichtbaarheid
4.2. Breedtelichten, achterlichten en markeringslichten
4.2.1. Toestand en werking
4.2.2. Kleur en zichtbaarheid
4.3. Stoplichten
4.3.1. Toestand en werking
4.3.2. Kleur en zichtbaarheid
4.4. Richtingaanwijzers
4.4.1. Toestand en werking
4.4.2. Kleur en zichtbaarheid
4.4.3. Schakelaars
4.4.4. Knippersnelheid
4.5. Mistlichten voor en achter
4.5.1. Plaatsing
4.5.2. Toestand en werking
4.5.3. Kleur en zichtbaarheid
4.6. Achteruitrijlichten
4.6.1. Toestand en werking
4.6.2. Kleur en zichtbaarheid
4.7. Achterkentekenplaatverlichting
4.8. Retroflectoren
Toestand en kleur
4.9. Verklikkersignalen
4.10. Elektrische verbindingen tussen trekkend voertuig en aanhangwagen of oplegger
4.11. Elektrische bedrading
|
5. Assen, wielen, banden, vering
|
Voertuigen in de categorieën 1 tot 6
5.1. Assen
5.2. Wielen en banden
5.3. Vering (wielophanging)
|
6. Chassis en met het chassis verbonden delen
|
Voertuigen in de categorieën 1, 2 en 3
6.1. Chassis of frame en bevestigingen
6.1.1. Algemene toestand
6.1.2. Uitlaatpijpen en dempers
6.1.3. Tanks en brandstofleidingen
6.1.4. Geometrische kenmerken en staat van de bescherming aan de achterzijde van bedrijfsvoertuigen
6.1.5. Bevestiging van het reservewiel
6.1.6. Koppelingsinrichting van trekkende voertuigen, aanhangwagens en opleggers
6.2. Cabine en koetswerk
6.2.1. Algemene toestand
6.2.2. Bevestiging
6.2.3. Portieren en sloten
6.2.4. Bodem
6.2.5. Bestuurderszitplaats
6.2.6. Treeplanken
Voertuigen in de categorieën 4, 5 en 6
6.3. Chassis of frame
6.3.1. Algemene toestand
6.3.2. Uitlaatpijpen en dempers
6.3.3. Tanks en brandstofleidingen
6.3.4. Bevestiging van het reservewiel
6.3.5. Veiligheid van de koppelingsinrichting (indien aanwezig)
6.4. Koetswerk
6.4.1. Toestand van de structuur
6.4.2. Portieren en sloten
|
7. Diverse uitrustingen
|
Voertuigen in de categorieën 1 en 2
7.1. Veiligheidsgordels
7.2. Brandblusser
7.3. Sloten en beveiligingen tegen diefstal
7.4. Gevarendriehoek
7.5. Verbandtrommel
7.6. Wielblokken
7.7. Claxon
7.8. Snelheidsmeter
7.9. Tachograaf (gewijzigd door het KB. 15-02-2006)
- de geldigheid van het installatieplaatje nagaan en in voorkomend geval van het verificatieplaatje;
- in geval van twijfel, controleren of de gemiddelde bandenomtrek van de aangedreven wielen of hun afmeting, overeenstemt met de aangeduide gegevens op het installatieplaatje;
- indien mogelijk nagaan of de verzegelingen van de tachograaf intact zijn.
7.10. Snelheidsbegrenzer
- de geldigheid van het installatieplaatje van de snelheidsbegrenzer controleren;
- indien mogelijk, nagaan of de verzegelingen van de snelheidsbegrenzer en, in voorkomend geval, of iedere andere eventuele voorziening ter beveiliging van de verbindingen tegen bedrog, intact zijn;
- in de mate van het mogelijke, nagaan of de snelheidsbegrenzer voorkomt dat de voorgeschreven waarden van de voertuigen vermeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 april 1993 tot wijziging van het koninklijk besluit van 26 februari 1981 houdende uitvoering van de richtlijnen van de Europese Gemeenschappen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen, hun bestanddelen alsook hun veiligheidsonderdelen, overschreden worden.
Voertuigen in de categorieën 4, 5 en 6
|
8. Overlastfactoren
|
Voertuigen in de categorieën 1, 2, 4, 5 en 6
8.1. Geluid
8.2. Uitlaatemissies
8.2.1. Motorvoertuigen uitgerust met een motor met elektrische ontsteking (benzine)
a) De uitlaatemissies worden niet geregeld door middel van een geavanceerd emissiebestrijdingssysteem zoals een gesloten driewegkatalysator met lambdasonde bvb. :
b) De uitlaatemissies worden geregeld door middel van een geavanceerd emissiebestrijdings-systeem zoals een gesloten driewegkatalysator met lambdasonde
- Meting bij stationair draaien :
Het maximaal toelaatbare CO-gehalte van de uitlaatgassen is het door de voertuigconstructeur opgegeven gehalte. Indien dat gegeven niet beschikbaar is, bedraagt de grenswaarde van het CO-gehalte 0,5 vol. %;
"Wat betreft voertuigen die een typegoedkeuring hebben gekregen overeenkomstig de grenswaarden in rij A of rij B van de tabel in rubriek 5.3.1.4. van bijlage I bij Richtlijn 70/220/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/69/EG of latere wijzigingen, mag het maximale CO-gehalte niet meer bedragen dan 0,3 vol. %. Wanneer overeenstemming met Richtlijn 70/220/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/69/EG, niet mogelijk is, dan geldt het bovenstaande voor voertuigen die zijn ingeschreven of in gebruik zijn genomen na 1 juli 2002." (" " in werking vanaf 1 juni 2009 - KB 17-03-2009)
- Meting bij opgevoerd toerental van ten minste 2000 min-1, met onbelaste motor :
Het maximaal toelaatbare CO-gehalte van de uitlaatgassen is het door de voertuigconstructeur opgegeven gehalte bij opgevoerd toerental met onbelaste motor. Indien dat gegeven niet beschikbaar is, bedraagt de grenswaarde van het CO-gehalte 0,3 vol. %.
De lucht/brandstofverhouding lambda bedraagt 1 ± 0,03 of is in overeenstemming met de specificaties van de fabrikant. (" " wordt vervangen vanaf 1 juni 2009 door onderstaande tekst)
" - Meting bij opgevoerd toerental van ten minste 2000 min-1, met onbelaste motor :
Het maximaal toelaatbare CO-gehalte van de uitlaatgassen is het door de voertuigconstructeur opgegeven gehalte bij opgevoerd toerental met onbelaste motor. Indien dat gegeven niet beschikbaar is, bedraagt de grenswaarde van het CO-gehalte 0,3 vol. %. Wat betreft voertuigen die de typegoedkeuring hebben gekregen in overeenstemming met de grenswaarden in rij A of rij B van de tabel in rubriek 5.3.1.4. van bijlage I bij Richtlijn 70/220/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/69/EG of latere wijzigingen, mag het maximale CO-gehalte niet meer bedragen dan 0,2 vol. %. Wanneer overeenstemming met Richtlijn 70/220/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/69/EG, niet mogelijk is, dan geldt het bovenstaande voor voertuigen die zijn ingeschreven of in gebruik zijn genomen na 1 juli 2002.
De lucht/brandstofverhouding lambda bedraagt 1 ± 0,03 of is in overeenstemming met de specificaties van de fabrikant. " (" " in werking vanaf 1 juni 2009 - KB 17-03-2009)
- Bij motorvoertuigen die overeenkomstig richtlijn 98/69/EG met een diagnostisch boordsysteem (OBD-systeem) zijn uitgerust, mag de correcte werking van de emissie-uitrusting worden gecontroleerd door de relevante gegevens uit het OBD-systeem uit te lezen en gelijktijdig de correcte werking van het OBD-systeem te controleren, in plaats van beroep te doen op de test beschreven in het eerste lid van punt 4). »
8.2.2. Voertuigen uitgerust met een motor met compressieontsteking (diesel) (gewijzigd vanaf 1Mei 2003)
a) De opaciteit van de uitlaatgassen wordt gemeten tijdens een vrije acceleratie (bij niet-belaste motor wordt het toerental opgevoerd van het stationair toerental tot het toerental waarbij de regelaar van de brandstoftoevoer in werking treedt) met de versnellingspook in de vrije stand en ingedrukt koppelingspedaal.
b) Conditionering van het voertuig :
1) voertuigen kunnen worden gecontroleerd zonder voorafgaande conditionering, maar om veiligheidsredenen wordt eerst nagegaan of de motor warm is en in een bevredigende mechanische staat verkeert;
2) behalve in het onder punt d) 5, bedoelde geval kan een voertuig niet worden afgekeurd tenzij het eerst volgens de onderstaande voorschriften is geconditioneerd;
3) de motor is volledig op temperatuur. Daaraan is voldaan indien de temperatuur van de motorolie, gemeten door middel van een in de opening voor de oliepeilstok ingebrachte voeler, ten minste 80 °C bedraagt, of de normale bedrijfstemperatuur wanneer deze lager is, dan wel wanneer de temperatuur van het motorblok, bepaald aan de hand van de hoeveelheid infraroodstraling, ten minste een vergelijkbare waarde bedraagt. Indien door de constructie van het voertuig deze meting in de praktijk moeilijk uitvoerbaar is, kan op een andere wijze worden nagegaan of de motor zijn normale bedrijfstemperatuur heeft bereikt, bijvoorbeeld door te wachten tot de koelingventilator aanslaat;
4) het uitlaatsysteem wordt doorgeblazen door middel van drie vrije acceleratiecycli of een daarmee vergelijkbare methode.
c) Controleprocedure :
1) visuele inspectie van de desbetreffende delen van het uitlaatsysteem van het motorvoertuig om na te gaan of er geen lekken zijn;
2) de motor en de eventueel gemonteerde druklader draaien stationair voor het begin van elke vrije acceleratiecyclus. Bij zware dieselmotoren wordt ten minste tien seconden gewacht na het loslaten van het gaspedaal;
3) bij de aanvang van elke vrije acceleratiecyclus wordt het gaspedaal snel en geleidelijk, in minder dan één seconde, volledig ingedrukt, teneinde een maximale brandstoftoevoer door de injectiepomp te verkrijgen;
4) alvorens tijdens de vrije acceleratiecyclus, het gaspedaal wordt losgelaten, bereikt de motor het toerental waarbij de regelaar van de brandstoftoevoer in werking treedt of, voor voertuigen met een automatische transmissie, het door de fabrikant voorgeschreven toerental, dan wel, indien dat laatste niet gekend is, een toerental dat twee derden bedraagt van het toerental waarbij de regelaar van de brandstoftoevoer in werking treedt. Dit wordt gecontroleerd door het toerental te meten of door voldoende tijd te laten verlopen tussen het indrukken en het loslaten van het gaspedaal, namelijk, bij voertuigen van de categorieën 1 en 2 van bijlage 15, ten minste twee seconden.
d) Grenswaarden
1) De opaciteit is niet groter dan deze die, overeenkomstig richtlijn 72/306/EEG van de Raad, op de plaat is geregistreerd.
2) Indien dat gegeven niet beschikbaar is, worden met betrekking tot de absorptiecoëfficiënt de volgende grenswaarden niet overschreden : ( 2) wordt vervangen vanaf 1 juni 2009 door ondestaand punt 2))
"2) Indien dat gegeven niet beschikbaar is, worden met betrekking tot de absorptiecoëfficiënt de volgende grenswaarden niet overschreden :
3) Voertuigen voor het eerst in gebruik genomen vóór 1 januari 1980 hoeven aan deze voorwaarden niet te voldoen.
4) Voertuigen worden alleen afgekeurd, indien het rekenkundig gemiddelde van ten minste de laatste drie vrije acceleratiecycli meer bedraagt dan de grenswaarde.
Bij de berekening van het gemiddelde mogen sterk van het gemeten gemiddelde afwijkende meetwaarden buiten beschouwing gelaten worden of wordt gebruik gemaakt van het resultaat van een andere statistische berekeningswijze die rekening houdt met de spreiding van de meetwaarden. Het maximum aantal te doorlopen testcycli kan beperkt worden.
5) Om onnodige controles te vermijden kunnen, in afwijking van de bepalingen onder punt d), 4), voertuigen, waarbij aanzienlijk hogere waarden dan de grenswaarden zijn gemeten na minder dan drie vrije acceleratiecycli of na het doorblazen (of vergelijkbare methode) zoals vermeld onder punt b), 3), afgekeurd worden. Om onnodige controles te vermijden kunnen eveneens in afwijking van het bepaalde onder punt d), 4), voertuigen, waarbij na minder dan drie vrije acceleratiecycli of na het doorblazen (of vergelijkbare methode) zoals vermeld onder punt b), 3), aanzienlijk lagere waarden dan de grenswaarden zijn gemeten, goedgekeurd worden. »
8.2.3. Controleapparatuur
Voor het controleren van de emissies van de voertuigen wordt gebruik gemaakt van apparatuur waarmee nauwkeurig kan worden nagegaan of aan de door de constructeur voorgeschreven of opgegeven grenswaarden wordt voldaan.
8.3. Radio-ontstoring
|
9. Aanvullende controles
|
Voertuigen in de categorie 1
9.1. Nooduitgang(en) (met inbegrip van hamers om ruiten in te slaan), borden met opschrift «nooduitgang »
9.2. Verwarming
9.3. Luchtcirculatie
9.4. Zitplaatsindeling
9.5. Binnenverlichting
|
10. Identificatie van het voertuig
|
Voertuigen in de categorieën 1 tot 6.
10.1. Kentekenplaat
10.2. Chassisnummer
(1) Richtlijn 71/320/EEG van de Raad van 26 juli 1971, inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de reminrichtingen van bepaalde categoriee¨n motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PB nr. L 202 van 6.9.1971, blz. 37), Richtlijn laatst gewijzigd bij Richtlijn 91/422/EEG ( 98/12/EG ) van de Commissie (PB nr. L 233 van 22.8.1991, blz. 21).
(2) 48 % voor voertuigen van categorie 1 die niet zijn uitgerust met ABS of die voor 1 oktober 1991 zijn goedgekeurd.
(3) 45 % voor de voertuigen van de categorie 2 waarvan het nummer van het proces-verbaal van goedkeuring begint met het getal 88 of hoger
(4) 43 % voor de voertuigen van de categorie 3 waarvan het nummer van het proces-verbaal van goedkeuring begint met het getal 88 of hoger
(5) 50 % voor de voertuigen van de categorie 5 waarvan het nummer van het proces-verbaal van goedkeuring begint met het getal 88 of hoger
(6) De referentiewaarde voor de as is de remkracht (uitgedrukt in Newton) die moet uitgeoefend worden om de voorgeschreven minimum remkracht bij het gewicht dat het voertuig bij zijn presentatie heeft, te verkrijgen.
(7) Voor voertuigen in de categorieën 2 en 5 wordt de minimale rem-efficiëntie van de noodrem (niet gedekt door de richtlijn 71/320/EEG zoals gewijzigd door de richtlijn 75/647/EEG 85/647/EEG van de Commissie) vastgelegd op 2,2 m/s5.
|
|||||
|
|
|