|
![]() |
Art 47 Reminrichtingen van de aanhangwagens.
§1. De aanhangwagens moeten voorzien zijn:
1. van een bedrijfsreminrichting, zodanig opgevat en uitgevoerd, dat de bestuurder van het trekkende voertuig waaraan de aanhangwagen gekoppeld is, vanaf zijn zitplaats en zonder het stuurwiel los te laten, met de inrichting de beweging van het voertuig kan beheersen en dit laatste op een veilige, snelle en doelmatige wijze tot stilstand kan brengen, ongeacht de snelheid en de lading en ongeacht de helling waarop het voertuig zich bevindt.
De werking ervan moet regelbaar zijn.
De bedrijfsreminrichting van het oplooptype, zijnde deze die de krachten benut die ontstaan doordat de aanhangwagen het trekkende voertuig nadert, is slechts toegelaten op aanhangwagens, met uitzondering van de opleggers, waarvan de maximale toegelaten massa niet meer dan 3.500kg bedraagt. Bij de voertuigen voor traag vervoer mag de maximale toegelaten massa niet meer dan 8.000 kg bedragen.
Wanneer om het achteruitrijden van de sleep toe te laten een aanhangwagen uitgerust is met een inrichting waardoor de bedrijfsrem van het oplooptype buiten werking kan worden gesteld, moet deze inrichting zodanig zijn opgevat en uitgevoerd dat bij het vooruitbewegen van het voertuig de rem in bedrijfsvaardige toestand terugkeert.
Bij voertuigen met een bedrijfsreminrichting die niet van het oplooptype is moet de bedrijfsreminrichting tegelijkertijd worden bediend:
2. van een parkeerreminrichting dank zij welke de van het trekkend voertuig gescheiden aanhangwagen op een helling in beide richtingen staande kan worden gehouden. Zij moet gemakkelijk hanteerbaar zijn door een persoon die zich buiten het voertuig bevindt, en bij afwezigheid van deze persoon, kunnen aangezet blijven door middel van een louter mechanisch werkende inrichting of automatisch in werking treden zodra de bedrijfsreminrichting de aanhangwagen niet meer staande houdt.
Een reminrichting die werkt door het neerlaten van de dissel wordt niet als een parkeerreminrichting beschouwd. Deze bepaling is alleen toepasselijk op de voertuigen tot het verkeer toegelaten vanaf 1 oktober 1971.
§2.
De bedrijfsreminrichting moet zodanig zijn dat de remmen van de aanhangwagen automatisch worden vastgezet bij het losraken van de aanhangwagen, zelfs indien zulks te wijten is aan een breuk van de koppeling.
Bij aanhangwagens met een bedrijfsreminrichting van het oplooptype mag het automatisch remmen geschieden:
De éénassige aanhangwagens waarvan de maximale toegelaten massa niet meer bedraagt dan 1.500 kg moeten niet voorzien zijn van een inrichting waarmede de remmen van de aanhangwagen automatisch kunnen worden vastgezet, voor zover zij bestendig, buiten de hoofdkoppeling, van een hulpkoppeling zijn voorzien en bij breuk van de hoofdkoppeling de dissel de grond niet raakt.
De éénassige aanhangwagens waarvan de maximale toegelaten massa niet meer bedraagt dan 750 kg, moeten niet voorzien zijn van een reminrichting.
§3.
De reminrichting van de aanhangwagens waarvan de maximale toegelaten massa niet meer bedraagt dan 8.000 kg en die uitsluitend worden getrokken door auto's voor traag vervoer waarvan de maximumsnelheid niet hoger is dan 30 km/h, mag uit één enkele reminrichting bestaan voor zover de verschillende delen daarvan voldoende ruim zijn bemeten en:
De bedrijfsreminrichting van deze aanhangwagen mag worden bediend door een ander bedieningsorgaan dan dat van de bedrijfsreminrichting van het trekkend voertuig indien het niet achter de bestuurderszitplaats van de auto is gelegen en de bestuurder het tijdens de beweging van het voertuig vanaf zijn zitplaats en zonder loslaten van het stuurwiel kan bedienen. Behoudens bij aanhangwagens die volgens §1, 1, lid 3, met een bedrijfsreminrichting van het oplooptype mogen uitgerust zijn, mag een oploopreminrichting slechts op voormelde aanhangwagens worden gebezigd als bijkomstige inrichting; in geen geval kan een dergelijke inrichting worden beschouwd als deel uitmakend van de reglementaire reminstallatie.
Een bedrijfsreminrichting van het oplooptype is nochtans toegelaten op de laatste van de twee aanhangwagens getrokken door een auto voor traag vervoer indien de maximale toegelaten massa van de aldus geremde aanhangwagen niet meer bedraagt dan 75 pct. van het totaal der maximale toegelaten massa's van het trekkend voertuig en de eerste aanhangwagen.
Wanneer om het achteruitrijden van de sleep toe te laten een aanhangwagen is uitgerust met een inrichting waardoor de bedrijfsrem van het oplooptype buiten werking kan worden gesteld, moet deze inrichting zodanig zijn opgevat en uitgevoerd dat bij het vooruitbewegen van het voertuig de rem in bedrijfsvaardige toestand terugkeert.
§4.
Het in §§1, 2 en 3 hiervoren bepaalde geldt niet voor de aanhangwagens waarvan de maximale toegelaten massa niet meer bedraagt dan 750 kg, voor zover die massa niet meer bedraagt dan de helft van de massa van het onbeladen trekkend voertuig.
§5.
Voor het remmen van de aanhangwagens die uitsluitend getrokken worden door auto's voor traag vervoer, mag gebruik gemaakt worden van de hydraulische energie van het trekkend voertuig indien aan volgende eisen wordt voldaan:§6.
Voor de aanhangwagens waarvoor de aanvraag om goedkeuring ingediend werd vanaf 1 oktober 1988, mogen op verzoek van de constructeur de voorschriften van de voornoemde richtlijn 71/320/EEG laatstelijk gewijzigd door de voornoemde richtlijn 88/194/EEG, toegepast volgens de modaliteiten vastgelegd in de artikelen 46 tot 53 van dit besluit vervangen.
§7.
Vanaf 1 januari 1991 zijn de voorschriften van §6 bindend voor de aanhangwagens en opleggers waarvoor de aanvraag om goedkeuring wordt ingediend vanaf die datum.
§8.
De voorschriften van punten 2.2.2.13 en 2.2.2.14 van bijlage I en bijlage X van de voornoemde richtlijn 71/320/EEG, laatstelijk gewijzigd door de voornoemde richtlijn 88/194/EEG, zijn bindend voor de aanhangwagens en opleggers in dienst gesteld vanaf I januari 1993.
Art 48 Remdoelmatigheid van de aanhangwagens.
§1.
§2.
§3.
De doelmatigheid van de inrichting waarmede de remmen van de aanhangwagen automatisch kunnen worden vastgezet moet zodanig zijn, dat bij het losraken van de aanhangwagen, deze laatste op een veilige, snelle en doelmatige wijze tot stilstand kan worden gebracht en zolang in stilstand kan worden gehouden als vereist voor het immobiliseren van het voertuig door enig ander middel.
§4.
De in §§1 en 2 voorgeschreven remdoelmatigheid moet bereikt worden zonder dat:
Art 49 Reminrichtingen van de slepen
De werking van de bedrijfsremmen van de voertuigen die met een reminrichting moeten uitgerust zijn, moet oordeelkundig zijn verdeeld en gesynchroniseerd over het trekkend voertuig en de aanhangwagen(s) .
Art 50 Remdoelmatigheid van de slepen
§1.
De doelmatigheid van de bedrijfsrem-, de noodrem- en de parkeerreminrichtingen van een sleep mag nimmer lager zijn dan die welke voor het trekkend voertuig is voorgeschreven.
De doelmatigheid van de noodrem mag worden bereikt met behulp van de reminrichtingen van de aanhangwagens.
§2.
De in §1 voorgeschreven remdoelmatigheid moet worden bekomen zonder dat de kracht op de bedieningsorganen meer bedraagt dan die welke voor de reminrichtingen van het trekkend voertuig zelf is voorgeschreven in artikel 46, §4.
§3.
Wanneer de bedrijfsreminrichtingen van al de voertuigen welke een sleep vormen bediend worden door middel van het bedieningsorgaan van de bedrijfsrem van het trekkend voertuig moet bij een spoedmaneuver, een zo kort mogelijke tijd verlopen tussen het ogenblik waarop het aandrijven van het bedieningsorgaan begint en het ogenblik waarop de remkracht in de laatst in werking tredende rem overeenstemt met de voor het geheel der voertuigen voorgeschreven remdoelmatigheid.
![]() |
|
![]() |
|
|
|
|||||
|
|
|