HOOFDSTUK VII. Inrichting. (deel 2)

naar index
inrichting Hdst 7 (1)
 
Inrichting (3)
naar mijn homepage

(RUITEN - DEUREN)

Wijzigingen in voege op 1 mei 2003 zijn in het grijs gekleurd. (art 58 punt2.2)

ART 58 GLASWERK

1. Voorruit.

1.1. De voorruit of -ruiten van de auto's moeten bestaan uit gelaagd of gehard (K.B. 3.8.81, art. 11, 1) duurzaam en doorzichtig glas, waarbij de doorzichtigheid gelijk moet zijn aan weerszijden van de beglazing, en dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt

1.2. Vanaf 1.7.81 moeten de voorruiten, bestemd voor auto's waarvan de goedkeuringsaanvraag vanaf die datum wordt ingediend, goedgekeurd worden overeenkomstig de voorschriften vervat in de bijlage10 (K.B. 3.8.81, art. 11, 2) aan dit besluit.

1.3. Daarenboven zullen, tussen 1 juli 1981 en 1 juli 1986, de auto's geleidelijk aan moeten uitgerust worden met een goedgekeurde voorruit in gelaagd glas, volgens onderstaand tijdsschema:

Top of page

2. Andere doorzichtige panelen. (art 58)
 
2.1 Met andere doorzichtige panelen worden de panelen bedoeld die bestemd zijn om, naargelang het geval, de zichtbaarheid of de lichtdoorlaatbaarheid te waarborgen van een plaats naar een ander wanneer deze gescheiden worden door een wand.
Bedoelde panelen kunnen:
 
  • zij, achter- of dakpanelen van auto's zijn;
  • voor, zij-, achter-, of dakpanelen van aanhangwagens zijn
  • scheidingspanelen in de binnenruimte van auto's of hun aanhangwagens zijn;
 
2.2. De doorzichtigheid van de doorzichtige panelen moet gelijk zijn aan weerszijden van het paneel. (gekleurd glas en/of zelfklevende films)
« Bij voertuigen van categorie M1, worden op de vooruit en de voorste zijruiten geen zelfklevende filmen of niet originele bedekkingen aangebracht. Deze bepaling geldt eveneens voor de achterruit indien het voertuig niet voorzien is van een buitenspiegel langs de tegenoverliggende kant van de bestuurder. »
 
2.3. Zij moeten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt .
 
2.4. De glazen panelen moeten uitgevoerd worden in gelaagd of gehard glas.
 
2.5. Vanaf 1.7.82 moeten de in punt 2.4. van dit besluit bedoelde panelen, bestemd voor de auto's en hun aanhangwagens waarvan de goedkeuringsaanvraag ingediend wordt vanaf die datum, goedgekeurd zijn overeenkomstig de voorschriften vervat in bijlage 10 aan dit besluit. (K.B. 3.8.81, art. 11, 3)
 
3. De voor het vervoer van personen gebezigde auto's moeten in elke zijwand voorzien zijn van ruiten of doorzichtige panelen, waarvan de gemiddelde totale lengte tenminste 65 %, moet bedragen van de gemiddelde lengte van de reizigersruimte. Deze ruiten of doorzichtige panelen moeten behoorlijk over de ganse lengte van deze ruimte verdeeld zijn en een rationele hoogte hebben.
 
4.1. De bepalingen van de punten 2.2., 2.5., 3., gelden echter niet voor celvoertuigen en voertuigen van de ordetroepen.
4.2. Het bepaalde in punt 2.2., geldt niet voor ziekenauto's en voor vervoer van fondsen en waarden .
4.3. De voorschriften van punten 1, 2.5 en 3 gelden niet voor ruiten in kogelvrij glas en die behoeden voor aanvallen.
Op behoorlijk gerechtvaardigd verzoek van de constructeur of verbouwer van het voertuig, wordt de goedkeuring echter vervangen door een attest, uitgereikt door de Minister van Verkeerswezen of diens gemachtigde. Dit attest moet zich steeds aan boord van het voertuig bevinden.

Top of page

5. Goedkeuringsprocedure. (art 58)

5.1. De aanvragen om goedkeuring moeten in 3 exemplaren ingediend worden bij het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur, Wegverkeer - Technische Directie, Wetstraat 155, 1040 Brussel.

5 2 Het laboratorium erkend voor het verrichten van de proeven is het Nationaal Glasinstituut, Boulevard Defontaine 10, 6000 Charleroi.

5.3. Op de goedgekeurde beglazingen moet een goedkeuringsmerk worden aangebracht, dat bestaat uit:
 
  • een cirkel met daarbinnen de letter "B" of het symbool "Ex" waarbij x het codenummer voorstelt van een der landen toegetreden tot het Akkoord van 1958 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties betreffende het aanvaarden van eenvormige goedkeuringsvoorwaarden en de wederzijdse erkenning van de goedkeuring van uitrustingen en delen van motorvoertuigen;

  • het goedkeuringsnummer, geplaatst rechts van of onder de cirkel een bijkomend symbool voor de voorruiten geplaatst boven of links van de cirkel.
Dit symbool is:
I voor de ruiten in gehard glas
II voor de ruiten in gewoon gelaagd glas
III voor de ruiten in behandeld gelaagd glas.
 
6. De Minister van Verkeerswezen of zijn gemacbtigde is gemachtigd bilaterale overeenkomsten voor wederzijdse erkenning van de goedkeuring van veiligheidsbeglazing tot stand te brengen met landen, die reglementering hebben welke gelijkwaardig zijn met de in artikel vervatte reglementering.

Top of page

ART 59 IN- EN UITGANGEN VAN DE AUTO'S:

1. Deuren.

1.1. Deuren in de zijwanden van de auto's.
Wanneer de deuren in de zijwanden eendelige draaideuren zijn die om een verticale of nagenoeg verticale as draaien, moeten het deuren met scharnieren naar voren zijn.

Deze bepaling is niet van toepassing op de voertuigen voor traag vervoer.

1.2. Voorschriften van toepassing op de voertuigen van categorie MI.

1.2.1. Voorschriften van de richtlijn 70/387/EEG.
1.2.1.1. De voorschriften van de richtlijn 70/387/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lidstaten betreffende deuren van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, toegepast volgens de modaliteiten vastgelegd in artikelen 3 en 3bis, mogen, op aanvraag van de constructeur, toegepast worden.

1.2.1.2. Het in §3 van artikel 3bis gevraagde bewijs zal bestaan uit een proefnemingsverslag afgeleverd hetzij door het Hoger Instituut voor Verkeersveiligheid v.z.w., Haachtsesteenweg 1405, 1 130 Brussel, hetzij door het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur, Wegverkeer - Technische Directie, Wetstraat 155, 1040 Brussel.

1.2.2 Voorschriften van het Reglement nr. 11 ECE.

1.2.2.1. De voorschriften van het Reglement nr. 11 van de Economische Commissie voor Europa van Geneve, en zijn reeksen amendementen 01 en 02, respectievelijk van kracht geworden op 6 mei 1974 en 15 maart 1981 houdende eenvormige voorschriften inzake de goedkeuring van voertuigen betreffende de weerstand van de sloten en scharnieren van de deuren, toegepast volgens de modaliteiten vastgelegd in artikel 3ter, mogen, op aanvraag van de constructeur, toegepast worden.

1.2.2.2. Het in §3 van artikel 3ter gevraagde bewijs zal bestaan uit een proefnemingsverslag afgeleverd hetzij door het Hoger Instituut voor Verkeersveiligheid v.z.w., Haachtsesteenweg 1405, 1130 Brussel, hetzij door het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur, Wegverkeer - Technische Directie, Wetstraat 155, 1040 Brussel.

Top of page

2. Bijzondere voorschriften toepasselijk op de in- en uitgangen van de autobussen en de autocars in gebruik genomen in nieuwe staat voor 1 juni 1987 evenals van de autobussen en de autocars in gebruik genomen in nieuwe staat vanaf 1 juni 1987 en waarvan het aantal plaatsen bestuurder niet inbegrepen, minder bedraagt dan 17.

2.1. Bedrijfsdeuren in de autobussen en autocars.

De autobussen met een maximale toegelaten massa van meer dan 5.000 kg moeten voorzien zijn van ten minste twee bedrijfsdeuren. Een van deze deuren moet in de rechter zijwand zijn gelegen.

De andere voertuigen mogen met één enkele bedrijfsdeur uitgerust zijn.

Bij de voertuigen met een maximale toegelaten massa van meer dan 5 000 kg moet deze deur zich in de rechter zijwand bevinden.

In de linker zijwand mag geen enkele bedrijfsdeur zijn aangebracht.

De bedrijfsdeuren moeten een vrije doorgang laten van ten minste:
  • 1.000 mm hoog en 500 mm breed bij de voertuigen waarvan de maximale toegelaten massa niet meer bedraagt dan 2 500 kg;
  • 1.300 mm hoog en 550 mm breed bij de voertuigen waarvan de maximale toegelaten massa meer dan 2 500 kg doch niet meer dan 5 000 kg bedraagt:
  • 1.600 mm hoog en 600 mm breed bij de voertuigen waarvan de maximale toegelaten massa meer dan 5 000 kg bedraagt.

Voor de bepaling van voormelde breedte van 600 mm wordt geen rekening gehouden met de deurkrukken, handgrepen of andere inrichtingen om het in- en uitstappen van de reizigers te vergemakkelijken, voor zover de vrije doorgang niet kleiner is dan 550 mm.

De deuren moeten zo opengaan dat de buitenkant niet naar de doorgang voor de reizigers gekeerd is.
Eendelige draaideuren in de zijwand, die om een verticale of nagenoeg verticale as draaien, zijn niet toegelaten bij de autobussen.
Bij de op afstand bediende deuren moet het mechanisme voor servobediening zodanig zijn uitgevoerd, dat de bestuurder elke deur afzonderlijk kan openen en sluiten of ontgrendelen. Deze deuren moeten bovendien voorzien zijn van een noodinrichting waarmee zij, in spoedgevallen, door de reizigers kunnen geopend worden.

Autobussen moeten voorzien zijn van deuren met servobediening.

Deze laatste mogen uitgerust zijn met twee bedieningen, waarvan de ene zich binnenin het voertuig bevindt dichtbij de deur die zij bedient en de andere erbuiten in een nis dichtbij de deur.
De met de hand bediende deuren moeten uitgerust zijn met een sluiting die op eenvoudige wijze en ogenblikkelijk te bedienen is; deze inrichting moet het toelaten de deur langs buiten te sluiten en haar toch van binnenin te openen.
Bij de deuren moeten handgrepen of andere inrichtingen om het in- en uitstappen van de reizigers te vergemakkelijken zijn aangebracht.

2.2. Door de bestuurder te gebruiken deuren in autobussen en autocars.
Indien de bestuurder moeilijk zijn zitplaats kan bereiken langs een bedrijfsdeur, moet hij beschikken over een deur voor toegang tot de bestuurdersruimte. De deur voor de bestuurder moet met handbediening zijn en een gemakkelijke toegang tot zijn zitplaats verlenen.

2.3. De deur van een autobus of autocar die alleen toegang verleent tot de zitplaatsen naast de bestuurder wordt niet als een bedrijfsdeur beschouwd. Zij dient nochtans te beantwoorden aan de bepalingen die gelden voor de zijdeuren van de auto's.

2.4. Nooduitgangen. (art 59)
2.4.1. De autobussen en de autocars moeten uitgerust zijn met nooduitgangen die aan de volgende voorwaarden voldoen:
2.4.1.1. De nooduitgangen bestaan uit deuren, ramen of luiken. De bedrijfsdeuren en de deur voor de bestuurder worden, wanneer zij verplicht zijn, niet als nooduitgangen beschouwd.
Er moet ten minste één nooduitgang bestaan in de voertuigen waarvan de maximale toegelaten massa niet meer bedraagt dan 2 500 kg, ten minste twee in de voertuigen waarvan de maximale toegelaten massa meer dan 2 500 kg doch niet meer dan 5 000 kg bedraagt en, in de voertuigen waarvan de maximale toegelaten massa meer dan 5 000 kg bedraagt, ten minste drie of ten minste vier, naargelang het voertuig met twee of met een enkele bedrijfsdeur is uitgerust.
De nooduitgangen mogen zich niet in dezelfde wand als de bedrijfsdeuren bevinden. Bij voertuigen die van ten minste vier nooduitgangen moeten zijn voorzien, mag een van deze nooduitgangen zich evenwel in dezelfde wand als de bedrijfsdeuren bevinden.
Wanneer verscheidene nooduitgangen verplicht zijn, mogen deze niet alle in dezelfde wand zijn angebracht.
Elke nooduitgang moet binnen het voertuig duidelijk zijn gesignaleerd door een opschrift ´Nooduitgangª of door een van de pictogrammen waarvan het model in bijlage 11 van het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming is vastgelegd.
 2.4.1.2. De nooddeuren moeten gemakkelijk van binnenin en van buitenuit te openen zijn.
Het is evenwel toegestaan dat de deur aan de buitenzijde met een sleutel kan worden afgesloten voor zover zij te allen tijde van binnenin zonder sleutel kan worden geopend. Het is eveneens toegestaan dat de afsluitinrichting aan de binnenzijde met een lichte, gemakkelijk te verbreken vastzetting verzegeld is.
 2.4.1.3. De noodramen moeten hetzij uitgerust zijn met een inrichting voor het uitwerpen van de ruit, hetzij van binnenin en van buitenuit gemakkelijk en ogenblikkelijk te openen zijn, hetzij voorzien zijn van een inrichting om de ruit uit te slaan. In dit laatste geval mag de betrokken inrichting bestaan uit een in het voertuig, in de onmiddellijke nabijheid van elk noodraam aangebrachte hamer en moeten de ruiten gemakkelijk breekbaar zijn. Te dien einde mogen gelaagd glas of plastiekstoffen niet in noodramen gebruikt worden.
 2.4.1.4. De noodluiken in het dak moeten aangebracht zijn boven een zitplaats of andere steunen die het mogelijk maken deze luiken te bereiken. Het moeten uitwerp- of schuifluiken zijn.
Klapluiken zijn niet toegestaan.
 2.4.1.5. De nooduitgangen verwezenlijkt door middel van uitwerpbare ruiten of luiken moeten door de Minister van Verkeerswezen of zijn gevolmachtigde zijn goed bevonden.
 2.4.1.6. De minimumafmetingen van de nooduitgangen moeten 700 mm x 500 mm bedragen.
Deze afmetingen mogen worden verminderd tot 600 mm x 400 mm voor de voertuigen waarvan de maximale toegelaten massa niet meer dan 2 500 kg bedraagt en tot 500 mm x 500 mm voor de noodluiken. In geen geval mogen de nooduitgangen door binnen- of buiteninrichtingen van het voertuig versperd worden.
3. Bijzondere voorschriften toepasselijk op de kampeerauto's. (art 59)
3.1. De verblijfsruimte van een kampeerauto dient ten minste van een gemakkelijk bereikbare nooduitgang voorzien te zijn die zich niet in dezelfde wand als de bedrijfsdeuren bevindt. De minimunafmetingen van deze nooduitgang dienen 400 mm x 600 mm te zijn.
3.2. Indien er een gemakkelijke doorgang naar de bestuurdersruimte bestaat, mag een van de bestuurdersruimte voorziene uitgangen als nooduitgang beschouwd worden voor zover hij aan de voorschriften van punt 3.1. beantwoordt.
3.3. Indien de nooduitgang slechts door het breken van het glas kan geopend worden, dient een noodhamer in de onmiddellijke nabijheid van deze uitgang aan de wand bevestigd te zijn.

4. De bepalingen van dit artikel gelden niet voor de celwagens voor zover zij beantwoorden aan de speciale voorwaarden gesteld door de Minister van Justitie.

inrichting Hdst 7 (1)
 Top of page
Inrichting (3)
naar index technisch reglement