|
![]() |
(koppeling - stuurinrichting - instrumentenbord - geluid - spiegel dodehoek)
Wijzigingen die invoege gaan op 1 mei 2003 (art 43§2)
ART 41 KOPPELLING VERSNELLINGSBAK:
Het inkoppelen moet geleidelijk geschieden en gemakkelijk geregeld kunnen worden
De versnellingshefboom moet gemakkelijk zijn te bedienen en in het onmiddellijk bereik van de bestuurder zijn gelegen.
Bij een versnellingsbak die rechtstreeks met de hand bediend wordt, moet de versnellingshefboom zich in elke stand automatisch vastzetten.
Bij autobussen en autocars, mag de bedieningsknop van de versnellingshefboom zich in de ongunstige stand niet verder dan 65 cm zijwaarts en niet verder dan 80 cm achterwaarts van het hart van het stuurwiel bevinden, met dien verstande dat deze bedieningsknop zich nimmer achter de bestuurderszitplaats mag bevinden.
De stuurinrichting en de stuurorganen moeten alle veiligheids- en stevigheidswaarborgen bieden. De kogelgewrichten van de verbindingsstangen moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat -noch geringe slijtage van de kogels of de kommen, noch breuk van de opsluitveren tot gevolg kan hebben dat de kogels uit de kommen kunnen geraken. Een goede bestuurbaarheid van het voertuig moet gewaarborgd zijn; hierbij mogen geen ongewenste reactiekrachten van de gestuurde wielen op het stuurwiel worden overgebracht.
Voor de aanhangwagens tot het verkeer toegelaten met ingang van 1 oktober 1971 moet de draaihoek van de voorste wielen of van de vooras ten minste 45° bedragen in beide richtingen.
Aan de stuurorganen mag, behalve door de constructeur zelf, niet zijn gelast. De delen der stuurinrichting mogen koud noch warm worden vervormd.
De eisen waaraan de stuurinrichtingen moeten voldoen, voor wat de bescherming van de bestuurder betreft in geval van botsing, worden door Ons bepaald. (K.B. 12.12.75. art. 23). (Voor de goedkeuring van het gedrag van de stuurinrichting bij botsingen: Zie het Stbl. 24.12.76 K.B. 3.12.76. Idem voor de stuurinrichting zelf).
ART 43 INSTRUMENTENBORD GELUIDSHOORN ACHTERUITKIJKSPIEGEL Inrichting voor indirect zicht.
§1. Instrumentenbord.
De auto's moeten uitgerust zijn een snelheidsmeter die de snelheid in kilometer per uur aangeeft en met een teller die de door het voertuig afgelegde afstand in kilometer opgeeft. Voor de personenauto's en auto's voor dubbel gebruikt mag de afgelegde afstand, opgegeven door de teller, nochtans in mijlen (1609 m) worden uitgedrukt. In dit geval moet de eenheid van de afgelegde afstand op de teller worden vermeld. Deze toestellen moeten goed zichtbaar voor de bestuurder geplaatst zijn en goed afleesbaar zijn, zelfs bij nacht, zonder hinder voor de bestuurder.
Deze bepaling geldt niet voor voertuigen voor traag vervoer.
(Voor de goedkeuring van de snelheidsmeter en de achteruitrijinrichting: Zie het Stbl. 24.12.76 K.B. 3.12.76).
§2. Geluidshoorn.
1° Elke auto moet uitgerust zijn met een geluidshoorn die een ononderbroken geluid met vaste toonhoogte voortbrengt.
2° De auto's waarvoor de aanvraag om goedkeuring vanaf 1 januari 1977 (K.B. 11.8.76, art. 13) wordt ingediend moeten uitgerust zijn met een geluidshoorn goedgekeurd overeenkomstig de door Ons vastgestelde voorwaarden.
(Voor de goedkeuring van de geluidssignaalinrichting: zie Stbl. 24.12.76/K.B. 3.12.76)
3° De voertuigen van de politiediensten, de niet gebanaliseerde voertuigen van de dienst wegcontrole van het Bestuur van Vervoer te Land de niet gebanaliseerde voertuigen van de Administratie der Douane en Accijnzen aangeduid door de Minister van Financiën, de niet gebanaliseerde voertuigen van de militaire politie en van de diensten voor het ophalen en vernietigen van explosieven aangeduid door de Minister van Landsverdediging, ( de voertuigen van de Federale Overheidsdienst van Justitie bestemd voor het vervoer van gedetineerden en voor het Openbaar Ministerie, het dienstvoertuig van de provinciegouverneurs, de herkenbare voertuigen van de inspectiediensten van de gewesten en van de maatschappijen voor openbaar vervoer belast met wegcontrole, ) de ziekenauto's, de voertuigen voor dringende medische interventie van de dienst 100, de brandweervoertuigen, de voertuigen van de Civiele Bescherming, de voertuigen voor hulpverlening van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, de voertuigen voor hulpverlening bij ernstig incident veroorzaakt door water, gas, elektriciteit of radioactieve stoffen, mogen van een speciale geluidshoorn voorzien zijn. Bij wijze van uitzondering kan de Minister van Verkeerswezen de toelating verlenen om andere voertuigen van een speciale geluidshoorn te voorzien.
4° Dienen niet beschouwd als geluidshoorns of als speciale geluidshoorns, bedoeld in de voorgaande paragrafen, de bellen of andere geluidgevende toestellen die al dan niet op de voertuigen aangebracht zijn en door de leurders gebruikt worden om de klandizie van hun komst te verwittigen.
Deze bellen en toestellen mogen geen geluid voortbrengen dat kan verward worden met dit van de geluidshoorns of van de speciale geluidshoorns. Zij mogen niet aanhoudend gebruikt worden terwijl het voertuig rijdt.
Zij moeten stilgelegd worden indien de sub 3° hierboven bedoelde speciale geluidshoorn gehoord wordt van de plaats waar het voertuig zich bevindt.
§3. Achteruitkijkspiegels.
1° De auto's waarvoor de aanvraag om goedkeuring voor 1 januari 1977 werd ingediend, mogen uitgerust zijn met ten minste één achteruitkijkspiegel, zo opgesteld dat de bestuurder in staat is van zijn zitplaats, de openbare weg achter en links van het voertuig gade te slaan en een ander voertuig dat begonnen is links in te halen, waar te nemen.
2° De auto's waarvoor de aanvraag om goedkeuring vanaf 1 januari 1977 werd ingediend, moeten uitgerust zijn met achteruitkijkspiegels goedgekeurd volgens de voorschriften van de Richtlijn 71/127/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 1 maart 1971 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de achteruitkijkspiegels van de motorvoertuigen.
3°
- De voorschriften van de voornoemde richtlijn 71/127/EEG, laatstelijk gewijzigd door de richtlijn van de Commissie van de Europese Gemeenschappen 88/321/EEG van 16 mei1988, toegepast volgens de modaliteiten vastgesteld in artikelen 3 en 3bis, mogen, op aanvraag van de constructeur, de bepalingen bedoeld in 2° vervangen.
- Het in 3 van artikel 3bis gevraagde bewijs zal bestaan uit een proefnemingsverslag afgeleverd hetzij door het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid VZW, Haachtsesteenweg 1405, 1130 Brussel, hetzij door het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur, Wegverkeer - Technische Directie, Wetstraat 155, 1040 Brussel.
- De voorschriften van a), zijn bindend voor al de auto's in dienst gesteld vanaf1 januari1991.
4° Zijn echter vrijgesteld van de goedkeuringsvoorschriften, de speciale achteruitkijkspiegels van de voertuigen gebruikt voor het trekken van aanhangwagens van het " karavantype ". Zij moeten op het trekkend voertuig gemonteerd worden ter aanvulling van de goedgekeurde achteruitkijkspiegel.
- Deze achteruitkijkspiegels moeten afneembaar zijn en mogen zich slechts op het voertuig bevinden wanneer dit een aanhangwagen van het "karavantype" trekt.
§4. Inrichting voor indirect zicht
De voertuigen van de categorieën N2, N3 en M3, waarvoor de aanvraag om typegoedkeuring vanaf 1 januari 2003 wordt ingediend, alsook de nieuwe voertuigen van de categorieën N2, N3 en M3, in dienst gesteld na 1 januari 2003, zijn uitgerust met een inrichting voor indirect zicht die voldoet aan de bepalingen opgenomen in bijlage 16, hoofdstuk II, bij dit besluit en waarvan de montage voldoet aan de bepalingen van hoofdstuk III van dezelfde bijlage en dat door de Minister tot wiens bevoegdheid het wegverkeer behoort of diens afgevaardigde, werd goedgekeurd.
De andere voertuigen dan deze bedoeld in lid 1, mogen uitgerust zijn met een inrichting voor indirect zicht die de bestuurder vanaf zijn zitplaats een zichtveld biedt groter dan dat bepaald in de voorschriften van de bovengenoemde richtlijn 71/127/EEG van de Raad.
De voertuigen van de categorieën N2, N3 in dienst gesteld voor 1 januari 2003 zijn vanaf de dag van de eerste keuring die in het jaar 2003 plaats vindt overeenkomstig artikel 23novies van dit besluit en in ieder geval voor 1 januari 2004, aan de passagierszijde uitgerust met een inrichting voor indirect zicht die voldoet aan de bepalingen opgenomen in de punten A, B.1 en B.2.1 en aanhangsel 1 en 2 van hoofdstuk II van bijlage 16 bij dit besluit.
De inrichtingen voor indirect zicht van het type camera-beelschermsysteem, zoals bedoeld in punt B van hoofdstuk II van bijlage 16, leveren een permanent beeld in het zichtbare spectrum waarbij de weergave van het beeld gebeurt zonder interpretatie en waarvan het mogelijk is om het contrast en de helderheid automatisch of manueel te regelen.
De montage van de inrichting voor indirect zicht voldoet aan de bepalingen van de punten 1, 3.1, 3.2, 3.5, 3.6, 3.8, 5.7, 6, 7, 8, 9 en aanhangsel 1 van hoofdstuk III van bijlage 16. Het gezichtsveld van de inrichting voor indirect zicht, eventueel in combinatie met dat van de reeds bestaande spiegels op het voertuig, voldoet aan punt 5.4.2 van hoofdstuk III van bijlage 16.
Voor de beoordeling van het gezichtsveld wordt verondersteld voldaan te zijn aan de bepalingen van punt 5.4.2 van hoofdstuk III van bijlage 16 indien het gezichtsveld tot op een laterale afstand van 12,5 m vanaf de buitenkant van het voertuig aanwezig is.
De overeenstemming van inrichtingen voor indirect zich met de in het eerste lid vermelde bepalingen wordt tijdens de keuring bedoeld in het eerste lid nagezien door de instellingen erkend in toepassing van het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en de regels van de administratieve controle van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen.
§6.
In afwijking van de bepalingen van §4 is het toegelaten dat:
niet voldoen aan de bepalingen van bijlage 16, op voorwaarde dat de voertuigen bij hun in dienststelling, uitgerust zijn met een inrichting voor indirect zicht die voldoet aan de bepalingen van §5 en waarvan de overeenstemming daarmee nagezien is volgens de modaliteiten bepaald in §5.
§7.
Nochthans geeft de keuring van de voertuigen bedoeld in §5 en §6 geen aanleiding tot herkeuring binnen de 15 dagen indien vastgesteld wordt dat de inrichting voor indirect zicht van het voertuig niet voldoet, op voorwaarde dat:
|
|||||
|
|
|