|
![]() |
ART 61 TREDEN VOOR IN- OF UTGANGEN VAN AUTOBUSSEN EN AUTOCARS:
4.1. De hoogte van een trede mag niet meer bedragen dan 300 mm en niet minder dan 100 mm.
4.2. Eventuele treden in de toegang naar de nooddeur moeten ten minste 300 mm breed zijn.
4.3. De treden moeten zo zijn aangelegd dat ze overeenstemmen met de meest waarschijnlijke richting waarin de persoon zich zal begeven om de gang te bereiken. De hoogste deurtrede moet symmetrisch gelegen zijn t.o.v. de verticale hartlijn van de gang.
Wanneer er zitplaatsen op verhevenheden zijn ingericht, mag de vloer ervan niet meer dan 300 mm boven de aangrenzende vloer van het voertuig gelegen zijn.
2. Bijkomende voorschriften voor autobussen en autocars in gebruik genomen in nieuwe staat tussen 1 oktober 1971 en 1 juni 1987.
Zo er zich klapstoelen in de gang bevinden, wordt de breedte van deze laatste met opgeklapte stoelen gemeten.
3. Bijkomende voorschriften voor autobussen en autocars in gebruik genomen in nieuwe staat vanaf 1 juni 1987 en waarvan het aantal plaatsen meer bedraagt dan 16, bestuurder niet inbegrepen.
1. Voorschriften toepasselijk op de autobussen en de autocars.
1.1. Elke zitplaats dient per persoon een vrije breedte te bieden van ten minste 430 mm (bijlage 4, maat A). De breedte van de zitting dient ten minste 420 mm per persoon te bedragen.
Deze vrije breedte moet over de ganse diepte van de zitplaats en tot op een hoogte van 650 mm boven de zitting nageleefd worden (bijlage 4, maat B).
Elke zitplaats dient een diepte te bieden van ten minste 400 mm (bijlage 5, maat C), gemeten van de onderkant van de rugleuning tot aan de voorkant van de zitting.
De diepte van de zitting moet ten minste 300 mm bedragen.
De hoogte van de voorkant van de zitplaats boven het daarvoren gelegen vloergedeelte moet begrepen zijn tussen 400 mm en 500 mm (bijlagen 4 en 5, maat D).
Als de vloer voor de zitplaats gelegen is boven de wielkappen mag deze hoogte begrepen zijn tussen 350 mm en 500 mm.
1.2. Ter hoogte van het voorste punt van de zitting moet voor deze laatste een vrije afstand bestaan van ten minste 250 mm (bijlage 5, maat E). Deze maat moet ten minste 400 mm bedragen bij tegenover elkaar geplaatste zitplaatsen (bijlage 5, maat F).
Deze vrije afstand mag deel uitmaken van een gang voor zover deze laatste geen staanplaatsen voor reizigers omvat.
De afstand tussen de rugleuningen van de in dezelfde richting geplaatste zitplaatsen moet ten minste 650 mm bedragen tot op een hoogte van ten minste 620 mm boven de vloer voor de zitplaats (bijlage 5, maten G en P). De afstand, gemeten ter hoogte van de zittingen, tussen de rugleuningen van tegenover elkaar gelegen zitplaatsen moet ten minste 1.250 mm bedragen (bijlage 5, maat H).
Deze afstanden worden gemeten in het middenvlak van de zitplaats en dienen vanaf de zitting, over de ganse hoogte van de rugleuning, hoofdsteun niet inbegrepen, nageleefd te worden.
1.3. De vloer voor de zitplaats moet voorzien zijn van een behoorlijke steun voor de voeten.
Deze oppervlakte, die mag deel uitmaken van een gang voor zover deze laatste geen staanplaatsen voor reizigers omvat, moet vlak zijn en mag, wanneer zij niet horizontaal is, een helling hebben van niet meer dan een derde, aflopend in de richting van de zitplaats waarop zij betrekking heeft.
De breedte van deze oppervlakte moet ten minste 300 mm bedragen (bijlage 4, maat J) en mag zich niet op meer dan 150 mm bevinden van de projectie van het voorste punt van de zitting (bijlage 5, maat K).
De lengte van deze oppervlakte moet ten minste 300 mm bedragen (bijlage 5, maat L). Deze maat moet ten minste 400 mm bedragen bij tegenover elkaar geplaatste zitplaatsen die niet door een gang of door staanplaatsen voor reizigers gescheiden zijn (bijlage 5, maat M).
1.4. Alle zitplaatsen moeten zodanig zijn ingericht dat zij gemakkelijk te bereiken zijn.
1.5. Toebehoren zoals gereedschapskoffers mogen, indien zij onder een zitplaats zijn aangebracht, niet verder reiken dan de voorkant van de zitting.
1.6. Bagagerekken of ander gelijkaardig toebehoren waartegen een reiziger zou kunnen stoten mogen niet op minder dan 900 mm (bijlagen 4 en 5, maat N) boven de zitting zijn aangebracht noch uitstekende delen of scherpe hoeken vertonen die zouden kunnen kwetsen.
1.7. De overlangse zitplaatsen moeten aan elk vrij uiteinde voorzien zijn van een armleuning.
1.8. Klapstoelen zijn slechts toegestaan in de gangen van de autocars met ten hoogste 20 zitplaatsen, zonder die van de bestuurder, doch met inbegrip van de klapstoelen.
Deze klapstoelen moeten voldoen aan de voor de zitplaatsen gestelde eisen, automatisch opklappen wanneer de rugleuning wordt neergeklapt en de opgeklapte stand behouden.
1.9. De zittingen en de rugleuningen moeten voldoende zijn gevoerd en zo zijn vastgemaakt dat zij onderweg niet kunnen verschuiven. Naast elkaar geplaatste zittingen en zitplaatsen moeten zich nagenoeg in een zelfde vlak bevinden.
1.10 Een schot, reikend van op de vloer tot op een hoogte van ten minste 800 mm, moet zijn aangebracht voor de zitplaatsen die zich in de nabijheid van een toegangsdeur met afstandsbediening bevinden en naar deze deur zijn gericht.
2. Bijzondere bepalingen voor personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en kampeerauto's tot het verkeer toegelaten vanaf 1 oktober 1971.
2.2. Verschuifbare zetels en banken moeten automatisch kunnen vergrendeld worden in elk van de voorziene standen.
2.3. Elke zitplaats moet van een rugleuning voorzien zijn. Regelbare rugleuningen moeten vergrendeld kunnen worden in elk van de voorziene standen.
2.4. De zetels en banken die vooruit neergeklapt kunnen worden, evenals de neerklapbare rugleuningen van de voorste zetels en banken, moeten automatisch vergrendeld zijn in normale stand.
2.5. In een voor het bezoldigd vervoer van personen of voor hiermee gelijkgesteld gratis vervoer gebezigde auto of in een kampeerauto moet elke vervoerde persoon over de volledige lengte van zijn zetel over een plaatsruimte van ten minste 400 mm breed en voor zijn zetel over een gemakkelijke steun voor de voeten beschikken.
2.6. In de verblijfsruimte van een kampeerauto dienen de kussens van de zetels zo bevestigd te zijn dat ze niet naar voor kunnen schuiven, zelfs niet bij brutaal remmen.
2.7. Zitplaatsen in de verblijfsruimte van een kampeerauto zijn toegelaten indien er een opening bestaat tussen de bestuurdersruimte en de verblijfsruimte van ten minste 250 mm x 300 mm waardoor mondeling en visueel contact tussen de bestuurder en de passagiers in de verblijfsruimte mogelijk is.
ART 65 STAANPLAATSEN VOOR REIZIGERS:
§2. Een maximum van 7 personen per m2 nuttige oppervlakte wordt toegestaan. In de staanplaatsruimte moet de vrije hoogte overal ten minste 190 cm bedragen. Voor het bepalen van de staanplaatsruimte moet voor de banken die eventueel die ruimte begrenzen een breedte van 30 cm, en voor de wanden tegen dewelke klapstoelen zijn aangebracht een breedte van 10 cm worden afgerekend. Op de treden en in de gangen waarvan de breedte minder dan 40 cm bedraagt mogen geen staanplaatsen zijn voorzien. Voldoende handgrepen, standen of andere steunen moeten binnen het bereik van de reizigers op de staanplaatsen aanwezig zijn.
§3 Wanneer in het toegelaten maximumaantal plaatsen staanplaatsen in de onmiddellijke omgeving van de bestuurder zijn begrepen, moet deze laatste door een stevige inrichting doelmatig zijn beschut tegen ieder dringen of stoten van de reizigers op de staanplaatsen.
De staanplaatsruimte mag zich niet uitstrekken tot voor de voorzijde van de rugleuning van de bestuurderszitplaats in haar meest achteruitgeschoven stand. Deze begrenzing moet op de vloer duidelijk zijn aangeduid door een streep van afstekende, contrasterende kleur met een breedte van ten minste 6 cm. Vooraan in de autobus, boven de voorruit, naast de bestuurderszitplaats, moet het opschrift "Voor de streep geen staanplaatsen" zijn aangebracht.
ART 66 VERLICHTING, VAN DE REIZIGERSRUIMTE:
§2
1° Een verwarmingsinstallatie door rechtstreekse afgifte van warmte door de uitlaatleiding zelf is slechts toegestaan bij voertuigen met dieselmotor.
Voor die voertuigen moeten alle voorzieningen zijn getroffen om te voorkomen dat uitlaatgassen in de reizigers- en in de bestuurdersruimte zouden kunnen dringen.
2° Een uitlaatverwarmingsinstallatie met warmtewisselaar mag bij een voertuig met benzinemotor worden toegepast indien het deel van de uitlaatleiding dat door de warmtewisselaar wordt omsloten van staal is en een wanddikte van tenminste 2 mm heeft.
§3 De auto's die worden gebruikt voor het bezoldigd vervoer van personen of voor hiermede gelijkgesteld gratis vervoer moeten voorzien zijn van een doelmatige verwarmingsinstallatie in verhouding tot de capaciteit van het voertuig.
Wanneer een scheidingswand is aangebracht tussen de bestuurders- en reizigersruimte, moeten alle maatregelen genomen worden voor een behoorlijke verwarming van de verschillende ruimten
§4 Wanneer een voertuig uitgerust is met een installatie op vloeibaar oliegas (L.P.G.) voor de bereiding van warme maaltijden of dranken moet deze installatie beantwoorden aan de veiligheidsvoorschriften uitgevaardigd door de Minister van Verkeerswezen of diens afgevaardigde.
ART 68bis Constructie KENMERKEN van de REIZIGERSRUIMTE van AUTOBUSSEN en AUTOCARS met het oog op de Voorkoming van BRANDGEVAAR:
In de autobussen en autocars voor het eerst in dienst gesteld vanaf juni 1987 dient de reizigersruimte aan de volgende voorwaarden te voldoen
1. De reizigersruimte moet van de motorruimte van de ruimte waarin zich de brandstoftank bevindt en van de zones waarvan een groot brandgevaar kan uitgaan gescheiden zijn door wanden en vloeren die geen brandstof kunnen doorlaten en die zodanig uitgevoerd zijn dat voldoende weerstand tegen branddoorslag wordt geboden. Leidingen, verwarmings- en luchtkanalen die in deze ruimte uitmonden moeten zodanig zijn opgevat en uitgevoerd dat vlammen niet rechtstreeks in deze ruimte kunnen binnendringen. Doorvoeringen door wanden en vloeren die brandwerend moeten zijn. moeten dienovereenkomstig zijn geconstrueerd
2 Alle gebruikte materialen in deze ruimte moeten aan de volgende voorwaarden voldoen
2.1 De vlamuitbreidingssnelheid van bedoelde materialen getest overeenkomstig de methode genoemd in de normen ISO 3795 of DIN 75200 of FMVSS 302 of FMVSS 302 of UTAC ST 18-502 of NEN 3883, mag niet meer bedragen dan 11 cm/min.
2.2. De volgende delen zijn niet aan bovenvermelde vereisten onderworpen:
2.2 1 de onderdelen van zitbanken die niet uit metaal zijn vervaardigd en waarvan de massa minder dan 201 g is. De totale massa van deze onderdelen mag in dit geval niet meer dan 400 g zitplaats bedragen.
2.2 2 de delen waarvan respectievelijk de oppervlakte of het volume de hieronder vermelde waarden niet overschrijden:
3 Het Nationaal Instituut voor de Extractie Bedrijven rue du Chera 200 4000 Liège word belast met de controle van de voorschriften opgenomen in punt 2.
ART 69 WAARSCHUWINGSTOESTELLEN VOOR DE REIZIGERS:
§1. De auto's die worden gebruikt voor het bezoldigd vervoer van personen of voor hiermede gelijkgesteld gratis vervoer moeten voorzien zijn van een bij de bestuurder aangebracht elektrisch alarmsignaal. De bedieningsorganen hiervan moeten oordeelkundig in de reizigersruimte zijn geplaatst.
Deze voorschriften gelden niet voor personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en voertuigen waarvan de maximale toegelaten massa niet meer dan 2.500 kg bedraagt, voor zover de bestuurder niet door middel van een schot volledig van de reizigers is afgescheiden.
§2. De autobussen die worden gebezigd voor een openbare autobusdienst moeten bovendien zijn voorzien van een bij de bestuurder aangebrachte optische verklikker en van een geluidssignaal waarmede het mogelijk is de halte aan te vragen. De elektrische bedieningsorganen, alsmede één of verschillende lichtsignalen welke duidelijk aangeven dat de halte werd aangevraagd, moeten oordeelkundig in de reizigersruimte zijn geplaatst. Het geluidssignaal moet zodanig zijn, dat de werking ervan wordt onderbroken zodra de halte werd aangevraagd. De optische verklikker en de lichtsignalen moeten automatisch in werking worden gesteld en moeten uitgaan met het openen van de deuren.
§3. De in paragrafen 1 en 2 voorgeschreven inrichtingen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat verwarring uitgesloten is.
|
|||||
|
|
|