HOOFDSTUK Vl Constructie.
(Bijzondere + aanvullende constructievoorschriften met betrekking tot de reminrichtingen van voertuigen.)

naar index
constructie Hdst 6(9)
 
constructie Hdst 6(11)
naar mijn homepage

Art 52 Bijzondere constructievoorschriften met betrekking tot de reminrichtingen van voertuigen.

§1. Veerremmen.

1° Definitie.

"Veerremmen" zijn inrichtingen waarbij de benodigde remenergie wordt geleverd door één of meer veren die als energieaccumulator werken.

2° Algemene bepalingen

    1. Als bedrijfsrem mogen geen veerremmen worden gebruikt.
    2. Voor alle drukwaarden die in het voedingscircuit van de compressieruimte kunnen optreden, mag een lichte verandering van deze druk geen sterke wijziging in de remkracht veroorzaken.
    3. Het voedingscircuit van de compressieruimte der veren moet een energiereserve bevatten die geen enkele andere inrichting of uitrusting mag voeden. Deze bepaling is niet van toepassing wanneer de compressie van de veren kan worden gehandhaafd doordat minstens twee onderling onafhankelijke systemen worden gebruikt .
    4. De inrichting moet zodanig zijn uitgevoerd dat de remmen minstens driemaal kunnen worden aangehaald en gelost wanneer de begindruk in de veercompressieruimte gelijk is aan de aangegeven maximumdruk. Aan deze voorwaarde moet zijn voldaan wanneer de remmen zo nauwkeurig mogelijk zijn afgesteld.
    5. De druk in de compressieruimte waarbij de veren op de remmen beginnen te werken. terwijl deze zo nauwkeurig mogelijk zijn afgesteld, mag niet meer bedragen dan 80 pct. van de normaal beschikbare minimumbedrijfsdruk (pm).
    6. Indien de druk in de veercompressieruimte daalt tot op het niveau van de waarde waarbij de remelementen in beweging worden gebracht, moet een alarminrichting (optisch of akoestisch) in werking treden. Is aan deze voorwaarde voldaan. dan kan deze alarminrichting dezelfde zijn als die bedoeld in artikel 51, §1,13°.
    7. Wanneer een voertuig waaraan een aanhangwagen met continue of half-continue reminrichting mag worden gekoppeld, met veerremmen is uitgerust, moet de automatische inwerkingtreding van deze veerremmen tot gevolg hebben dat de remmen van dc aanhangwagen eveneens in werking treden.

3° Anti-blokkeringssysteem.

    1. Veerremmen moeten zodanig zijn geconstrueerd dat zij bij een defect zonder gebruikmaking van hun normaal bedieningsorgaan kunnen worden gelost. Dit kan geschieden door middel van een hulpinrichting (pneumatisch, mechanisch. enz.).
    2. Indien de inrichting in bovenvermeld a) in werking moet worden gesteld met behulp van een werktuig of een sleutel, moeten deze zich in het voertuig bevinden.

 

§2. Parkeerremsysteem met mechanische vergrendeling van de remcilinders (grendelremmen).

1° Definitie.

Onder "mechanische vergrendeling van de remcilinders" wordt verstaan een inrichting waarmede het parkeerremeffect wordt verzekerd doordat de plunjertang van de remcilinder mechanisch wordt vastgeklemd.

Het vergrendeleffect wordt verkregen door de vergrendelkamer te ontluchten. De mechanische vergrendeling is zodanig ontworpen dat ontgrendeling mogelijk is wanneer de druk in de vergrendelkamer wordt hersteld.

2° Bijzondere voorschriften.

    1. Wanneer de druk in de vergrendelkamer het niveau bereikt dat overeenkomt met de mechanische vergrendeling moet een waarschuwingssysteem (optisch of akoestisch) in werking treden.
    2. Bij remcilinders die zijn uitgerust met een mechanische vergrendeling, moet de verplaatsing van de remplunjer kunnen geschieden met behulp van twee energiebronnen.
    3. Ontgrendeling van de vergrendelde remcilinder mag slechts mogelijk zijn indien het vaststaat dat de rem nadien opnieuw in werking kan worden gesteld.
    4. Voor het geval de energiebron voor de voeding van de vergrendelkamer uitvalt, moet een hulpontgrendelsysteem (bij voorbeeld mechanisch of pneumatisch) aanwezig zijn; daarbij mag bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van de lucht in een band van het voertuig.

§3.

1° Bij luchtdrukreminrichtingen moeten de ketels voorzien zijn van een aftapinrichting.

2° Wanneer een reminrichting is uitgerust met een toestel tot regeling van de remkracht volgens de lading en tot buitenwerkingstelling ervan, moet dit toestel zich op een goed zichtbare plaats bevinden en gemakkelijk bereikbaar zijn voor de bediening ervan.

De verschillende standen van de gebruikswijze van het toestel moeten duidelijk aangegeven zijn. Deze eisen gelden niet als het toestel automatisch werkt.

3° Bij auto's waarmede een aanhangwagen mag worden voortbewogen waarvan de reminrichting wordt bediend door de bestuurder van het trekkend voertuig, moet de bedrijfsreminrichting van het trekkend voertuig zijn voorzien van een inrichting, die zodanig is geconstrueerd, dat in geval van een storing in de reminrichting van de aanhangwagen, of in geval van het verbreken van de pneumatische verbindingsleiding (of van een andere verbinding) tussen de auto en de aanhangwagen, het mogelijk moet zijn het trekkend voertuig met de bedrijfsreminrichting te remmen met de voor de noodrem voorgeschreven remvertraging; te dien einde is het onder meer nodig, dat deze inrichting zich op het trekkend voertuig bevindt.

4° Apparaten, niet behorende tot een reminrichting mogen alleen via een overstroomklep of een overeenkomstig automatisch werkende inrichting op de energievoorraad van een reminrichting zijn aangesloten. Deze klep of deze inrichting moet zo dicht mogelijk bij de aftakking van het voorraadreservoir of de voorraadleiding zijn aangebracht en moet zodanig zijn afgesteld dat de druk in het voorraadreservoir niet beneden 65 pct. van de normale werkingswaarde kan dalen.]

 

Art 53 Aanvullende constructievoorschriften met betrekking tot de reminrichtingen.

§1. Capaciteit der reservoirs bij luchtdrukremmen.

1° Algemene voorschriften.

    1. Voertuigen waarvan de reminrichtingen worden bediend door middel van luchtdruk moeten zijn voorzien van reservoirs die qua capaciteit voldoen aan de punten 2° en 3°.
    2. Ten aanzien van de capaciteit van de reservoirs geldt evenwel geen enkele eis, indien het remsvsteem zodanig is uitgevoerd dat zonder enigerlei energiereserve een remeffect kan worden verkregen dat gelijk is aan het remeffect dat voor de noodreminrichting is voorgeschreven .
    3. Bij het controleren van de voorschriften van de punten 2° en 3° moeten de remmen zo nauwkeurig mogelijk zijn afgesteld.

2° Auto's.

  1. De remreservoirs van auto's moeten zodanig zijn uitgevoerd dat na achtmaal remmen, waarbij het bedieningsorgaan van de bedrijfsrem volledig wordt ingedrukt, het voor de noodreminrichting voorgeschreven remeffect nog kan worden verkregen.

  2. Bij de proef dienen de hierna volgende voorwaarden in acht te worden genomen:
      1. het oorspronkelijk energieniveau in de reservoirs dient gelijk te zijn aan de door de constructeur opgegeven waarde. Bij deze waarde moet het voor de bedrijfsrem voorgeschreven remeffect kunnen worden verkregen;
      2. er dient geen toevoer naar het (de) reservoir(s) plaats te vinden; bovendien worden de hulpreservoirs afgesloten;
      3. bij auto's waaraan een aanhangwagen of een oplegger mag worden gekoppeld, moet de toevoerleiding worden afgesloten en moet een capaciteit van O,5 1 op de bedieningsleiding worden aangesloten. Voor elke remming moet de druk in deze capaciteit worden afgelaten. Na de proef bedoeld in a) mag het niveau van de aan de bedieningsleiding afgegeven energie niet minder bedragen dan de helft van de bij de eerste remming verkregen waarde.

3° Aanhangwagens (met inbegrip van opleggers).

  1. De reservoirs van aanhangwagens moeten zodanig zijn uitgevoerd dat na achtmaal volledig indrukken van het bedieningsorgaan van de bedrijfsreminrichting van de trekker, het niveau van de aan de bedrijfsorganen afgegeven energie niet onder de helft van de bij de eerste remming verkregen waarde daalt.

  2. Tijdens deze proef moeten de hierna volgende voorwaarden in acht worden genomen:
      1. aan het begin van de proef dient de druk in de reservoirs gelijk te zijn aan de door de constructeur aangegeven maximumwaarde;
      2. de toevoerleiding moet zijn afgesloten: bovendien moeten de hulpreservoirs zijn afgesloten;
      3. tijdens de proef mag geen noemenswaardige nieuwe toevoer in de reservoirs plaatsvinden
      4. bij iedere remming moet de druk in de bedieningsleiding overeenkomen met de door de constructeur aangegeven maximumwaarde .

§2. Capaciteit der reservoirs bij vacuumremmen.

1° Auto's.

Bij vacuumreminrichtingen moeten de voorraadketels ten minste zodanige afmetingen hebben, dat na X volledige remmingen de druk in de ketels ten maximale vermindert met de helft van de oorspronkelijke waarde.

Deze beproeving moet worden uitgevoerd met stilstaande motor.

De factor X bedraagt:

7 bij een éénleiding vacuumsysteem;

5 bij een tweeleiding vacuumsysteem.

Het bovenstaande geldt niet voor auto's met een vacuum servoinrichting die niet hestemd zijn om een aanhangwagen of oplegger te trekken.

2° Aanhangwagens.

a) De totale inhoud van de voorraadketels van reminrichtingen met vacuum moet zo opgevat zijn dat bij één enkele remming de drukwijziging in de voorraadketels gelegen is tussen de volgende limieten, uitgedrukt in kg/cm2:

0,03 en 0,05 bij éénleiding vacuumsystemen (werkdruk 0,3 kg/ Cm2)

0,04 en 0,08 bij tweeleiding vacuumsystemen (werkdruk 0,3 kg/ Cm2)

De voorraadketel moet zijn voorzien van een inrichting tot het aansluiten van een drukmeter.

b) Remkrachtregelaar.

Bij aanhangwagens waarvan de maximale toegelaten massa meer bedraagt dan 3 500 kg moet de bedrijfsreminrichting zijn voorzien van een apparaat waarmede de remkrachten kunnen worden aangepast aan de belastingstoestand van het voertuig.

Dit apparaat mag op het trekkend voertuig aangebracht worden, alleen indien de bedrijfsreminrichting van de aanhangwagens hiermede niet kan uitgerust worden.

Deze bepaling geldt niet voor aanhangwagens waarvan de maximale toegelaten massa niet meer bedraagt dan 10.000 kg en die gesleept worden uitsluitend door auto's voor traag vervoer.

§3. De voertuigen echter, waarvoor voor 1 januari 1976 een typekeuringsaanvraag werd ingediend, en ingeval zij niet kunnen voldoen aan de bepalingen van § I en § 2 van dit artikel. dienen te voldoen aan volgende bepalingen:

  1. Bij hydraulische reminrichtingen:

    1. moeten de vulopeningen van de vloeistofreservoirs gemakkelijk toegankelijk zijn;

    2. moeten de voorraadreservoirs zodanig zijn ingericht en op het voertuig zijn aangebracht, dat het peil van de vloeistof gemakkelijk en zonder het reservoir te openen kan worden gecontroleerd: als aan deze voorwaarde niet is voldaan moet een verklikker zijn aangebracht, die de bestuurder waarschuwt wanneer het peil van de vloeistof in het voorraadreservoir zover is gedaald, dat de gocde werking van de reminrichting in gevaar komt. De goede werking van dit signaal moet gemakkelijk door de hestuurder kunnen worden gecontroleerd;

    3. kan van het onder 2 bepaalde worden afgeweken indien:

      het voertuig is voorzien van een bedrijfsrem met gescheiden circuits met twee vloeistofreservoirs, waarbij het falen van elk circuit door middel van een verklikker aan de bestuurder kenbaar wordt gemaakt; deze verklikker moet zodanig zijn dat de goede werking daarvan voor het in bedrijf stellen van de auto door de bestuurder kan worden gecontroleerd;
      het voertuig is voorzien van een inrichting die ten minste gelijke waarborgen biedt.

  2. Bij pneumatische reminrichtingen moeten de voorraadketels ten minste zodanige afmetingen hebben. dat na X volledige remmingen de druk in de ketels ten maximale vermindert met de helft van de oorspronkelijke waarde.

    Deze beproeving moet worden uitgevoerd met stilstaande motor.

    De factor X bedraagt:
  1. Elke auto die is uitgerust met een rem, die werkt door middel van een voorraadreservoir, moetindien een voldoende remwerkmg onmogelijk is zonder hulp van energievoorraadzijn voorzien van een waarschuwingssignaal dat de bestuurder zichthaar of hoorbaar waarschuwt, dat de voorraad in enig deel van de reminrichting voor de regelklep is gedaald tot 65 pct. van de normale werkingswaarde. Dit waarschuwingssignaal moet rechtstreeks en vast met de leiding zijn verbonden. Een manometer wordt niet als een waarschuwingsapparaat beschouwd.

  2. Indien voor de werking van een reminrichting een hulpkrachtbron noodzakelijk is, moet deze hulpkrachtbron voldoende energiereserve bevatten om het voertuig bij stilstaande motor op de voorgeschreven wijze tot stilstand te kunnen brengen.

  3. Indien de spierkracht van de bestuurder op de parkeerreminrichting wordt versterkt door een hulpkrachtbron, moet deze reminrichting zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd dat zij in de aangezette stand blijft vergrendeld ook bij bet uitvallen van de hulpkracht.

2° Voor de aanhangwagens.

De bepalingen van de punten a), b), c), zijn van toepassing voor voertuigen die vanaf 1 oktober 1971 in dienst werden gesteld.

a) Bij hydraulische reminrichtingen:

  1. moeten de vulopeningen van de vloeistofreservoirs gemakkelijk toegankelijk zijn;
  2. moeten de voorraadreservoirs zodanig zijn ingericht en op het voertuig zijn aangebracht, dat het peil van de vloeistof gemakkelijk kan worden gecontroleerd zonder het reservoir te openen.

b) De totale inhoud van de voorraadketels van reminrichtingen met pneumatische bediening moet zo opgevat zijn dat bij één enkele remming de drukwijziging in de voorraadketels gelegen is tussen de volgende limieten, uitgedrukt in kg/cm2 :

  1. 0,38 en 0,55 bij éénleiding luchtdruksysteem (werkdruk 4.5 kg/cm2),
  2. 0,60 en 1,20 bij tweeleiding luchtdruksysteem (werkdruk 6 kg/cm2) .
  3. 0,03 en 0,05 bij éénleiding vacuumsystemen (werkdruk 0,3 kg/cm2),
  4. 0,04 en 0,08 bij tweeleiding vacuumsystemen (werkdruk 0.3 kg/cm2) .

De voorraadketel moet zijn voorzien van een inrichting tot het aansluiten van een drukmeter.

c) Remkrachtregelaar.

Bij aanhangwagens waarvan de maximale toegelaten massa meer bedraagt dan 3 500 kg moet de bedrijfsremmrlchtlng zlJn voorzien van een apparaat waarmede de remkrachten kunnen worden aangepast aan de beladingstoestand van het voertuig.

Dit apparaat mag op het trekkend voertuig aangebracht worden, alleen indien de bedrijfsreminrichting van de aanhangwagen hiermede niet kan uitgerust worden.

Deze bepaling geldt niet voor aanhangwagens waarvan de maximale toegelaten massa niet meer bedraagt dan 10 000 kg en dle gesleept worden uitsluitend door auto's voor traag vervoer.

constructie Hdst 6(9)
 Top of page
constructie Hdst 6(11)
naar index technisch reglement