HOOFDSTUK Vl Constructie. (deel 5)

naar index
constructie Hdst 6(5)
 
constructie Hdst 6(6)
naar mijn homepage

ART 32bis AFMETINGEN en MASSA'S van voertuigen waarvan de aanvraag tot goedkeuring ingediend is vanaf 1 JANUARI 1985.

Laatste wijziging punt 3.1.3.3 en 3.1.3.4 - KB 17-12-2008 BS. 22-01-2009 - invoege 1 febr. 2009

1. Algemene specificaties.

1.1. In dit artikel worden de voertuigen ingedeeld in 3 klassen.
1.1.1. Klasse I: Deze klasse betreft de voertuigen bestemd voor het vervoer van personen.
1.1.2. Klasse II: Deze klasse betreft de voertuigen of combinaties van voertuigen bestemd voor het vervoer van goederen waarvan de maximale toegelaten massa, de 44 ton niet overschrijdt.
1.1.3. Klasse III: Deze klasse betreft:
hetzij de afzonderlijke voertuigen bestemd voor het vervoer van goederen met een maximale massa en/of afmetingen die deze voorzien voor de afzonderlijke voertuigen, overschrijden;
hetzij de combinaties van voertuigen bestemd voor het vervoer van goederen met een maximale massa en/of afmetingen die deze voorzien in klasse II, overschrijden.
Om op de openbare weg te rijden moeten deze voertuigen een vervoerstoelating hebben, afgeleverd door de Minister van Openbare Werken, of zijn afgevaardigde, en die voldoet aan de voorwaarden die hij vaststelt. (afwijking genoemd)
1.2. Afmetingen.
1.2.1. De afmetingen van een voertuig of combinatie van voertuigen, de voertuigen uitgerust met afneembaar(bare) koetswerk(en) inbegrepen, worden gemeten met alle uitstekende delen inbegrepen. De lengte van de dissel van de aanhangwagen is begrepen in de lengte van de aanhangwagen.

1.2.2. Voor het meten van de afmetingen worden volgende onderdelen niet in aanmerking genomen :
1.2.2.1. Voor het meten van de breedte :
1.2.2.2. Voor het meten van de lengte :
1.2.2.3. Voor het meten van de hoogte :
1.2.3. Bij voertuigen in dienst gesteld vóór 17 september 1997 worden daarenboven, en dit tot 31 december 2006, volgende onderdelen niet in aanmerking genomen :
1.2.3.1. voor het meten van de breedte :
    1. de slijkweerders en spatschermen in soepel materiaal met een maximum overschrijding van 5 cm aan elke zijde;
    2. de scharnieren en de sluitingsinrichtingen van de deuren met een maximum overschrijding van 2,5 cm aan elke zijde;
    3. de inrichtingen voor het oprollen van de dekzeilen met een maximum overschrijding van 2,5 cm aan elke zijde.

1.3. Wielbasis.

1.3.1. De geometrische wielbasis is:
De geometrische wielbasis is van toepassing voor het berekenen van de bestreken baan.
1.3.2. Een tolerantie van 2 % mag worden toegekend bij het meten van de wielbasissen alsook bij de interassen afstanden (E, El, E2) voor tandem en tridem.

1.4. Massa's.

1.4.1. Elk voertuig of combinatie van voertuigen moet aan de volgende voorschriften voldoen indien zij erop toepasselijk zijn:
1.4.1.1. De maximale toegelaten massa mag niet hoger zijn dan de massa vastgesteld door de hiernavermelde formules, in dewelke A de afstand is, uitgedrukt in meters, tussen de eerste as en het middenpunt van de achteras of groep achterassen.
M <= 12 000 + 4300 A
voor A <= 3 m of M <= 25 000 kg.
M <= 17 000 + 2 700 A
voor A > 3 m of M > 25 000 kg.
Bij motorvoertuigen (voor internationaal vervoer) met vier assen waarvan twee gestuurde voorassen mag de maximale toegelaten massa in ton niet hoger zijn dan vijf maal het maatgetal van de afstand in meter tussen de voorste en de achterste as van het voertuig.

1.4.1.2. De massa, gemeten onder de aandrijfas(sen) moet ten minste gelijk zijn aan 25 % van de totale massa van de combinatie van voertuigen, of van het voertuig wanneer dit geen aanhangwagen trekt.

1.4.1.3. De massa, gemeten onder de voorste as(sen) van het motorvoertuig moet steeds minstens gelijk zijn aan 20 % van de massa van dit voertuig, in alle beladingstoestanden.

1.4.1.4. In het geval van een groep assen, waarvan een of twee ophefbaar zijn, moet de gemeten massa onder de vaste as(sen) binnen de perken blijven voor de maximale toegelaten massa per enkele as, wanneer men tracht de ophefbare as(sen) op te heffen of wanneer men deze opheft.

1.4.1.5. In het geval van een groep assen, waarvan er een van de assen rust op een oppervlakte die 6 cm hoger ligt dan de oppervlakte waarop de andere as(sen) rust(en), mag de op de grond overgedragen massa door elk van de andere assen, het gedeelte van de maximale toegelaten massa op de grond onder de assengroep dat door elk van hen wordt gedragen, met niet meer dan 25 % overschrijden.

1.4.2. Bijzondere voorschriften.

1.4.2.1. De massa's, met inbegrip van de maximale toegelaten massa's, van voertuigen uitgerust met een vertrager, kunnen verhoogd worden met de massa van deze vertrager, met een maximum van 500 kg, indien de constructeur de aanvraag ingediend heeft tijdens de goedkeuring van het voertuig, of achteraf.

1.4.2.2. De massa's, met inbegrip van de maximale toegelaten massa's, voor gelede voertuigen met oplegger uitgerust met speciale aanpassingen of met een versterkte chassis voor het gecombineerd vervoer weg-spoor, kunnen verhoogd worden met deze bijkomende massa's, met een maximum van 500 kg, indien de constructeur de aanvraag ingediend heeft bij goedkeuring van het voertuig, of achteraf.

1.4.3. Voor het meten van de massa's van voertuigen in gebruik, mag een meettolerantie van 2 % toegestaan worden op de maximale massa en van 5 % op verdeling van de massa's op de assen.

1.5. Andere bepalingen.

    1.5.1. Geen enkel punt voor het center van de koppelingspen van een oplegger, indien deze vast is, mag zich bevinden buiten een denkbeeldige cylinder met een verticale as, welke door het center van de koppelingen gaat en een straal van 2,05 m heeft.

    In het geval dat de koppelingspen tijdens de draaibeweging van het voertuig zich verplaatst, dient de constructeur te bewijzen dat de in vorige alinea vastgestelde regel tijdens de draaibeweging nageleefd wordt.

    1.5.2. Bij een aslijn bestaande uit meerdere gedeelde assen (pendel-assen) is de maximale toegelaten verdraaing in het verticale dwarsvlak 25% per as.

    1.5.3. De vertikale last onder de koppeling van een zich in rust en in horizontale stand bevindende eenassige aanhangwagen dient onder alle toegestane beladingsomstandigheden:

    De toegepaste koppeling en de bevestigingsdelen aan de voertuigen dienen geschikt te zijn voor de opvang van de hierboven genoemde krachten.

    1.5.4. De afstand gemeten in de lengterichting van het voertuig tussen het meest vooruitgelegen deel van een motorvoertuig met twee of meer assen en het middelpunt van het stuur mag niet meer dan 3,50 m bedragen.

1.6. Referentiemassa's.

1.6.1. De massa per wiel wordt beperkt door de capaciteit van de banden, maar mag echter niet hoger zijn dan:

1.6.2. Massa per enkele as.
De massa wordt bepaald door de totale massa overgebracht op de grond door alle wielen, waarvan het middelpunt gelegen is in een en hetzelfde verticaal dwars vlak over de ganse brecdte van het voertuig

De maximale toegelaten massa voor een aangedreven as is 12 000 kg. De maximale toegelaten massa voor een dragende as is 10 000 kg.

1.6.3. Massa per tandem.
Men verstaat onder tandem, een groep van twee opeenvolgende assen die na elkaar geplaatst, zijn en waarvall dc afstand tussen het midden van beide assen (E) gelijk of groter is dan 1 m kleiner dan 1,8 m.

Bij een afstand van minder dan 1 m worden beide assen als een enkele as beschouwd.

Bij een afstand van meer of gelijk aan 1,8 m worden de assen beschouwd als afzonderlijke assen .

1.6.3.1. Aangedreven tandem (1 of 2 aangedreven assen).
De maximale massa van elk der assen mag niet meer bedragen dan 12000 kg

De maximale massa van de tandem mag niet meer bedragen dan 19 000 kg indien de afstand E kleiner is dan 1,3 m

De maximale massa van de tandem mag niet meer bedragen dan 20 OO0 kg indien de afstand E gelijk of groter is dan 1,3 m doch kleiner is dan 1,8 m

1 6.3.2. Dragende tandem.
De maximale massa van elk der assen mag niet meer bedragen dan 10 O00 kg.

De maximale massa's van de dragende tandem, in functie van de afstand tussen de assen E, en volgens het type van ophanging zijn:

Asafstand
(E)
Machanische
ophanging
Pneumatische
ophanging
mm
kg
kg
E < 1.000
11.000
11.000
1.000 <= E < 1.200
16.000
17.000
1.200 <= E < 1.300
17.000
18.000
1.300 <= E < 1.800
18.000
20.000
1.800 <= E
20.000
20.000
1.6.4. Massa per tridem.
Men verstaat onder tridem: een groep van drie opeenvolgende assen die na elkaar geplaatst zijn en waarvan de afstand tussen het midden van de assen van de eerste en van de tweede as alsook de afstand tussen het midden van de tweede as en van de derde as, respectievelijk E1 en E2, gelijk of groter zijn dan 1 m, en 1,8 m niet bereiken.

Indien een van de afstanden, E 1 of E2, kleiner is dan 1 m wordt de groep van assen beschouwd als een tandem.

Indien beide afstanden, E1 en E2, kleiner zijn dan 1 m wordt de groep van assen beschouwd als een enkele as.

Indien een van de afstanden, E1 of E2 gelijk of groter zijn dan 1,8 m wordt de groep assen beschouwd als een tandem en een enkele as, de enkele as zijnde de buitenste van de groep van drie opeenvolgende assen met een afstand E gelijk of groter dan 1,8 m, in verhouding tot de meest nabijgelegen as.

Indien de afstanden, E1 en E2, gelijk zijn of groter zijn dan 1,8 m wordt de groep van assen beschouwd als drie afzonderlijke assen.

De maximale massa op een van de assen van de tridem mag niet meer bedragen dan 10 000 kg. De maximale massa van de tridem in functie van de kleinste afstand tussen de assen El of E2 en volgens het type van de ophanging zijn:

Asafstand
(E1, E2)
Machanische
ophanging
Pneumatische
ophanging
mm
kg
kg
E1, E2 < 1.140
21.000
22.000
1.140 <= E1, E2 < 1.300
21.000
24.000
1.300 <= E1, E2 < 1.800
24.000
27.000

1.6.5 Aslijn bestaande uit meerdere afzonderlijke assen (pendelassen).

    De maximale massa per as is bepaald volgens de regels vastgesteld in punten 1.6.1. en 1.6.2.

2. Afmetingen en massa's van de voertuigen van de klasse 1.

2.1. Afmetingen.

2.1.1. De maximale breedte is vastgesteld op 2,55 m.

2.1.2. De maximale hoogte is vastgesteld op 4 m.

Nochtans, voor de openbare diensten of speciale stadsautobussen, kan de Minister van Verkeerswezen of zijn afgevaardigde voertuigen met een maximale hoogte van 4,40 m in het verkeer toelaten.
De Minister van Verkeerswezen of zijn afgevaardigde bepalen de reisweg die deze voertuigen mogen gebruiken.

2.1.3. De maximale lengte is vastgestelde op: (gewijzigd sinds 1 mei 2003)

2.2. Massa's

De maximale toegelaten massa zijn:

voor enkelvoudige voertuigen met 2 assen: 19 000 kg;
voor enkelvoudige voertuigen met 3 assen: 26 000 kg;
voor gelede voertuigen met vouwbalg: 26 000 kg.

2.3. Bestreken baan.

2.3.1. Bepalingen van toepassing op voertuigen in nieuwe staat in het verkeer gebracht voor 1 juni 1987.

De auto's en de slepen moeten zo gebouwd en ingericht zijn dat ze kunnen rijden in een ring gevormd door een buitencirkel met een straal van 12 m en een binnencirkel met een straal van 6,50 m zonder dat een deel van de auto of sleep buiten dit ringvormig oppervlak komt.

Daarenboven, wanneer de auto's of de slepen in deze ring langsheen de buitencirkel rijden, mag de uitzwaai ter hoogte van de achteras niet meer dan 0,50 m bedragen.

Deze voorschriften zijn van toepassing rekening houdend met de nominale waarden van de voertuigen. Bij het controleren van voertuigen in het verkeer, wordt een tolerantie toegepast van 50 mm op de breedte van de ring en van 20 mm op de uitzwaai.

2.3.2. Bepalingen van toepassing op voertuigen in nieuwe staat in het verkeer gebracht vanaf 1 juni 1987.

Een auto of een sleep moet zich zodanig kunnen bewegen dat, bij het met de voorzijde van de auto of van de sleep in-, door- en uitrijden van een cirkelbaan met een buitenstraal van 12,50 m, geen deel van de auto of van de sleep de raaklijn aan genoemde cirkelbaan met meer dan 0,80 m zal overschrijden en de breedte van de bestreken baan niet meer dan 7,20 m zal bedragen, en wel onder de volgende omstandigheden:

2.3.2.1. het in- en uitrijden geschiedt met de buitenzijde van de auto of van de sleep langs de binnenzijde van de raaklijn aan de cirkelbaan;
2.3.2.2. het doorrijden van genoemde cirkelbaan geschiedt langs de binnenzijde van de buitenomtrek van de cirkelbaan;
2.3.2.3. het uitrijden geschiedt na het doorrijden van de cirkelbaan onder een hoek van 360 graden.
Voorts dient de auto of de sleep zich na het doorrijden over een hoek van 120° van een cirkelbaan met een buitenstraal van 12,50 m geheel binnen de cirkelbaan te bevinden.


3. Afmetingen en massa's van de voertuigen van de klasse II.

3.1. Afmetingen.

3.1.1. De maximale breedte is vastgesteld op 2,55 m.
Deze maximumbreedte is echter vastgesteld op 2,60 m voor voertuigen waarvan de vaste of mobiele bovenbouw speciaal is ingericht voor het vervoer van goederen bij een geleide temperatuur en waarvan elk van de zijwanden, met inbegrip van de isolatie, ten minste 45 mm dik is.

3.1.2. De maximale hoogte is vastgesteld op 4 m.

3.1.3. De maximale lengte is vastgesteld als volgt:

3.2. Massa's. De maximale toegelaten massa's zijn:

3.2.1. voor motorvoertuigen met:
2 assen : 19.000 kg;
3 assen: 26.000 kg;
4 assen: 32.000 kg;
3.2.2. Voor aanhangwagens met uitsluiting van opleggers:
3.2.2.1. voorzien met centrale as(sen) bestaande uit:
      1. enkelvoudige as : 10.000 kg;
      2. tandem: 18.000 kg;
      3. tridem: 24.000 kg;
    3.2.2.2. Aanhangwagens met 2 assen: 20 000 kg.

    3.2.2.3. Aanhangwagens met 3 of meer assen: 30 000 kg.

3.2.3. Voor gelede voertuigen bestaande uit:
3.2.4. Voor de samengestelde voertuigen bestaande uit:

3.3. Bestreken baan.

De voertuigen en de combinaties van voertuigen moeten zo gebouwd en ingericht zijn dat ze kunnen rijden in een ring gevormd door een buitencirkel met straal van 12,50 m en een binnencirkel met straal van 5,30 m zonder dat een deel van de voertuigen of de combinaties van voertuigen buitell deie ring oppervlakte komen.
Bij het inrijden langs een raaklijn aan de buitencirkel van de ring en gedurende de volledige draaibeweging moet het voorste, buitenste deel van de voertuigen de raaklijn en buitencirkel volgen.
Bij het inrijden vanuit de raaklijn aan de buitenste cirkel zal geen deel van de voertuigen of de combinaties van voertuigen deze raaklijn met meer dan 0,80 m overschrijden.
Deze voorschriften zijn van toepassing rekening houdend met de nominale waarden van de voertuigen. Bij het controleren van voertuigen in gebruik, wordt een tolerantie van vijf cm voor de breedte van de ring en van twee cm voor de uitzwaai toegepast.

3.4. « Bepaling van de maximale toegelaten sleepbare massa van een motorvoertuig, al of niet een specifieke trekker, bestemd om een aanhangwagen te trekken.

De maximale toegelaten sleepbare massa is op het ogenblik van de inschrijving of de indienstelling van een motorvoertuig, de laagste van de volgende waarden :
Een lagere dan de aldus bepaalde massa kan aanvaard worden op verzoek van de fabrikant. »

4. Afmetingen en massa's van de voertuigen van de klasse III.

De afmetingen en de massa's van deze klasse mogen de maximale waarde van de klasse II overschrijden.
Deze voertuigen moeten hoe dan ook de maximale toegelaten massa's per wiel respecteren.
De waarde van de toegelaten afmetingen en massa's zullen, geval per geval, vastgesteld worden.
Deze voertuigen of combinaties van voertuigen zijn het onderwerp van een speciale goedkeuring.

5. Landbouvoertuigen.

5. 1. Afmetingen.
De maximafe toegelaten afmetingen zijn deze, voorzien in §3 van dit artikel.

Nietemin is de maximum breedte vastgesteld op 3 m voor de landbouwvoertuigen die zich van de hoeve naar het veld en omgekeerd verplaatsen evenals voor het materieel van speciale constructie, voor zover deze voertuigen zich met een maximum snelheid van 30 km per uur verplaatsen .

De beweegbare of gemakkelijk afneembare buitenste delen moeten niettemin opgevouwen of verwijderd zijn om de breedte tijdens de verplaatsing op de openbare weg te verminderen.

5.2. Massa's.
De maximale massa's van landbouwvoertuigen zijn deze, vastgesteld door §3 van dit artikel.
Nochtans mag de maximale massa van de landbouwaanhangwagens, uitgerust met een hydrolische bedrijfsrem, 22.000 kg bedragen, met een maximum onder de assen van 20.000 kg.

Voor de landbouwaanhangwagens, bedoeld in artikel 2, §2. 9° en 10° van dit besluit, mag de maximale massa niet meer dan 8 ton bedragen.

6. Inwerkingtreding

  1. De voorschriften van artikelen 7, §3bis en 32bis van dit besluit mogen toegepast worden op aanvraag van de constructeur of diens vertegenwoordiger eoor elke aanvraag om goedkeuring ingediend, van zodra de inwerkingtreding van genoemd besluit.

  2. Vanaf 1 juli 1985, mogen de voorschriften van artikelen 7, §3bis en 32bis van dit besluit toegepast worden voor elke aanvraag om inschrijving van nieuwe voertuigen of elke indienststellling van aanhangwagens of opleggers.

  3. Vanaf 1 januari 1986, zijn de voorschriften van artikelen 7, §3bis en 32 bis van dit besluit verplicht voor elke aanvraag om goedkeuring inegediend vanaf deze datum.

  4. Vanaf 1 januari 1988, zijn de voorschriften van artikelen 7, §3bis en 32bis van dit besluit verplicht voor elke aanvraag om inschrijving van nieuwe voertuigen of elke indienststelling van aanhangwagens of opleggers.

  5. Vanaf 1 januari 2000, zijn de voorschriften van artikelen 7, §3bis en 32bis van dit besluit verplicht voor alle in het verkeer gebrachte voertuigen.

7. overgangsperiode.

  1. De constructeurs of diens vertegenwoordigers die processen verbaal van goedkeuring bezitten voor voertuigen met een maximale toegelaten massa boven 3500 kg opegsteld op basis van de artikelen 31 en 32 van dit besluit, en die niet aan de gegevens van deze processen-verbaal van goedkeuring gewijzigd moeten worden om aan de voorschriften van artikelen 7, §3bis en 32bis van dit besluit te voldoen, zullen voor 1 januari 1986 deze aan de Minister van Verheerswezen of aan diens afgevaardigde moeten betekenen door middel van een bewijsgevend dossier.
    Deze processen-verbaal van goedkeuring worden automatisch verleend met hun oorspronkelijke geldigheid volgens de voorschriften van artikelen 7, §3bis en 32bis.

  2. Voor de niet verkochte voertuigen met een maximale toegelaten massa boven 10.000 kg, gedekt door een proces-verbaal van goedkeuring opgesteld op basis van artikelen 31 en 32 van dit besluit, en die gewijzigd moeten worden om aan de voorschriften van artikelen 7, §3bis en 32bis te voldoen, mogen de constructeurs of diens vertegenwoordigers, indien zij het wensen, een nieuwe aanvraag van goedkeuring indienen voor 31 december 1987.

  3. Voor de in gebruik zijnde voertuigen met een maximale toegelaten massa van meer dan 3500 kg, gedekt door een proces-verbaal van goedkeuring dat voldoet aan de vanaf 1 januari 1977 geldende voorschriften en die moeten verbouwd worden om te voldoen aan de voorschriften van de artikelen 7, §3bis en 32bis, mogen de constructeurs of hun vertegenwoordigers, indien zij het wensen, een nieuwe aanvraag om goedkeuring indienen tot 31 december 1987.

  4. Het punt 1.2 van punt 1 van dit artikel is van toepassing op al de voertuigen waarvan de maximale toegelaten massa hoger is dan 10.000 kg.

8.

  1. De voorschriften van de richtlijn 85/3/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1984 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der LidStaten betreffende de gewichten, de afmetingen en sommige andere technische kenmerken van bepaalde wegvoertuigen [zoals gewijzigd door de richtlijn 88/21 8/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 11 april 1988 toegepast volgens de modaliteiten vastgesteld in de artikelen 3 en 3bis van dit besluit, mogen op verzoek van de constructeur de overeenkomstige voorschriften van dit reglement vervangen.

  2. Het in §3 van artikel 3bis van dit besluit gevraagde bewijs zal bestaan uit een proefnemingsverslag afgeleverd door het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur, Wegverkeer - Technische Directie, Wetstraat 155, 1040 Brussel.

constructie Hdst 6(4)
 top of page
constructie Hdst 6(6)
naar index technisch reglement