HOOFDSTUK Vl Constructie.
(Reminrichtingen en -doelmatigheid van de auto's)

naar index
Ruitenwisser - Ontdooier - Ruitensproeier
 
Reminrichting en -doelmatigheid van de aanhangwagens en slepen
naar mijn homepage

ART 46 Remdoelmatigheid van de auto's.

ART 45 REMINRICHTINGEN VAN DE AUTO'S

- ALGEMENE BEPALINGEN.

(Voor de goedkeuring van de reminrichting: zie Stbl. 24.12.76/K.B. 3.12.76)

§1. De auto's moeten voorzien zijn:

van een bedrijfsreminrichtingen die het mogelijk moet maken de beweging van het voertuig te controleren en het voertuig op veilige, snelle en doeltreffende wijze tot stilstand te brengen, ongeacht de snelheidsomstandigheden en de belasting en ongeacht de stijgende of dalende helling waarop het voertuig zich bevindt. De werking ervan moet regelbaar zijn . De bestuurder moet deze remming tot stand kunnen brengen vanaf zijn zitplaats, zonder de handen van het stuurorgaan te nemen;
van een noodreminrichting die het bij storing van de bedrijfsreminrichting mogelijk moet maken het voertuig binnen een redelijke afstand tot stilstand te brengen. De werking ervan moet regelbaar zijn.
De bestuurder moet deze remming vanaf zijn zitplaats kunnen bewerkstelligen en daarbij ten minste met één hand de controle over het stuurorgaan behouden. Met het oog op deze voorschriften wordt aangenomen dat er zich niet meer dan één storing in de bedrijfsreminrichting tegelijkertijd kan voordoen;
van een parkeerreminrichting die het mogelijk moet maken het voertuig onbeweeglijk te houden op een stijgende of dalende helling, zelfs bij afwezigheid van de bestuurder, waarbij dan de actieve elementen aangespannen blijven door middel van een uitsluitend mechanisch werkende inrichting. De bestuurder moet deze remming vanaf zijn zitplaats kunnen bewerkstelligen.

§2.

De auto's voor traag vervoer waarvan de maximumsnelheid niet hoger is dan 30 km/h moeten evenwel niet voorzien zijn van de noodreminrichting. Wanneer een dergelijk voertuig is uitgerust met een louter mechanisch werkende reminrichting, mag deze uit eén enkele reminrichting bestaan op voorwaarde dat de verschillende delen ervan voldoende ruim zijn bemeten en aan de voorschriften met betrekking tot de bedrijfsreminrichting en de parkeerreminrichting wordt voldaan.

§3.

De autobussen en autocars waarvoor de aanvraag om goedkeuring vanaf 1 juni 1987 wordt ingediend, moeten voldoen aan de bepalingen van de richtlijn 71/320/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juli 1971, inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de reminrichtingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, zoals laatst gewijzigd door de richtlijn 85/647/ EEG van de Commissie van 23 december 1985

§4.

Voor de auto's waarvoor de aanvraag om goedkeuring ingediend werd vanaf 1 oktober 1988, mogen op verzoek van de constructeur de voorschriften van de richtlijn 71/320/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juli 1971, laatstelijk gewijzigd door de richtlijn 88/194/EEG van de Commissie van 24 maart 1988 toegepast volgens de modaliteiten vastgesteld in de artikelen 3 en 3bis, de bepalingen van artikelen 46 tot 53 van dit besluit vervangen.

§5.

De voorschriften van §4 zijn bindend voor de auto's waarvoor de aanvraag om goedkeuring wordt ingediend vanaf 1 januari 1991.

§6.

De voorschriften van de voornoemde richtlijn 71/320/EEG gewijzigd door de richtlijnen van de Commissie 74/132/EEG van 11 februari 1974 en 75/524/EEG van 25 juli 1975 zijn bindend voor auto's in dienst gesteld vanaf 1 januari 1991.

§7.

De voorschriften van punten 2.2.1.22 en 2.2.1.33 van bijlage I en bijlage X van de voornoemde richtlijn 71/320/EEG, laatstelijk gewijzigd door de voornoemde richtlijn 88/194/ EEG zijn bindend voor de auto's in dienst gesteld van 1 januari 1993.

§8.

De voorschriften van de bijlagen van de richtlijn 71/320/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lid-Staten betreffende de reminrichtingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en hun aanhangwagens, zoals gewijzigd door de richtlijn 91/422/EEG van de Commissie van 15 juli 1991, zijn van toepassing op voertuigen voor het eerst in gebruik genomen vóór 1 januari 2004. gewijzigd op 1 mei 2003

§9.

De voorschriften van de bijlagen van richtlijn 71/320/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lid-Staten betreffende de reminrichting van bepaalde categorieën motorvoertuigen en hun aanhangwagens, zoals gewijzigd door de richtlijn 98/12/EG van de Commissie van 27 januari 1996, zijn van toepassing op voertuigen van categorieën M2, M3, N2, N3, O3 en O4 voor het eerst in gebruik genomen vanaf 1 januari 2004. gewijzigd op 1 mei 2003

ART 46 REMDOELMATIGHEID VAN DE AUTO'S.

§1.

De werking van de bedrijfsreminrichting van de auto's moet zodanig zijn, dat op een nagenoeg horizontale en droge weg, de gemiddelde remvertraging bij koude remmen en ontkoppelde motor, ongeacht belastingstoestand of snelheid, nimmer minder bedraagt dan:
  1. 5 m/sec2, bij autobussen en autocars;
  2. 5,8 m/sec2, bij personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen;
  3. 4,4 m/sec2, wanneer het om andere voertuigen gaat dan die welke in a) en b) hierboven en in d) hierna zijn aangegeven;
  4. 3m/sec2 bij voertuige voor traag vervoer waarvan de maximumsnelheid hoger is dan 30 km/h.
  5. 2,5 m/sec2, bij auto's voor traag vervoer waarvan de maximumsnelheid hoger is dan 30 km/h.
De in 1° voorgeschreven waarden moeten bereikt worden tijdens de remproeven die naar aanleiding van de automobielinspectie worden uitgevoerd door de hiervoor erkende organismen, wanneer het om voertuigen gaat waarvan de eigen massa meer dan 80 pct bedraagt van de maximale toegelaten massa ervan.
De in 1 °voorgeschreven waarden bedragen respectievelijk 5,5 m/sec2, 6,5 m/sec2, 5 m/sec2 en 2,7 m/sec2, tijdens de remproeven die naar aanleiding van de automobielinspectie worden uitgevoerd door de hiervoor erkende organismen, wanneer het om voertuigen gaat waarvan de eigen massa niet meer bedraagt dan 80 pct van de maximale toegelaten massa ervan.
Naar aanleiding van elke andere controle, zoals onvoorziene controles op de openbare weg, wordt een tolerantie van 10 pct op de in 1° voorgeschreven waarden toegepast.

§2.

De doelmatigheid van de noodreminrichting der auto's, gemeten onder dezelfde voorwaarden als voor de bedrijfsreminrichting, mag nimmer minder bedragen dan 50 pct van de voorgeschreven minimumvertraging.
Voor de voertuigen, waarvoor de aanvraag om goedkeuring echter voor 1 januari 1976 werd ingediend, en op voorwaarde dat de remwerking van de noodrem verzekerd wordt door de bedrijfsreminrichting zoals bepaald in artikel 51, 2,5°, b) van dit besluit, mag de remdoelmatigheid van de noodreminrichting niet lager dan 30 pct van de minimum remvertraging bepaald in 1 van dit artikel.

§3.

De parkeerreminrichting van de auto's moet in staat zijn het beladen voertuig op een helling van 18 pct in beide richtingen staande te houden. Aan deze voorwaarden wordt geacht te zijn voldaan, indien met de parkeerreminrichting op een nagenoeg horizontale en droge weg, met beladen voertuig en ontkoppelde motor, met koude rem, uitgaande van een beginsnelheid van 15 km/u., een gemiddelde remvertraging van 1,5 m/sec2 kan worden bereikt
De gemiddelde remvertraging van 1,5 m/sec2 moet bereikt worden tijdens de remproeven die naar aanleiding van de automobielinspectie worden uitgevoerd door de hiervoor erkende organismen, wanneer het om voertuigen gaat waarvan het eigen gewicht meer bedraagt dan 80 pct van het hoogste toegelaten gewicht ervan.
De gemiddelde remvertraging van 1.5 m/sec2 wordt op 1,7 m/sec2 gebracht tijdens de remproeven die naar aanleiding van de automobielinspectie worden uitgevoerd door de hiervoor erkende organismen, wanneer het om voertuigen gaat waarvan de eigen massa niet meer bedraagt dan 80 pct. van de maximale toegelaten massa ervan.
Naar aanleiding van elke andere controle. zoals onvoorziene controles op de openbare weg moet een remvertraging van ten minste 1,4 m/sec2 worden bereikt.
Voor de auto's waarvoor de aanvraag om typegoedkeuring voor 1 januari 1976 werd ingediend. worden de vereisten voor de parkeerrem verminderd tot volgende waarden:
  1. de helling in beide richtingen bedoeld in punt 1° bedraagt 16 pct .;
  2. de gemiddelde remvertragingen bedoeld in de punten 1°, 2°, 3° en 4°, bedragen respectievelijk
    in punt 1°: 1,3 m/sec2,
    in punt 2°: 1,3 m/sec2,
    in punt 3°: 1.3 en 1,5 m/sec2 en
    in punt 4°: 1,2 m/sec2
§4.
De voorgeschreven remdoelmatigheid moet worden bereikt zonder dat hiertoe:
1. een grotere kracht dan 50 kg op het rempedaal noodzakelijk is bij personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen en dan 70 kg bij de andere voertuigen;
2. een grotere kracht dan 40 kg aan de handremhefboom noodzakelijk is bij personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen en dan 60 kg bij de andere voertuigen.

Ruitenwisser - Ontdooier - Ruitensproeier
 Top of page
Reminrichting en -doelmatigheid van de aanhangwagens en slepen
naar index technisch reglement