HOOFDSTUK VII. Inrichting. (deel 4)

naar index
inrichting Hdst 7 (3) bijzondere bepalingen
naar mijn homepage

Laatste wijziging art 70bis - KB 17-03-2009 BS. 09-04-2009 - invoege 1 juni 2009

ART 70 BLUSTOESTELLEN EN GEVAARSDRIEHOEKEN:

§1. Blustoestellen (de punten 1° en 2° werden vervangen door KB 17-03-2003)

    1. In de auto’s in gebruik genomen vanaf 1 februari 2002 bevindt zich een blustoestel overeenstemmend met de door het Belgisch Instituut voor Normalisatie gepubliceerde norm NBN-EN3 en met de voorschriften van dit artikel. De overeenstemming met de norm NBN-EN3 en met de voorschriften van dit artikel wordt bevestigd door het merkteken BENOR V, aangebracht op het toestel.

    2. In de auto’s in gebruik genomen vóór 1 februari 2002 bevindt zich een blustoestel overeenstemmend met hetzij de normen NBN S 21-011/017, hetzij de norm NBN-EN3, beiden gepubliceerd door het Belgisch Instituut voor Normalisatie, en met de voorschriften van dit artikel. De overeenstemming met de bovenvermelde normen en met de voorschriften van dit artikel wordt bevestigd door het merkteken BENOR V, aangebracht op het toestel.
      Vanaf het verlaten van de fabriek, zijn de brandblussers geldig gedurende het lopende jaar en de vijf daarop volgende jaren.
      Auto's waarvan de hoogste toegelaten massa:
      poeder BC
      of ABC
      niet meer bedraagt dan 3.500 kg
      1 kg
      meer dan 3.500kg doch niet meer dan 7.500kg bedraagt
      2 kg
      meer dan 7.500kg bedraagt
      3 kg
Er moet zich een supplementair, aan dezelfde voorwaarden voldoend blustoestel bevinden:
    1. in de auto's ingericht voor het vervoer van personen en waarvan de maximale toegelaten massa meer bedraagt dan 5 000kg;

    2. in de auto's gebezigd voor het trekken van een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 2 500kg , ofwel in deze laatste.
De voertuigen voor traag vervoer moeten evenwel niet voorzien zijn van een supplementair blustoestel.

Top of page

    Wat betreft de voertuigen bestemd voor het vervoer van gevaarlijke goederen en waarvoor de voorschriften van het Europees Verdrag betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR) een blustoestel voor de lading vereisen. worden de bepalingen van 3° vervangen door de volgende:

    1. Aan boord van de voertuigen die vanaf 1 juli 1977 in dienst worden gesteld. met uitzondering van de voertuigen voor traag vervoer moet zich een supplementair blustoestel bevinden met een capaciteit van ten minste 9 kg poeder of halogeen producten (R13BI of R12BIl dat beantwoordt aan de norm NBN S 21 011 en haar addendum. S21 01'. gepubliceerd door het Belgisch Instituut voor Normalisatie en het merkteken BENOR V dragend. De in de punten 5° tot 10° van dit artikel voorziene bepalingen gelden voor deze blustoestellen. Bij slepen of gelede voertuigen mag het supplementair blustoestel hetzij aan de aanhangwagen of de oplegger hetzij aan het trekkend voertuig worden bevestigd.

    2. Aan boord van de voertuigen die voor 1 juli 1977 in dienst worden gesteld moet zich een supplementair blustoestel bevinden dat beantwoordt hetzij aan de bepalingen van 4° punt a hetzij aan de volgende bepalingen:

      • het blustoestel moet een capaciteit hebben van ten minste 9 kg poeder of halogeen producten (R13BI of R12BI);
      • het blustoestel moet beantwoorden aan de bepalingen van §1 5° en 6° van dit artikel:
      • de fabricagedatum op het blustoestel mag niet ouder zijn dan zes jaar voor het lopende Jaar; de inrichting voor het in werking stellen van het blustoestel moet verzegeld zijn.

    De blustoestellen moeten op een steun staan en op een in het oog vallende en gemakkelijk te bereiken plaats zijn aangebracht. Ten minste één blustoestel moet zich binnen het bereik van de bestuurder bevinden. De blustoestellen moeten bedrijfsvaardig zijn.

    De steun van het blustoestel moet aan het voertuig zijn vastgemaakt en het afnemen van het toestel van zijn steun mag niet meer dan 10 seconden in beslag nemen.

    De inrichting voor het in werking stellen van het blustoestel moet verzegeld zijn door middel van een metalen [ of plastieken draad en een verzegeling (vb loodje) ] [vervangen door KB 17-03-2003] waarop de slagstempel van de fabrikant voorkomt.

    Voor de voertuigen die ingeschreven zijn onder een aan het Ministerie van Landsverdediging voorbehouden plaatnummer, mag het loodje echter de slagstempel van een legereenheid dragen.

    Elk blustoestel waarvan de verzegeling niet intakt is wordt niet meer geacht het merkteken BENOR V. te dragen.

    De geldigheidsduur moet op de romp van het blustoestel worden aangebracht. Wanneer de geldigheid verstreken is, wordt het blustoestel niet meer geacht het merkteken BENOR V. te dragen. [ Deze geldigheidsduur wordt aangeduid op een etiket of label van de fabrikant waarop volgende vermelding voorkomt "Geldig tot 1 januari yyyy (jaartal)".] [toegevoegd door KB 17-03-2003]

    10° Elk blustoestel moet kunnen werken in verticale toestand, zonder het toestel om te draaien en de bedieningsorganen moeten zich op het bovenste gedeelte van de romp van het blustoestel bevinden gedurende zijn werking.

    11° De bepalingen van 1 van dit artikel zijn niet van toepassing op de voertuigen waarvan door de burgerlijke bescherming en de brandweerkorpsen gebruik gemaakt wordt.

    12° De blustoestellen met een capaciteit groter dan 3 kg moeten dezelfde inrichting voor inwerkingstelling hebben als de blustoestellen met een capaciteit van 9 kg.

 

§2. Gevaarsdriehoeken (art 70)

    1° Een gevaarsdriehoek, gebruikt voor het signaleren van een geïmmobiliseerd voertuig of van een op de openbare weg gevallen lading, moet zich aan boord van elke auto bevinden.

    2° De eisen waaraan de gevaarsdriehoeken moeten voldoen worden door Ons bepaald. (Voor de goedkeuring van de waarschuwingsdriehoeken: zie Stbl. 24.12. 76 - K. B. 3.12. 76)

    3° In afwijking van de bepalingen van 2°, mogen de auto's waarvoor de aanvraag om goedkeuring werd ingediend voor 1 januari 1977 voorzien zijn van een gelijkzijdige gevaarsdriehoek, die een rode rand en ten minste 40 cm zijde heeft. De rode randen zijn voorzien van reflecterende produkten en ten minste 5 cm breed. Het centraal gedeelte mag zonder achtergrond zijn ofwel een witte achtergrond hebben.

Top of page

ART 70bis Retroflecterende veiligheidsvest: (in werking vanaf 1 juni 2009 - KB 17-03-2009)

    Een retro-reflecterende veiligheidsvest moet zich aan boord van elke auto bevinden.

ART 71 VERBANDKIST:

    §1. De autobussen en de autocars alsmede al de andere auto's gebezigd voor het bezoldigd vervoer van personen of voor hiermede gelijkgesteld gratis vervoer moeten voorzien zijn van een verbandkist van het "universeel" type. In die verbandkist, welke niet op slot mag gedaan worden doch water- en stofdicht moet zijn, moeten zich ten minste de hiernavermelde voorwerpen en farmaceutische produkten bevinden: Wanneer de hoogste toegelaten massa ervan meer bedraagt dan 5.000 kg, moeten deze voertuigen zijn voorzien van een tweede verbandkist volstrekt gelijk aan deze hierboven beschreven .

 

    §2. De auto's die niet moeten voorzien zijn van een verbandkist van het "universeel" type en die voorzien zijn van de verbanddoos opgelegd voor de motorvoertuigen door het Algemeen Reglement voor arbeidsveiligheid, moeten voorzien zijn van een verbandetui dat ten minste moet bevatten:

Top of page

    §3. Elke verbandkist of -etui moet bevatten:
    1. een lijst waarop de inhoud vermeld is:

    2. een beschrijvende en geïllustreerde toelichtingsnota van de kunstmatige ademhaling volgens de mond aan mond methode met vermelding van de mogelijkheid haar door middel van een mondstuk toe te passen zonder rechtstreekse aanraking;

    3.  
      1. voor de voertuigen in dienst gesteld voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit: hetzij de toelichtingsnota met betrekking tot ´ De eerste hulp voor de aankomst van de arts ª beschreven in de bijlage van de afdeling 111 van titel 11, hoofdstuk 111, van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming, zoals zij voorzien werd bij het koninklijk besluit van 16 april 1965, hetzij de toelichtingsnota opgenomen in artikel 6 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot wijziging van titel 11, hoofdstuk 111, afdeling 111 van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming.

      2. voor de voertuigen in dienst gesteld vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit: de toelichtingsnota met betrekking tot "De eerste hulp voor de aankomst van de arts" opgenomen in artikel 6 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot wijziging van titel 11, hoofdstuk III, afdeling III, van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming.

Top of page

ART 72 KLEUR (zie eveneens M.B. 17.6.77).

    De Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde kan het gebruik van bepaalde kleuren of kleurencombinatie's voor het schilderen van de buitenkant van de voertuigen verbieden. De kleur waarin de voor het bezoldigd vervoer van personen aangewende voertuigen aan de besluitwet moeten geschilderd worden kan worden opgelegd.

 

ART. 73 AANDUIDING VAN DE REISWEG: Ingetrokken (K.B. 14.01..71, art. 49)

 

ART 74 BEWIJS VAN BENUTTIGING: Opgeheven (K.B. 21..02..91, art. 2)

 

ART 75 PUBLICITEIT:

    Geen publiciteit mag worden gevoerd op de buitenste ruiten van de voor het bezoldigd vervoer van personen of voor hiermede gelijkgesteld gratis vervoer gebezigde auto's. Deze bepaling geldt niet voor de dakvensters of de rondingen ervan.

    De dienstaankondigingen die op de buitenste ruiten van die voertuigen voorkomen mogen het uitzicht naar buiten van de reizigers niet belemmeren.

 

ART 76 ALARMTOESTEL:

    De voertuigen die worden gebezigd voor taxidiensten moeten uitgerust zijn met een alarmtoestel dat door de bestuurder kan worden bediend.

inrichting Hdst 7 (2)
 Top of page
Inrichting (4)
naar index autokeuring