|
(ophanging - banden - spatborden)
Welke banden mogen er op jou voertuig?
Wijzigingen die in werking traden op 1 januari 2004 zijn tussen [ ] .
ART 33 OPHANGING.
ART 34 LUCHT- EN CUSHIONBANDEN.
[ § 1. 1°. Het draagvermogen en de snelheidscategorie van de banden zijn verenigbaar met het laadvermogen per as en de maximale snelheid bepaald in het PVG, het certificaat van overeenstemming of het instructieboekje van de constructeur.
Voor de voertuigen van de categorie M1 zijn de hierna volgende regels van toepassing :
Er wordt een PDF bestand geopend.
2° De voertuigen van categorie M1, goedgekeurd conform de richtlijn 70/156/EEG, zijn bij hun eerste indienststelling uitgerust met banden die conform zijn aan de bijlagen van richtlijn 92/23/EEG van de Raad van 31 maart 1992 betreffende banden voor motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan alsmede betreffende de montage ervan.
De banden zijn voorzien van het merk, de naam, het gamma en de twee volgende aanduidingen :
a) Een aanduiding van het type Ex ab815222 of ex 815222, waarbij de onderscheiden delen de volgende betekenis hebben :
b) Een aanduiding van het type 195/65 R 15 91 H, waarbij de onderscheiden delen de volgende betekenis hebben :
De symbolen van de snelheidscategorieën zijn als volgt gecodificeerd :
| Snelheids- symbool |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| Snelheid km/uur |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
3° De banden die gemonteerd zijn op voertuigen van categorie M1, die voor de eerste maal in dienst gesteld zijn vóór 1 januari 1998 en banden van voertuigen van andere categorieën, in dienst gesteld vóór 1 juli 2002 moeten niet voorzien zijn van de aanduiding van het type Ex 02815222 of ex 815222.
De banden van alle voertuigen, voor de eerste maal in dienst gesteld vanaf 1 januari 2004, voldoen aan de voorschriften van de voormelde richtlijn 92/23/EEG van de Raad en zijn voorzien van de aanduidingen bedoeld in § 1, 2°.
Vanaf 1 januari 2004, zijn alle nieuw verkochte banden, behalve de heropgegoten banden, voorzien van die aanduidingen.
4° De heropgegoten banden mogen gemonteerd zijn op voertuigen in gebruik tot 1 januari 2006, op voorwaarde dat het bewijs geleverd wordt dat het om banden gaat die heropgegoten zijn volgens de regels van de kunst.
Vanaf 1 januari 2006, zijn alle heropgegoten banden die verkocht en gemonteerd worden op voertuigen in dienst, goedgekeurd conform Reglement nr. 108 betreffende de eenvormige voorschriften, aangaande de goedkeuring van de fabricatie van heropgegoten banden voor motorvoertuigen en conform Reglement nr. 109 betreffende de eenvormige voorschriften, aangaande de goedkeuring van de fabricatie van heropgegoten banden voor bedrijfsvoertuigen en hun aanhangwagens, in bijlage aan het Akkoord van Genève van de Economische Commissie voor Europa. De reglementen nr. 108 en nr. 109 worden opgenomen als respectievelijk bijlagen 19 en 20 bij dit besluit.
De Minister of zijn gemachtigde duidt (het) (de) labo(s) aan (dat) (die) gemachtigd (is) (zijn) om de testen uit te voeren, voorgeschreven door deze Reglementen. De Dienst Voertuigen van het Directoraatgeneraal Mobiliteit en Verkeersveiligheid is belast met het administratief
beheer en de toepassing van deze Reglementen en inzonderheid om ingeval van positieve testen, de goedkeuring af te leveren aan de fabrikanten die erom vragen.
De banden dragen het goedkeuringsteken, dat bepaald is door die Reglementen en van het volgende type is :
§2. Bij autobussen en autocars moet de vrije ruimte om de luchtbanden van de aandrijfwielen zodanig zijn dat die luchtbanden (of de buitenste banden alleen indien het dubbel gemonteerde banden zijn) van sneeuwkettingen kunnen voorzien worden.
Daartoe moet er:
§3.
1° Op personenauto's en auto's voor dubbel gebruik is het verboden twee banden van verschillende structuur op dezelfde as te monteren.
Bovendien is het verboden, op de achteras van personenauto's en auto's voor dubbel gebruik banden te monteren met een diagonale structuur wanneer op de vooras radiaalbanden gemonteerd zijn.
2° In geen geval mogen de personenauto's en auto's voor dubbel gebruik uitgerust worden met banden die opnieuw ingesneden of hertekend werden.
[ « § 3. 1° Volgende voorschriften zijn van toepassing op de banden die gemonteerd zijn op voertuigen van categorie M1.
Ter herinnering zal een plaatje met deze limietsnelheid binnenin het voertuig aangebracht worden, op een voor de bestuurder goed zichtbare plaats.
Dat plaatje mag ook gekleefd blijven als banden gemonteerd werden met een hogere snelheidsindex.
Bedoelde banden zijn slechts toegelaten gedurende de periode van 1 oktober tot 30 april.
De bepalingen van dit punt zijn niet van toepassing voor banden van het type M+S met een snelheidscategorie waarvan de overeenstemmende snelheid groter of gelijk aan de voor het voertuig bepaalde maximale snelheid.
2° Behalve voor banden voor voertuigen voor traag vervoer, bedraagt de overblijvende diepte van de tekening van de band, meer dan 1,6 mm over de drie vierden van het loopvlak.
De banden van de voertuigen van categorie M1 omvatten ten minste zes dwars lopende rijen slijtage-indicatoren ongeveer gelijkmatig verdeeld over het loopvlak en gelegen in de brede groeven in het centrale gedeelte van het loopvlak dat ongeveer driekwart van de breedte van het loopvlak beslaat. De slijtage-indicatoren kunnen niet worden verward met de rubber overbruggingen tussen de ribben of de nokken van het loopvlak.
Voor banden die kunnen worden gemonteerd op velgen met een nominale diameter van ten hoogste 12" zijn vier rijen indicatoren evenwel voldoende.
De slijtage-indicatoren maken het mogelijk met een tolerantie van + 0,6/-0 mm aan te geven dat de groeven van het loopvlak nog slechts een diepte hebben van 1,6 mm. » ]
|
Welke banden mogen er op jou voertuig? Neem je kentekenbewijs of het gelijkvormigheidsattest van je voertuig, hieorp staat het PVG nummer dat je moet ingeven. Info verstrekt door Goca. |
§1 De voertuigen moeten zodanig zijn gebouwd of ingericht dat het achterwaarts [en het opwaarts] (K.B. 9.4.90, art. 4.A) spatten te wijten aan het draaien van de wielen op rationele wijze wordt beperkt.
§2. Voor de achterwielen van de voertuigen:
§3. De achterstellen en mallejans die inzonderheid bestemd zijn voor het vervoer van boomstammen[...](K.B.9.4.90,art.4.B) en de voertuigen voor traag vervoer moeten niet bestendig van die afscherming zijn voorzien, wanneer zulks nodig blijkt, zodanig zijn uitgerust dat zij voor de andere weggebruikers een bescherming bieden, gelijk aan die welke wordt bekomen bij het naleven van voormelde voorschriften.
§4. De vrachtauto's, de trekkers voor opleggers en de aanhangwagens of opleggers met een maximale toegelaten massa van meer dan 3.500 kg, moeten voorzien zijn van inrichtingen voor het opvangen van het water opgespat door de banden die gemonteerd en goedgekeurd zijn conform de bepalingen van bijlage 13 bij dit besluit. Deze bepalingen zijn bindend voor de voertuigen die vanaf 1 januari 1991 in dienst gesteld worden.
De Minister of zijn gemachtigde kan bepaalde voertuigcategorieën waarop het aanbrengen die inrichtingen onverenigbaar is met hun gebruiksdoel, vrijstellen van deze bepalingen.
|
|
||
|
|
|
|||||
|
|
|