HOOFDSTUK Vl Constructie.
(koppeling - schokbrekers - antidiefstal)

naar index
constructie Hdst 6(10)
 
Bestuurdersruimte, -zitplaats, binnen- en buiteninrichting
naar mijn homepage

Art 54 Verbindingen van het trekkend voertuig met de aanhangwagens.

§1. Koppeling.

    1° De onderlinge verbinding tussen trekkende en getrokken voertuigen mag slechts geschieden door één enkele, voldoend stijve en sterke koppeling.

    2° De koppeling moet behoren tot een door de Minister van Verkeerswezen of zijn afgevaardigde goedgekeurd type.

    3° De koppeling moet zijn voorzien van een sluitinrichting met een borging. Deze inrichting dient zodanig te zijn uitgevoerd dat de koppeling tijdens het rijden gesloten en geborgd blijft en niet kan losraken. De borging mag slechts kunnen worden aangebracht indien de koppeling is gesloten. Bovendien dient de sluitinrichting zodanig te zijn uitgevoerd dat wanneer de koppeling niet geborgd is, deze tijdens het rijden deugdelijk gesloten blijft.

    4° Indien de maximale toegelaten massa van de aanhangwagen meer dan 3 500 kg bedraagt moet bij het aankoppelen de onder 3° bedoelde sluitinrichting automatisch werken.

    5° De bevestiging van de koppeling aan het trekkend voertuig dient te geschieden aan de langsliggers, dan wel aan hetgeen deze vervangt, of aan dwarsbalken of andere chassisdelen mits deze daartoe bestemd of geschikt gemaakt en deugdelijk met de langsliggers verbonden zijn.

    6° Het hart van de opleggerkoppeling mag zich niet achter de hartlijn van de achteras(sen) van de trekker bevinden.

    7° Koppelingen mogen niet meer dan 15 cm buiten de omtrek van het trekkende voertuig uitsteken.

    8° Bij ontkoppelen mogen geen delen van de koppeling de grond kunnen raken.

Top of page

§2. Hulpkoppeling. (art 54)

    1° Aanhangwagens met een losbreekrem mogen niet voorzien zijn van een hulpkoppeling.

    2° Aanhangwagens die niet voorzien zijn van een losbreekrem moeten bestendig benevens van een koppeling, voorzien zijn van een hulpkoppeling en van een toestel dat bij koppelingbreuk verhindert dat de dissel de grond raakt.

    3° De hulpkoppeling mag bestaan uit één of twee kabels of kettingen en dient zo dicht mogelijk bij het middelste lengtevlak van het voertuig aangebracht te worden. De hulpkoppeling moet het mogelijk maken dat de aanhangwagen geladen tot zijn maximale toegelaten massa gesleept wordt door het trekkend voertuig.

    4° Voor aanhangwagens met een bedrijfsrem mag de hulpkoppeling de werking van de reminrichting niet belemmeren.

    5° De hulpkoppeling mag slechts in werking treden na het losraken van de koppeling.

§3. Dissel. (art 54)

    1° De dissel moet zo gebouwd en bevestigd zijn dat hij in alle omstandigheden zonder breuk of blijvende vervorming bestand is tegen de optredende krachten.

    2° Elke aanhangwagen waarvan de vooras met een draaikrans is uitgerust moet van een trekdriehoek zijn voorzien.

    3° De trekdriehoek mag niet van buis of ander gesloten profiel zijn vervaardigd.

§4. Verticale kracht op het koppelingspunt. (art 54)

    1° Bij éénassige aanhangwagens dient deze kracht naar beneden te werken bij stilstand van de aanhangwagen op een horizontaal vlak.

    2° Deze kracht mag niet lager liggen dan 2 pct. noch hoger dan 10 pct. van de maximale toegelaten massa van de aanhangwagen. De gebruikte koppeling en de bevestigingsinrichting van de voertuigen moeten hiertoe opgevat en gebouwd zijn. Deze bepaling geldt niet voor opleggers en voertuigen voor traag vervoer.

§5. Draaikrans. (art 54)

    De draaikrans moet behoren tot een voorafgaandelijk door de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde goedgekeurd type.

Top of page

§6. Goedkeuring. (art 54)

    1° De aanvraag om goedkeuring van een koppeling of van een draaikrans dient door de constructeur van die verbindingen schriftelijk ingediend te worden bij het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur, onderscheiden van de in artikel 3 voorgeschreven aanvraag om goedkeuring van het type van chassis of zelfdragend voertuig.

    2° De aanvraag moet vergezeld gaan van een getuigschrift van de constructeur alsmede van de door de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde met het oog op de goedkeuring gevorderde bescheiden.

    In dit getuigschrift moeten vermeld zijn:

    1. voor alle koppelingen, de maximale toegelaten massa van de aanhangwagen(s);
    2. bovendien, voor de opleggerkoppelingen en de kogeldraaikransen van de aanhangwagens, de maximale toegelaten massa onder die organen.

    3° De goedkeuring wordt verleend met inachtneming van de door de constructeur verstrekte aanwijzingen en van de door de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde bepaalde veiligheids- en stevigheidscriteria.

    4° De goedkeuring wordt door de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde schriftelijk betekend. Die goedkeuring bindt de verantwoordelijkheid van de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde niet en vermindert in genendele die van de aanvrager.

    5° De aanvrager draagt de kosten van goedkeuring, waarvoor door de Minister van Verkeerswezen een prijstabel wordt opgemaakt.

§7. Identificatie. (art 54)

    Op een metalen plaat die, op de koppeling of draaikrans gelast of geklonken moet worden. moet de constructeur van de koppeling of van de draaikrans met onuitwisbare tekens het merk en het type van de koppeling of van de draaikrans vermelden.

    Dit plaatje is evenwel niet vereist voor de bolkoppeling wanneer het merk en het type in onuitwisbare letters en cijfers in de kop van de bolkoppeling is ingestampt of gegoten. Een markering in de handgreep is ook toegestaan, op voorwaarde dat de handgreep niet demonteerbaar is van het huis van de bolkoppeling.

§8. Sleepinrichtingen. (art 54)

    Elke auto met een maximale toegelaten massa van meer dan 2 500 kg moet aan de voorzijde voorzien zijn van een inrichting waarmede de kracht van het trekkend voertuig rechtstreeks op de langsliggers van het chassis of op hetgeen deze vervangt kan worden overgebracht.

      1° De voertuigen die voor 1 oktober 1971 in dienst werden gesteld en die niet kunnen voldoen aan de voorschriften van §1 tot §8, moeten voldoen aan de bepalingen van 1.1°, 3°, 4°. 5°, [[...]], 7°, 8°, 2, 2°, 4°, 5°. 3. 1°, 8.

      2° De voertuigen voor traag vervoer en het materieel van speciale constructie, die niet aan alle voorschriften van de I tot 8 kunnen voldoen, moeten voldoen aan de bepalingen van 1, 1°, 3°, 4°. 5°, [[...]], 7°. 8°, 2. 3. 4. 8.]

Top of page

ART 55 SCHOKBREKER EN ZIJDELINGSE BESCHERMING

§1. Schokbreker.

    De hoogte, gemeten over de volle breedte onder de achterzijde van het chassis of onder de hoofddelen van de carrosserie, op enige afstand van meer dan één meter achter het hart van de achterste as, mag niet meer bedragen dan 70 cm.

    Wordt hieraan niet voldaan, dan moet het voertuig zijn voorzien van een schokbreker, welke deugdelijk met de langsliggers of met hetgeen deze vervangt is verbonden, zodanig dat de hoogte onder de achterzijde niet meer bedraagt dan 70 cm wanneer het voertuig onbeladen is.

    De uiteinden van de schokbreker mogen niet naar achteren zijn omgebogen.

    De schokbreker mag niet breder zijn dan de breedte van het voertuig op de plaats waar hij is aangebracht en aan weerszijden ook niet meer dan 10 cm smaller zijn dan deze breedte.

    De schokbreker moet zo dicht mogelijk bij de achterkant van het voertuig zijn aangebracht en mag niet meer dan 60 cm voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. De delen van het voertuig en bestendige inrichtingen ide zich op meer 200 cm boven de grond bevinden worden niet in beschouwing genomen voor de bepaling van het achterste punt.

    De schokbreker moet een weerstandsmoment tegen buiging bezitten dat ten minste gelijk is aan dat van een stalen U-balk waarvan het kleinste weerstandsmoment tegen buiging van de doorsnede 20 cm3 bedraagt.

    In afwijking van bovenstaande bepalingen hoeven voertuigen behorende tot onderstaande categorieën niet van een schokbreker te zijn voorzien:

Top of page

§2. Zijdelingse bescherming. (art 55)

    De zijkanten van het voertuig mogen geen holten vertonen waarvan de lengte 200 cm overschrijdt, de diepte 30 cm en de vrije hoogte gemeten van op de grond 130 cm.

    Deze bepaling geldt slechts voor de voertuigen tot het verkeer toegelaten met ingang van 1 oktober 1971. (K.B. 14.1.71, art. 36,3)

§3.

    De voorschriften van de richtlijn 89/297/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 april 1989 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de LidStaten betreffende de zijdelingse afscherming bij bepaalde motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, toegepast volgens de modaliteiten vastgesteld in artikelen 3 en 3bis zijn bindend voor alle voertuigen waarvoor de aanvraag om goedkeuring vanaf 1 januari 1992 wordt ingediend.

§4

    De voorschriften van §3 zijn bindend voor al de voertuigen indienst gesteld vanaf 1 januari 1994. (K.B. 16.9.89, art. 5)

 

ART 56 INRICHTING TER BEVEILIGING TEGEN HET GEBRUIK VAN AUTO'S DOOR ONBEVOEGDEN (ANTIDIEFSTAL).

§1.

    De personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en voertuigen gebruikt voor goederenvervoer, waarvan de maximale toegelaten massa niet hoger is dan 3,5 t. en waarvoor de aanvraag om goedkeuring vanaf 1 januari 1976 wordt ingediend moeten voorzien zijn van een inrichting ter bevelliging tegen het gebruik van die voertuigen door onbevoegden (anti-diefstal).

§2.

    De eisen waaraan deze inrichtingen moeten voldoen worden door Ons bepaald.

    (Voor de goedkeuring van de beveiligingsinrichtingen: zie het K.B. 3.12.76 in het Stbl.)

constructie Hdst 6(9)
 Top of page
Bestuurdersruimte, -zitplaats, binnen- en buiteninrichting
naar index technisch reglement