|
![]() |
ART 57 Bestuurdersruimte, zitplaats, Binnen- en buiteninrichting, Kantelbeveiligingsinrichtingen op landbouwtrekkers.
§1.
Alle voorzieningen dienen getroffen om te voorkomen dat de bestuurder zou gehinderd worden door de binnenverlichting van het voertuig.
§2.
Indien de motor zich geheel of gedeeltelijk in de personenruimte bevindt, moet deze van de binnenruimte hermetisch zijn afgesloten door niet-brandbare, isolerende wanden van deugdelijke constructie.
§3.
Vloer en schutbord moeten stevig zijn bevestigd en mogen geen onnodige openingen vertonen.
§4.
Het besturen van het voertuig moet zonder belangrijke lichaamsverplaatsing kunnen geschieden. De zitplaats van de bestuurder moet stevig zijn bevestigd en zo zijn aangebracht dat zij slechts kan verschuiven door middel van een hiervoor bestemde inrichting. De zitplaats moet, van aan het voorvlak van de rugleuning tot aan de voorkant van de zitting ten minste 35 cm diep zijn.
De plaatsruimte voor de bestuurder moet ten minste 55 cm breed zijn, waarbij ten minste 27,5 cm aan weerszijden van het middenpunt van het stuurwiel moet gelegen zijn.
Voor ten minste een van de standen van de bestuurderszitplaats moet de kleinste afstand tussen het meest naar achteren gelegen punt van het stuurwiel en de rugleuning van die zitplaats, horizontaal gemeten, ten minste 35 cm bedragen. De bestuurderszetel met een gewicht van 75 kg belast zijnde moet de verticale afstand tussen het laagst gelegen punt van het stuurwiel en de zitting van die zetel ten minste 16 cm bedragen.
§5.
De hierboven bedoelde plaatsruimten worden gemeten op de zitting ter plaatse van de rugleuning. Voor andere voertuigen dan personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen moeten die afmetingen tot een hoogte van ten minste 65 cm vertikaal daarboven aanwezig zijn. De eisen waaraan de sterkte van de zitplaatsen en van hun bevestiging moeten voldoen, worden door Ons bepaald. (Voor de goedkeuring van de zitplaatsen en hun bevestiging: zie K.B. 3.12.76/Stbl. 24.12.76.)
§6.
Wanneer de hoogste toegelaten massa van die voertuigen meer dan 5.000 kg bedraagt, moeten zij van een afzonderlijke, in hoogte en langsrichting afstelbare bestuurderszitplaats zijn voorzien.
§7. Binneninrichting. (art 57)
1° De voertuigonderdelen waaraan de inzittenden zich kunnen stoten als zij bij het onvoorziene vertragen of stoppen vooruit vliegen, mogen geen gevaarlijke uitstekende delen noch scherpe punten vertonen, die het gevaar of de graad voor verwondingen van de inzittenden kunnen vergroten.
2° De inrichting voor het openen van het dak moet zodanig opgevat en uitgevoerd zijn dat verhinderd wordt dat een onvoorziene werking zich voordoet, zoals onder meer bij een ongeval.
3° De deuren van de kasten en van de huishoudapparaten mogen niet onverwachts opengaan door de beweging van het rijdend voertuig, zelfs niet brutaal remmen.
4° De voorschriften van de Richtlijn 78/932/EEG van de Raad van de Europese gemeenschappen van 16 oktober 1978 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten betreffende hoofdsteunen van zitplaatsen van motorvoertuigen, of van het Reglement 25 van de Economische Commissie voor Europa van Genève en de op 11 augustus 1981 van kracht geworden reeks amendementen 01 op gezegd Reglement inzake de goedkeuring van de al of niet in de zetels ingebouwde hoofdsteunen, zijn bindend voor alle voertuigen waarvoor de aanvraag om goedkeuring vanaf 1 januari 1986 wordt ingediend. (K.B. 16.11.84, art. 17, 2)
[ 5° De bijlagen van richtlijn 74/408/EEG van de Raad van de Europees Gemeenschappen van 29 juli 1974 betreffende de binneninrichting van motorvoertuigen (weerstand van zetels en hun bevestiging) omgezet in Belgisch recht door het koninklijk besluit van 3 december 1978 betreffende de goedkeuring per type motorvoertuig aangaande de zetels en hun bevestiging, gewijzigd door richtlijn 96/37/EG van de Commissie van 17 juni 1996 omgezet in Belgisch recht door voornoemd koninklijk besluit van 26 februari 1981, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 7 oktober 1996, zijn van toepassing op voertuigen die voor het eerst ingeschreven of in verkeer gesteld worden vanaf 31 maart 2003. ] [toegevoegd door KB. 21 okt 2002]
§8. Buiteninrichting. (art 57)
Inzake buiteninrichtingen moeten de voertuigen aan de volgende eisen beantwoorden:
1° Het carrosseriegedeelte voor de voorruit mag naar voren gericht geen uit technische oogpunt niet onmisbaar noodzakelijke of bijkomstige elementen, noch sierstukken dragen:
2° De zij- en achterkanten mogen geen van technisch standpunt niet onmisbare onderdelen noch puntige of snijdende sierstukken dragen.
§9.
§10. Kantelbeveiligingsinrichtingen op landbouwtrekkers.
2° Het in artikel 3bis, § 3 gevraagde bewijs zal bestaan uit een proefnemingsverslag afgeleverd hetzij door de Vereniging van Belgische Industrielen v.z.w., A. Drouartlaan 27-29, 1160 Brussel, hetzij door het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur, Wegverkeer - Technische Directie, Wetstraat 155, 1040 Brussel.
3° Vanaf 1 juli 1988 zijn de voorschriften van 1° bindend voor al de voertuigen waarvoor de aanvraag om goedkeuring vanaf die datum wordt ingediend.
4° Vanaf 1 juli 1989 zijn de voorschriften van 1° bindend voor al de voertuigen die vanaf die datum voor de eerste maal in nieuwe staat in dienst gesteld worden. (K.B. 9.5.88, art. 5)
|
|||||
|
|
|