HOOFDSTUK VII. Inrichting. (deel 4)

naar index
inrichting Hdst 7 (3) bijzondere bepalingen
naar mijn homepage

ART 61 TREDEN VOOR IN- OF UTGANGEN VAN AUTOBUSSEN EN AUTOCARS:

    1. Indien de vloer bij de deuren van het onbeladen voertuig meer dan 450 mm boven het wegdek gelegen is, moet een trede voorzien zijn op ten hoogste 450 mm boven het wegdek.

      Wanneer de hoogte tussen deze trede en de vloer meer dan 300 mm bedraagt, moeten een of meer bijkomende treden zijn aangebracht; de hoogte van elk van deze bijkomende treden mag nooit meer dan 300 mm bedragen.

    2. De diepte van elke trede, gemeten vanaf de projectie erop van de voorkant van de daaropvolgende trede of van de vloer, moet ten minste 200 mm bedragen.

      Elke trede moet in de breedte overeenkomen met ten minste 360 mm van de vrije doorgang van de deur. Iedere uitsnijding in de vloer die niet noodzakelijk is voor de werking van de deur is verboden bij de treden.

    3. Bij gesloten deuren moeten de treden van buiten af ontoegankelijk zijn. De uithollingen in de vloer mogen niet worden afgesloten door aan de deur bevestigde delen die een gevaar voor de reizigers kunnen betekenen.

      Elke trede moet behoorlijk verlicht zijn, bekleed met een materiaal met een hoge adhesiecoefficient en mag geen scherpe randen hebben.

    4. Bijkomende voorschriften voor voertuigen in nieuwe staat in gebruik genomen vanaf 1 juni 1987, en waarvan het aantal plaatsen meer dan 16 bedraagt, bestuurder niet inbegrepen.

      4.1. De hoogte van een trede mag niet meer bedragen dan 300 mm en niet minder dan 100 mm.

      4.2. Eventuele treden in de toegang naar de nooddeur moeten ten minste 300 mm breed zijn.

      4.3. De treden moeten zo zijn aangelegd dat ze overeenstemmen met de meest waarschijnlijke richting waarin de persoon zich zal begeven om de gang te bereiken. De hoogste deurtrede moet symmetrisch gelegen zijn t.o.v. de verticale hartlijn van de gang.

Top of page

ART 62 VLOER:

    1. De vloer moet volkomen dicht zijn en bekleed met een materiaal met een hoge adhesiecoefficient. Indien luiken in de vloer zijn aangebracht, moet het binnendringen van uitlaatgassen, stof, enz. op doelmatige wijze verhinderd worden.

    2. De vloer mag geen hinderlijke uitstekende delen vertonen. De helling van de vloer van het onbeladen voertuig mag nergens meer bedragen dan 12,5% deze maximumwaarde wordt verminderd tot 6,5% op de ruimten voorbehouden voor rechtstaande reizigers.

    3. Indien in de vloer van de gang treden zijn aangebracht, moeten deze een hoogte hebben van ten minste 80 mm en ten hoogste 200 mm en behoorlijk gesignaleerd zijn. Aan deze laatste eis mag onder andere worden voldaan door het aanbrengen van tekens van contrasterende kleur of door een aangepaste verlichting.

      Wanneer er zitplaatsen op verhevenheden zijn ingericht, mag de vloer ervan niet meer dan 300 mm boven de aangrenzende vloer van het voertuig gelegen zijn.

Top of page

ART 63 GANGEN:

1.1. Tussen elke bedrijfsdeur en om het even welke ruimte tussen aan dezelfde kant van het voertuig gelegen zitplaatsen moet er een gang bestaan.

1.2. De vrije hoogte in de gang mag niet minder bedragen dan:

1.2.1. 1.500 mm bij voertuigen waarvan de maximale toegelaten massa meer dan 2.500 kg doch niet meer dan 5.000 kg bedraagt;

1.2.2. 1.650 mm bij voertuigen waarvan de maximale toegelaten massa meer dan 5.000 kg bedraagt .
De hierboven voorgeschreven minimumwaarden bedragen respectievelijk 1.650 mm en 1.800 mm bij de autobussen.

1.3. De vrije breedte van de gang mag niet minder bedragen dan 300 mm tot op de hoogte van 900 mm boven de vloer van het voertuig.
Boven deze hoogte moet de gang derwijze verbreden dat hij ten minste 500 mm breed is vanaf een hoogte van 1.150 mm boven de vloer.
De hiervoren voorgeschreven minimumwaarden worden met 50 mm verminderd bij voertuigen waarvan de maximale toegelaten massa niet meer dan 2.500 kg bedraagt.

1.4. Indien bij autocars de zitplaatsen aan weerszijden van de gang zijwaarts verstelbaar zijn, mogen de minimumwaarden voor de breedte met 80 mm worden verminderd, op voorwaarde dat iedere zetel voorzien is van een gemakkelijk te gebruiken bediening die een in de gang rechtstaande reiziger toelaat de zetel gemakkelijk in zijn normale stand terug te plaatsen.

1.5. De breedte moet worden gemeten tussen twee verticale rechten getrokken door de twee het dichtst bij elkaar gelegen punten aan weerszijden van de gang. Wat de hoogte betreft, mag voor de afronding tussen het dak en de wanden van het koetswerk van deze voorschriften worden afgeweken tot op een afstand van 500 mm van het verticaal gedeelte van het koetswerk.

1.6. De zetel ter hoogte van een bedrijfsdeur voor de vooras die de doorgang belemmert, moet regelbaar of wegklapbaar zijn. De zetel mag vergrendeld zijn in zijn gebruiksstand; in dit geval moet hij voorzien zijn van een inrichting die toelaat de doorgang op een eenvoudige en gemakkelijke manier vrij te geven. Het bedieningsorgaan moet gemakkelijk bereikbaar zijn voor een rechtstaande reiziger die zich in de middengang bevindt. Na bediening moet de minimum doorgang automatisch vrijgegeven worden.

Top of page

3.1. Zo er zich klapstoelen in de gang bevinden, wordt de breedte van deze laatste met de stoelen in gebruiksstand gemeten.

3.2. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen zoals deuren, luiken en andere delen, die in gebruiksstand de vrije doorgang belemmeren, zijn niet toegestaan, tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrij geeft.

Top of page

ART 64 REIZIGERSZITPLAATSEN:

1. Voorschriften toepasselijk op de autobussen en de autocars.

Top of page

2. Bijzondere bepalingen voor personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en kampeerauto's tot het verkeer toegelaten vanaf 1 oktober 1971.

Top of page

ART 65 STAANPLAATSEN VOOR REIZIGERS:

Top of page

ART 66 VERLICHTING, VAN DE REIZIGERSRUIMTE:

Top of page

ART 67 VERWARMING:

Top of page

ART 68 VENTILATIE:

 

ART 68bis Constructie KENMERKEN van de REIZIGERSRUIMTE van AUTOBUSSEN en AUTOCARS met het oog op de Voorkoming van BRANDGEVAAR:

Top of page

ART 69 WAARSCHUWINGSTOESTELLEN VOOR DE REIZIGERS:

inrichting Hdst 7 (2)
 Top of page
Inrichting (4)
naar index autokeuring