HOOFDSTUK Vl Constructie.

naar index
constructie Hdst 6(6)
 
constructie Hdst 6(8)
naar mijn homepage

(motor - brandstof - accu)

ART 36 MOTOR VAN DE AUTO'S.

1. Het motorvermogen moet ten minste bedragen:

N = MTM x p
waarbij:
"N" = motorvermogen in pk;
"MTM" = de maximale toegelaten massa in ton;
"p" = 5 indien het motorvermogen is aangegeven in DIN pk en aan 5,5 indien het motorvermogen is aangegeven in SAE "Gross" pk.
De cijfers 5 en 5,5 zijn respectievelijk gelijk aan:
1) 8 en 9 bij autobussen of autocars;
2) 2,5 en 2,75 bij auto's voor traag vervoer.
Dit voorschrift geldt eveneens voor slepen.

 « 2. Motorvoertuigen, voor de eerste maal in gebruik genomen vanaf 1 januari 2004, beschikken per ton van de maximale technisch toelaatbare massa van de sleep over een motorvermogen van minstens :

ART 37 BRANDSTOFLEIDINGEN EN - RESERVOIR:

§2. Voor voertuigen waarvan het hoogste toegelaten gewicht meer bedraagt dan 2.500 kg, met uitzondering van de personenauto's en de auto's voor dubbel gebruik, gelden volgende voorschriften:

Die bepaling is evenwel niet toepasselijk op de voertuigen voor traag vervoer.

De vrije hoogte onder het brandstofreservoir en de brandstofleidingen moet, in onbeladen toestand, ten minste 30 cm bedragen, tenzij delen van chassis of carrosserie lager zijn gelegen en voldoende bescherming voor het reservoir en de leidingen bieden.

Voor de voertuigen uitgerust met een benzinemotor moeten zodanige voorzieningen getroffen worden dat in geval van lekkage van het brandstofreservoir of de leidingen geen brandstof op de ontstekingsverdeler kan terechtkomen.

Het brandstofreservoir en, zonder technisch verantwoorde reden, de brandstofleidingen mogen zich niet op minder dan 10 cm van de uitlaatleiding of de knalpot bevinden. Eveneens voor de voertuigen in dienst genomen met ingang van 1 oktober 1971 mogen noch het reservoir, noch de verbindingen van de brandstofleiding zich boven de uitlaatleiding of de knalpot bevinden .

 

§3. Bij autobussen en autocars moeten het brandstofreservoir en de brandstofleidingen buiten de personenruimte zijn aangebracht en mag de vulopening niet op minder dan 50 cm van een deur voor normaal gebruik door de reizigers, noch in de personenruimte zijn gelegen.

 

§4. Afgezien van het hierboven bepaalde aangaande de uitrusting der voertuigen wat betreft het benzine- of gasoliereservoir moeten de voertuigen, voorzien van een met vloeibaar gemaakt petroleumgas (L.P.G.) of aardgas (N.G.V.) aangedreven motor, voldoen aan de door Ons vastgestelde eisen.

 

§5.

De brandstofreservoirs moeten zodanig zijn vervaardigd dat zij bestand zijn tegen corrosie. Zij moeten de door de fabrikant uitgevoerde dichtheidsproeven met een druk gelijk aan het dubbele van de relatieve bedrijfsdruk, en in ieder geval met een druk van tenminste 1,3 bar met goed gevolg doorstaan. Iedere eventuele overdruk of iedere druk groter dan de bedrijfsdruk moet automatisch worden gecompenseerd met behulp van passende inrichtingen (gaten, veiligheidskleppen en dergelijke). De luchtgaten moeten zodanig zijn voorzien dat ieder gevaar voor ontbranding wordt voorkomen. De motorbrandstof mag niet kunnen wegvloeien door de sluitdop van de vulopening of door de inrichtingen voor de compensatie van overdruk, zelfs bij algehele omkanteling van het reservoir: druppeling zal worden getolereerd .

De motorbrandstofreservoirs moeten zodanig zijn geplaatst dat zij zijn beschermd tegen de gevolgen van een schok aan voor- of achterzijde van het voertuig; uitstekende delen, snijdende punten, enz., in de buurt van reservoirs, moeten worden vermeden.

Deze bepalingen zijn niet van toepassing op de brandstofreservoirs van de voertuigen waarvoor de aanvraag om goedkeuring werd ingediend voor 1 januari 1976, op voorwaarde dat die brandstofreservoirs zo zijn geplaatst, dat eventuele lekbrandstof direct op de grond kan vallen.

 

ART 38 ACCUBATTERIJEN:

  1. De accubatterijen van elk voertuig moeten gemakkelijk te bereiken zijn.

  2. Bij autobussen en autocars moeten de accubatterijen zijn vastgezet in een door middel van een volkomen dichte wand van de personenruimte afgesloten ruimte met openingen die een permanente ventilatie naar buiten verzekeren.

constructie Hdst 6(6)
 Top of page
constructie Hdst 6(8)
naar index technisch reglement