|
![]() |
Art 51 Algemene constructievoorschriften met betrekking tot de reminrichtingen.
§1.
1° Het geheel van de reminrichtingen waarvan het voertuig is voorzien, moet beantwoorden aan de eisen ten aanzien van de bedrijfsreminrichting, de noodreminrichting en de parkeerreminrichting.
2° De bedrijfsreminrichting, de noodreminrichting en de parkeerreminrichting, mogen gemeenschappelijke delen bezitten mits zij voldoen aan de onderstaande voorschriften:
3° Bij aanwezigheid van verschillende bedieningsorganen voor de bedrijfsreminrichting en de noodreminrichting mag gelijktijdige inwerkingstelling van de beide bedieningsorganen niet tot gevolg hebben dat de bedrijfsreminrichting en de noodreminrichting niet meer werken, zowel wanneer beide reminrichtingen op de juiste wijze werken, als wanneer één ervan gestoord is.
4° Bij storing in een deel van de overbrenging van de bedrijfsrem dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan:
5° Wanneer gebruik wordt gemaakt van een andere energie dan de spierkracht van de bestuurder dan mag worden volstaan met één energiebron (hydraulische pomp, luchtcompressor, enz.) doch de wijze van inwerkingstelling van de desbetreffende inrichtingmoet alle mogelijke veiligheidswaarborgen bieden. In geval van storing in een deel van de overbrenging van het geheel van reminrichtingen moet de voeding van het niet door de storing getroffen gedeelte verzekerd blijven, indien zulks nodig is om het voetuig tot stilstand te brengen met de voor de noodreminichting voorgeschreven doeltreffendheid; hieraan moet worden voldaan door middel van inrichtingen die gemakkelijk in werking kunnen gesteld wanneer het voertuig stilstaat, of door middel van een automatisch werkende inrichting.
6° Aan de voorwaarden vervat in de punten 2°,4° en 5°, moet worden voldaan zonder gebruikmaking van een automatisch werkende inrichting van een zodanig type, dat eventueel onvoldoende werking hiervan niet kan worden opgemerkt doordat normaal in rusttoestand verkerende onderdelen eerst in werking treden bij storing in de reminrichting.
7° De bedrijfsreminrichting moet op alle wielen van het voertuig werken.
8° De werking van de bedrijfsreminrichting moet op oordeelkundige wijze over de assen verdeeld zijn.
9° De werking van de bedrijfreminrichting moet over de wielen van éénzelfde as symmetrisch verdeeld zijn ten opzichte van het in de lengterichting door het voertuig lopende middenvlak.
10° De bedrijfsreminrichting en de parkeerreminrichting moeten werken op geremde oppervlakken die op permanente wijze aan de wielen verbonden zijn door middel van voldoende stevige onderdelen. Geen enkel geremd oppervlak mag van de wielen kunnen worden ontkoppeld; voor de bedrijfsreminrichting en de noodreminrichting is een dergelijke ontkoppeling echter toegestaan voor bepaalde geremde oppervlakken. op voorwaarde dat zulks alleen kortstondig geschiedt bij voorbeeld tijdens wijziging van de overbrengingsverhouding, en mits de bedrijfsreminrichting en de noodreminrichting de voorgeschreven doelmatigheid blijven behouden .
Voorts is een dergelijke ontkoppeling toegestaan voor de parkeerreminrichting, mits deze ontkoppeling uitsluitend geschiedt door de bestuurder, vanaf diens zitplaats, door middel van een systeem dat niet in werking kan treden als gevolg van een lek.
11° Slijtage van de remmen moet gemakkelijk kunnen worden gecompenseerd door middel van een met de hand bedienbaar of automatisch regelsysteem. Bovendien moeten het bedieningsorgaan, de overbrengingselementen en remelementen een zodanige slagreserve bezitten, dat na verhitting van de remmen of na een zekere mate van slijtage van de voeringen de remwerking verzekerd is zonder dat onmiddellijke bijregeling noodzakelijk is.
12° Bij reminrichtingen met hydraulische overbrenging moeten de vulopeningen van de vloeistofreservoirs gemakkelijk toegankelijk zijn; bovendien moeten de reservoirs met reservevloeistof zodanig zijn uitgevoerd. dat de stand zonder opening van de reservoirs gemakkelijk kan worden gecontroleerd. Indien niet aan deze voorwaarde is voldaan moet een waarschuwingssignaal de bestuurder in staat stellen iedere daling van de vloeistofreserve, die een storing van de reminrichting met zich kan brengen, op te merken. De goede werking van dit signaal moet gemakkelijk door de bestuurder kunnen worden gecontroleerd.
13° Ieder voertuig dat is voorzien van een rem welke in werking wordt gesteld via een energiereservoir moetingeval remming met de voor de noodreminrichting voorgeschreven doeltreffendheid onmogelijk is zonder behulp van de opgeslagen energie behalve met de eventuele manometer, zijn uitgerust met een alarminrichting welke langs optische of akoestische weg te kennen geeft dat de energie in enig deel van de installatie v66r de verdeler gedaald is beneden een waarde gelijk aan of kleiner dan 65 pct. van de normale waarde. Deze inrichting moet rechtstreeks en op permanente wijze op het circuit zijn aangesloten.
14° Onverminderd de voorwaarden, gesteld in artikel 45, §1, 3°, dient wanneer voor de werking van een reminrichting de werking van een energiehulpbron noodzakelijk is, de energiereserve zodanig te zijn, dat bij stilstaande motor de remwerking voldoende blijft om het voertuig volgens de voorschriften tot stilstand te brengen. Indien bovendien de spierkracht die de bestuurder uitoefent op de parkeerreminrichting wordt versterkt door een bekrachtigingsinrichting, dient de inwerkingstelling van de parkeerreminrichting ook mogelijk te zijn in geval van storing in de bekrachtigingsinstallatie, zo nodig door gebruikmaking van een energiereserve welke onafhankelijk is van die welke normaal deze bekrachtiging levert. Deze energiereserve mag die zijn welke bestemd is voor de bedrijfsreminrichting. De term "in werking stellen" omvat tevens het ontgrendelen.
15° Bij auto's waarbij het is toegestaan een aanhangwagen aan te koppelen die is voorzien van een rem welke wordt bediend door de bestuurder van het trekkend voertuig, moet de bedrijfsreminrichting van het trekkende voertuig voorzien zijn van een inrichting welke zodanig is gebouwd dat bij storing in de reminrichting van de aanhangwagen, of bij onderbreking van de pneumatische verbinding (of enig ander type van verbinding) tussen trekkend voertuig en aanhangwagen, het nog mogelijk is het trekkend voertuig te remmen met de doeltreffendheid welke is voorgeschreven voor de noodreminrichting; te dien einde is het onder meer nodig dat deze inrichting zich op het trekkend voertuig bevindt.
16° De hulpinrichtingen mogen hun energie slechts onttrekken onder zodanige voorwaarden dat de werking ervan in geval van storing in de energiebron niet kan leiden tot vermindering van de energiereserves ter voeding van de reminrichtingen tot beneden het niveau aangegeven in punt 13°.
17° Bij de aanhangwagens met een maximale toegelaten massa van meer dan 3,5 ton moet de bedrijfsreminrichting van het continu of halfcontinu type zijn.
18° Wanneer het een voertuig betreft dat een aanhangwagen mag trekken met een maximale toegelaten massa van meer dan 3,5 ton, moeten de reminrichtingen ervan beantwoorden aan de volgende voorwaarden:
§2.
De voertuigen echter, waarvoor voor 1 januari 1976 een typekeuringsaanvraag werd ingediend. en ingeval zij niet kunnen voldoen aan de bepalingen van 1 van dit artikel, dienen te voldoen aan volgende bepalingen:
1° De hedrijfsrem- de noodrem- en de parkeerreminrichtingen mogen delen gemeenschappelijk hehben voor zover aan de andere voorschriften van dit algemeen reglement wordt voldaan. Bovendien moeten de gemeenschappelijke delen van de bedrijfsreminrichting en de noodreminrichting ruim bemeten zijn, gemakkelijk toegankelijk zijn voor onderhoud en uit veiligheidsoogpunt ten minste een even grote zekerheid bieden als die van andere essentiële delen van het voertuig, zoals bijvoorbeeld de verbindingselementen van de stuurinrichting.
De bedrijfsreminrichting moet door één enkel bedieningsorgaan in werking gesteld worden.
Evenwel mogen van de verschillende reminrichtingen de remmen zelf, de sleutels, de sleutelassen met de daarop aangebrachte hefbomen en de zuigerstangen gemeenschappelijk zijn. Het bedieningsorgaan waarmede de parkeerreminrichting in werking wordt gesteld moet onafhankelijk zijn van dat waarmede de bedrijfsreminrichting in werking wordt gesteld.
2° De slijtage van de remmen moet op eenvoudige wijze, met de hand of automatisch bijgesteld kunnen worden. Bovendien moeten het bedieningsorgaan, de overbrengingsorganen en de remmen een zodanig slagreserve bezitten, dat de remmen bij verwarming of na geringe slijtage van de remvoering een voldoende remwerking behouden zonder dat zij onmiddellijk behoeven te worden bijgesteld .
3° De bedrijfsreminrichting en de parkeerreminrichting behoren door middel van voldoende stevige onderdelen te werken op blijvend aan de wielen verbonden remoppervlakken.
Geen enkel remoppervlak mag van de wielen kunnen worden ontkoppeld. Dit ontkoppelen is evenwel bij de bedrijfsrem en de noodrem voor bepaalde remoppervlakken toegestaan, mits het slechts tijdelijk is, bijvoorbeeld gedurende het overschakelen in een andere versnelling en mits zowel de bedrijfsrem als de noodrem met de voorgeschreven doeltreffendheid blijft werken. Bovendien is een zodanig ontkoppelen toegestaan voor het remmen met parkeerrem, mits de handeling van het ontkoppelen uitsluitend door de bestuurder vanaf zijn zitplaats wordt verricht door middel van een systeem dat niet in werking kan treden ten gevolge van een lek.
4° De bedrijfsreminrichting van een voertuig moet op al de assen ervan werken. De werking ervan moet oordeelkundig over de assen zijn verdeeld. Bovendien moet de werking ervan over de wielen van éénzelfde as, symmetrisch ten opzichte van het in de lengterichting door het voertuig lopend middenvlak, gelijkelijk zijn verdeeld .
5° De noodreminrichting kan bestaan uit:
§3.
Bijzonder bepalingen voor de voertuigen voor traag vervoer.
|
|||||
|
|
|