|
![]() |
LICHTEN en REFLECTOREN
gewijzigd sinds1 mei 2003 « »
ART 28 LICHTEN EN REFLECTOREN.
§1. Definities.
Voor de toepassing van het bepaalde in dit artikel, wordt verstaan onder:
2° Dimlicht : het voertuiglicht dat dient om de weg voor het voertuig te verlichten zonder de bestuurders van tegemoetkomende voertuigen en andere weggebruikers te verblinden of te hinderen .
3° Standlicht : het voertuiglicht dat, van voren gezien, dient om de aanwezigheid en de breedte van het voertuig aan te geven.
4° Achterlicht : het voertuiglicht dat, van achteren gezien, dient om de aanwezigheid en de breedte van het voertuig aan te geven.
5° Stoplicht : het voertuiglicht dat dient om andere weggebruikers die zich achter het voertuig bevinden kenbaar te maken dat de bestuurder de bedrijfsreminrichting bedient.
6° Kentekenplaatverlichting : de inrichting die dient om de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig te verlichten.
7° Richtingsaanwijzer : het voertuiglicht dat dient om andere weggebruikers ervan te verwittigen dat de bestuurder het voornemen heeft naar rechts of links van richting te veranderen.
8° Omtreklicht : het voertuiglicht dat, hetzij van voren, hetzij van achteren gezien, dient om de buitenomtrek van het voertuig aan te geven.
9° Parkeerlicht : het voertuiglicht dat, hetzij van voren, hetzij van achteren gezien, dient om de aanwezigheid van het geparkeerde voertuig aan te geven.
10° Mistlicht voor : het voertuiglicht dat dient om de verlichting van de weg in geval van mist, sneeuwval, dichte regen of stofwolken te verbeteren.
11° Mistlicht achter : het voertuiglicht dat dient om bij dichte mist de andere weggebruikers die zich achter het voertuig bevinden te verwittigen.
12° Achteruitrijlicht : het voertuiglicht dat dient om de weg achter het voertuig te verlichten en om de andere weggebruikers te waarschuwen dat het voertuig achteruit rijdt of gaat rijden
13° Zoeklicht : het voertuiglicht dat dient om objecten in de nabijheid van het voertuig te verlichten .
14° Voorreflector : de inrichting die dient om de aanwezigheid van een voertuig kenbaar te maken door reflectie van licht, uitgestraald door een lichtbron die niet met het voertuig is verbonden, waarbij de waarnemer voor het voertuig en bij genoemde lichtbron is opgesteld.
15° Achterreflector : de inrichting die dient om de aanwezigheid van een voertuig kenbaar te maken door reflectie van licht, uitgestraald door een lichtbron die niet met een voertuig is verbonden, waarbij de waarnemer achter het voertuig en bij genoemde lichtbron is opgesteld .
16° Zijreflector : de inrichting die dient om de aanwezigheid van een voertuig kenbaar te maken door reflectie van licht, uitgestraald door een lichtbron die niet met het voertuig is verbonden, waarbij de waarnemer terzijde van het voertuig en bij genoemde lichtbron is opgesteld .
17° « Zijmarkeringslicht » : elk licht dat dient om de aanwezigheid van een voertuig vanaf de zijkant aan te geven.
18° « Noodsignaal » : het gelijktijdig knipperen van de richtingaanwijzers, ten einde een gevaar zoals bedoeld in de bepalingen van artikel 32bis van het algemeen reglement betreffende de politie op het wegverkeer, kenbaar te maken. »
19° Minimum hoogte van een licht of reflector : de afstand tussen de grond en de onderzijde van het lichtdoorlatend of reflecterend gedeelte, als het voertuig ledig is.
20° Maximum hoogte van een licht of reflector : de afstand tussen de grond en de bovenzijde van het lichtdoorlalend of reflecterend gedeelte, als het voertuig ledig is.
21° Minimum afstand tussen lichten : de kleinste afstand tussen de binnenzijden van de lichtdoorlatende gedeelten.
22° Maximum afstand van een licht of reflector tot de zijkant : de afstand tussen de buitenzijde van het voertuig en de buitenzijde van het lichtdoorlatend of reflecterend gedeelte.
23° Elke combinatie van twee of meer lichten, hetzij gelijke of niet doch van dezelfde kleur, zal als een enkel licht worden beschouwd indien de projecties van hun lichtdoorlatende oppervlakken op een verticaal vlak loodrecht op het mediaanvlak van het voertuig minstens 50 pct. van de kleinste rechthoek omschreven op de projecties van de genoemde lichtdoorlatende oppervlakken bedraagt.
24° Eén enkel lichtdoorlatend oppervlak in de vorm van een band zal als twee of een even aantal lichten worden beschouwd indien het symmetrisch is geplaatst ten opzichte van het mediaan vlak in de langsrichting van het voertuig, en indien het zich tenminste uitstrekt tot 0,40 m van de uiterste zijkant van het voertuig en indien het een lengte heeft van tenminste 0,80 m.
De verlichting van een dergelijk oppervlak moet verzekerd worden door tenminste twee zo dicht mogelijk bij de uiteinden geplaatste lichtbronnen. Het lichtdoorlatend oppervlak mag bestaan uit een aantal elementen, zodanig gerangschikt dat de projecties van de lichtdoorlatende oppervlakken van de verschillende elementen op een verticaal vlak loodrecht op he mediaanvlak van hel voertuig niet minder bedragen dan 50 pct. van de kleinste rechthoek omschreven om de projecties van genoemde lichtdoorlatende oppervlakken van de elementen.
§2 Algemene bepalingen. (art 28)
1° Voorschriften betreffende montage en kleur.
a) Lichten en reflectoren andere dan richtingsaanwijzers.
1. De voertuigen moeten altijd de in bijlage 6 bij dit besluit vermelde lichten en reflectoren voeren en voldoen aan de voorschriften die erin zijn gesteld evenals aan die welke gesteld zijn in §3 van dit artikel.
Bovendien mogen de in bijlage 7 vermelde lichten en reflectoren op de voertuigen gemonteerd worden indien ze voldoen aan de voorschriften die in die bijlage zijn gesteld, evenals aan de voorschriften van 3 van dit artikel.
Lichten en reflecloren welke niet zijn genoemd in de bijlagen 6 en 7 mogen niet op de voertuigen worden aangebracht.
Een uitzondering kan worden gemaakt voor lichten en reflectoren bestemd voor bijzonder gebruik, zoals bepaald in §2, 1°, c) van dit artikel.
2. Het volstaat dat de voor 15 juni 1968 in dienst gestelde voertuigen tot 1 januari 1984 aan de in de bijlagen 8 en 9 van dit besluit gestelde bepalingen voldoen.
3. De voertuigen die in hoofdzaak worden gebruikt buiten de openbare weg, met uitzondering van de landbouwtractoren, mogen achteraan uitgerust worden met een verlichtingsinstallatie die bestaat uit een afneembare inrichting met de reglementaire lichten en reflectoren en hun elektrische leidingen, op voorwaarde dat deze inrichting gedurende de verplaatsingen op de openbare weg stevig bevestigd is op het voertuig.
Dergelijke inrichting mag ook geplaatst worden op boot aanhangwagens.
De door de openbare diensten gebruikte aanhangwagens die niet breder zijn van 1 meter en aan verschillende voertuigen moeten worden gekoppeld om op die voertuigen aangebrachte organen of toestellen te meten of te controleren, moeten niet voorzien zijn van de in de bijlage 6 bij dit besluit vermelde lichten wanneer zij rijden tussen het aanbreken van de dag en het vallen van de avond op voorwaarde dat de bovenvermelde lichten van het trekkend voertuig zichtbaar blijven voor de andere weggebruikers. Zij dienen evenwel steeds voorzien te zijn van de twee rode reflectoren waarmede aanhangwagens aan de achterzijde moeten zijn uitgerust.
4. Bij uitzondering kan de Minister van Verkeerswezen, onder de door hem vastgestelde voorwaarden, voertuigen die een speciale vorm hebben of die voor speciale doeleinden of in speciale omstandigheden gebruikt worden, van de in bijlage 6 bij dit besluit voorziene lichten vrijstellen .
5. De lichten en reflectoren die dezelfde functie hebben en in dezelfde richting zijn gericht moeten van gelijke kleur zijn.
Bij een even aantal lichten en reflectoren moeten deze symmetrisch ten opzichte van het mediaanvlak van het voertuig zijn geplaatst, behalve bij voertuigen met een assymmetrische buitenomtrek. De lichtsterkte van elk paar lichten moet onderling nagenoeg gelijk zijn.
6. De elektriche installatie moet zodanig zijn uitgevoerd, dat de achterlichten, de kentekenplaatverlichting en de eventuele omtreklichten bij het inschakelen van de grootlichten, dimlichten, standlichten, mistlichten voor, mistlicht(en) achter of zoeklicht automatisch worden ontstoken .
Bovendien moeten de electrische verbindingen zodanig zijn dat de standlichten steeds branden, wanneer de dimlichten, grootlichten of mislichten voor zijn onststoken.
Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de grootlichten of de dimlichten, wanneer zij worden gebruikt om waarschuwingslichtsignalen te geven.
7. In geen geval mag een voertuig naar voren rode lichten, rode reflectoren of rood reflecterend materiaal dan wel naar achteren witte of gele lichten, witte of gele reflectoren of wit of geel reflecterend materiaal tonen.
Deze bepaling geldt niet voor het gebruik van witte of gele achteruitrijlichten, voor de kentekenplaatverlichting, noch voor de kentekenplaten zelf.
8. De lichten en reflectoren aan de voorzijde mogen niet achter de voorste as gelegen zijn. Dit voorschrift is niet van toepassing op de landbouwtractoren.
De lichten en reflectoren aan de achterzijde mogen niet voor de achterste as gelegen zijn. Deze bepalingen gelden niet voor:
- de standlichten bij opleggers; deze lichten mogen op ten hoogste 250 cm achter het hart van de koppelpen zijn aangebracht;
- de omtreklichten aan de voorzijde;
- het zoeklicht.
9. Ongelijke lichten mogen in een en dezelfde verlichtingsinrichting gegroepeerd of ingebouwd zijn, voor zover elk van die lichten aan de erop toepasselijke bepalingen voldoet en geen verwarring mogelijk is.
10. Het voertuig moet zodanig zijn ingericht, dat de lichten en de reflectoren nimmer kunnen worden afgeschermd door enig voertuigdeel of deel van de lading.
b) Richtingaanwijzers.
1. De auto's moeten voorzien zijn van richtingaanwijzers die voldoen aan onderstaande uilvoeringen:
- Type A.
Twee richtingaanwijzers tegen de zijwanden.
Het type A is slechts toegestaan voor voertuigen waarvan de breedte maximaal 1,60 m en de lengte maximaal 4 m bedraagt.
- Type B.
Twee richtingaanwijzers tegen de zijkanten en twee op de achterzijde.
De in de langsrichting van het voertuig gemeten afstand tussen het meest vooruitstekende punt van het voertuig en het meest naar voren gelegen punt van het lichtdoorlatend gedeelte van de aan de zijkanten gevoerde richtingaanwijzers mag niet meer dan 1,80 m bedragen. Deze bepaling geldt niet voor voertuigen voor traag vervoer.
- Type C.
Twee richtingaanwijzers op de voorzijde en twee op de achterzijde alsmede twee tegen de zijkanten .
De in de langsrichting van het voertuig gemeten afstand tussen het meest vooruitstekende punt van het voertuig en het meest naar voren gelegen punt van het lichtdoorlatend gedeelte van de aan de zijkanten gevoerde richtingaanwijzers mag niet meer dan 1,80 m bedragen.
Een richtingaanwijzer op de voorzijde en een richtingaanwijzer tegen de zijkant mogen tot een richtingaanwijzer worden gecombineerd; deze vervangende richtingaanwijzer moet voldoen aan de voorwaarden van zichtbaarheid die gelden voor de richtingaanwijzers die zij vervangen .
- Type D.
Twee richtingaanwijzers op de voorzijde en twee op de achterzijde.
Het type D is slechts toegestaan voor voertuigen waarvan de afstand tussen de lichtdoorlatende vlakken van de richtingaanwijzers voor en achter niet groter is dan 6 m.
2. De aanhangwagens moeten op de achterzijde van twee richtingaanwijzers zijn voorzien.
3. Aanvullende richtingaanwijzers mogen op de zijkanten van de voertuigen worden aangebracht, doch moeten voldoen aan de in punt 4 hierna gestelde eisen.
4. Alleen vaste knipperende richtingaanwijzers zijn toegestaan.
De frequentie van de knipperingen moet gelegen zijn tussen 60 en 120 periodes per minuut. De kleur van deze lichten moet wit of oranje naar voren en rood of oranje naar achteren zijn. Een uit twee dezelfde zijde geplaatste lichten bestaande richtingaanwijzer is toegelaten indien het verspringen van deze lichten van gelijke frequentie is.
De onderlinge afstand tussen de linker en de rechter richtingaanwijzer moet, zowel aan de voor- als aan de achterzijde, minstens 60 cm bedragen.
De hoogte van de richtingaanwijzers is minimaal 35 cm en maximaal 1,90 cm .
De voor autobusdiensten aangewende voertuigen mogen voorzien zijn van een bijkomende richtingaanwijzer achteraan het voertuig. Dit bijkomend licht moet op een hoogte tussen 250 en 290 cm geplaatst zijn.
De richtingaanwijzers moeten waarneembaar zijn aan de voorzijde of aan de achterzijde, naargelang het geval, voor een waarnemer die zich in een verticale langsvlak door het midden van het voertuig bevindt, op een afstand van 10 m van het voertuig.
Nochtans moeten de richtingaanwijzers op de zijkant van het type B en C, slechts zichtbaar zijn voor een waarnemer die zich op 10 m achter de richtingaanwijzer en op 1 m van de zijkant van het voertuig bevindt.
Wanneer een auto een aanhangwagen of een oplegger trekt moet deze sleep uitgerust zijn met richtingaanwijzer op de zijkanten. Deze richtingaanwijzers moeten op een afstand van len hoogste 1,80 m van de voorzijde van de auto geplaatst zijn.
Deze bepaling is van toepassing op de auto's waarvoor de aanvraag om type-goedkeuring werd ingediend na 1 januari 1976.
Voor de auto's die het voorwerp hebben uitgemaakt van een type-goedkeuring voor die datum, mogen de richtingaanwijzers tegen de zijkant ofwel op het trekkend voertuig geplaatst worden ofwel op het getrokken voertuig.
5. De voertuigen of de voertuigcombinaties mogen voorzien zijn van een inrichting waarmede alle richtingaanwijzers van het voertuig gelijktijdig door een afzonderlijke schakelaar kunnen worden bediend. De werking van deze inrichting moet door een optisch of een acoustisch signaal aan de bestuurder worden kenbaar gemaakt.
6. De voor 15 juni 1968 in dienst gestelde voertuigen moeten, wanneer zij niet kunnen voldoen aan de voorschriften van §2, 1°, b, 1 tot 5, uitgerust zijn met richtingaanwijzers die tot een van volgende types van lichten behoren:
Die lichten mogen met de standlichten en achterlichten of de stoplichten ingebouwd worden. De kleur van het door de richtingaanwijzers uitgestraalde licht is:
- naar voren wit of oranje;
- naar achter rood of oranje.
Die richtingaanwijzers moeten zodanig op het voertuig aangebracht zijn dat de door die lichten gegeven aanduidingen zowel 's nachts als overdag en zowel voor als achter het voertuig zichtbaar zijn voor een waarnemer die zich bevindt in het vlak dat evenwijdig is met het overlangs vlak van symmetrie en het voertuig terzijde aan de kant der richtingsaanwijzers begrenst. De richtingaanwijzers moeten 's nachts, bij helder weer, van op ten minste 150 m afstand, en overdag, bij zonnig weer, van op ten minste 20 meter afstand zichtbaar zijn.
Het hoogste punt van die richtingaanwijzer mag zich op niet meer dan 1,90 m boven de grond bevinden als het voertuig ledig is.
c) Bijzondere lichten.
2. De voertuigen die aangewend worden voor een taxidienst moeten voorzien zijn van een lichtinstallatie op het dak, gekoppeld aan de taximeter.
De eisen waaraan die installaties moeten voldoen worden door de Minister van Verkeerswezen bepaald.
3. De voertuigen van een openbare of een bijzondere autobusdienst mogen een verlichtingsinrichting van witte of gele kleur voeren om de aanduidingen betreffende de gevolgde weg of de bestemming te geven.
4. De voertuigen van de politiediensten, de niet gebanaliseerde voertuigen van de dienst wegcontrole van het Bestuur van Vervoer te Land, de niet gebanaliseerde voertuigen van de Admisnistratie der Douane en Accijnzen aangeduid door de Minister van Financiën, de niet gebanaliseerde voertuigen van de militaire politie en van de diensten voor het ophalen en vernietigen van explosieven aangeduid door de Minister van Landsverdediging, «de voertuigen van de Federale Overheidsdienst van Justitie bestemd voor het vervoer van gedetineerden en voor het Openbaar Ministerie, het dienstvoertuig van de provinciegouverneurs, de herkenbare voertuigen van de inspectiediensten van de gewesten en van de maatschappijen voor openbaar vervoer belast met wegcontrole», de ziekenauto's, de voertuigen voor dringende medische interventie van de dienst 100, de brandweervoertuigen, de voertuigen van de Civiele Bescherming, de voertuigen voor hulpverlening van de Naionale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, de voertuigen voor hulpverlening bij ernstig incident veroorzaakt door water, gas, elektriciteit of radioactieve stoffen, mogen vooraan of op het dak één of meer blauwe knipperlichten voeren.
Bij wijze van uitzondering kan de Minister van Verkeerswezen de toelating verlenen om andere voertuigen, bestemd voor een openbare dienst, vooraan of op het dak, uit te rusten met één of meer blauwe knipperlichten.
5. De takelauto's en de voertuigen waarvan de breedte meer dan 3 m bedraagt moeten één of twee oranje-gele knipperlichten voeren die zodanig geplaatst zijn dat zij in alle richtingen zichtbaar zijn.
De voertuigen die speciaal bestemd zijn voor wegenhulp, de voertuigen die gebruikt worden voor de aanleg, het onderhoud, het toezicht of de controle van het wegennet en van de inrichtingen op, boven of onder de wegen, de voertuigen gebruikt voor het opruimen van vuilnis, de trage voertuigen voor landbouwgebruik, de voertuigen gebruikt voor uitzonderlijk vervoer evenals de begeleidende voertuigen ervan en de door de Minister van Landsverdediging aangeduide voertuigen van de Krijgsmacht mogen een of twee oranje-gele knipperlichten voeren die zo geplaatst zijn dat zij in alle richtingen zichtbaar zijn.
Bij uitzondering kan de Minister van Verkeerswezen andere voertuigen toelaten een of twee oranje-gele knipperlichten te voeren.
6. De voertuigen van de wegenhulp en die van de autorijscholen mogen op het dak een verlicht paneel voeren. Dit paneel mag geen enkel vlak of opschrift vertonen bestaande uit reflecterend of fluorescerend materiaal.
7. De lijkwagens mogen op de vier hoeken van de wagen een witlicht voeren.
8. De Minister van Verkeerswezen kan, onder de door hem gestelde voorwaarden, het aanbrengen van bepaalde lichten op voertuigen, aangewend voor publicitaire doeleinden, toelaten.
9. «De Minister van Binnenlandse Zaken kan voor ambulances bijkomende signalisatie opleggen onder de door hem gestelde voorwaarden.»
2° Lichtsterkte.
a)
1. Bij de goedkeuring van het voertuig, dienen de lichten, hun montage en hun voedingssysteem zodanig te zijn dat zij, in de richting evenwijdig met de lengteas van het voertuig, en onder de in punt b) bepaalde metingsvoorwaarden, de minimum en maximum lichtsterkte uitgedrukt in candela, de in onderstaande tabel vermelde waarden eerbiedigen:
|
Minimum
|
Maximum
|
|
| Voor de lichten met één niveau: | ||
| standlichten |
3
|
60
|
| achterlichten |
1,5
|
12
|
| stoplichten |
20
|
100
|
| richtingaanwijzers vooraan |
88
|
700
|
| richtingaanwijzers achteraan |
25
|
600
|
| achteruitrijlichten |
40
|
600
|
| achtermistlichten | ||
|
75
|
300
|
|
65
|
300
|
| Voor de lichten met twee niveaus: | ||
| 's nachts: | ||
|
15
|
80
|
|
20
|
120
|
| overdag: | ||
|
65
|
520
|
|
88
|
700
|
2. Voor de in dienst zijnde voertuigen mogen de gemeten lichtsterkten niet lager zijn dan 50 pct van de minima, noch hoger dan de maxima die opgegeven zijn in de tabel onder punt 1. Deze voorschriften zijn niet van toepassing voor voertuigen die sedert lange tijd stilstaan.
b)
De metingen gebeuren met stilstaande motor en met een elektromotorische kracht aan de polen die gestabiliseerd is. De stabilisatie wordt geacht bereikt te zijn wanneer de grootlichten ongeveer twintig seconden gebrand hebben na het afzetten van de motor.
Tijdens de meting van de lichtsterkte van de lichten, mag slechts het licht dat getest wordt, branden. Wanneer ingevolge de voorschriften voor de montage, andere lichten simultaan gaan branden, moet hun aantal beperkt worden tot het minimum, mogelijk door de bedieningsknoppen. Alle electrische apparaten andere dan de lichten zijn buiten dienst.
Bij de richtingaanwijzers wordt de piekwaarde in acht genomen als waarde, d.w.z. de maximum waarde die tijdens elke werkingcyclus wordt bereikt.
c)
De in de tabel onder a), 1, vermelde maximumwaarden voor de richtingaanwijzers, gelden niet voor de laterale herhalers.
d)
Bij stoplichten en achterlichten met hetzelfde lichtdoorlatend gedeelte moet de verhouding van de werkelijk gemeten lichtsterkten met beide lichten gelijktijdig en met het achterlicht alleen ontstoken ten minste gelijk zijn aan 5 : 1.
§3. Bijzondere bepalingen.
1°
De eisen waaraan de lichten en de reflectoren moeten voldoen, worden door Ons bepaald.
2°
De grootlichten zijn niet verplicht op de voertuigen voor traag vervoer waarvan de maximumsnelheid niet hoger is dan 30 km/h.
2. Dimlicht.
Betreft het speciale voertuigen, dan is evenwel een maximum hoogte van 145 cm toegelaten, voor zover zij gerechtvaardigd is wegens de aard van het voertuig en de karakteristieken van zijn bouw.
Bij voertuigen voor traag vervoer mag de maximum afstand tot de zijkant meer dan 40 cm bedragen .
3. Standlicht van de auto's.
Het standlicht mag geel zijn indien dit licht ingebouwd is in het grootlicht of in het dimlicht en de kleur van deze lichten geel is.
Bij voertuigen voor traag vervoer mag de maximum hoogte van de standlichten 190 cm bedragen .
4. Standlicht van de aanhangwagens.
Deze lichten moeten naar voren en zijwaarts licht uitstralen.
Bij aanhangwagens met een breedte van hoogstens 160 cm en bij aanhangwagens getrokken door voertuigen voor traag vervoer, mogen de standlichten vervangen worden door witte reflectoren voor zover de maximum afstand tot de zijkant niet groter is dan 15 cm.
5. Achterlicht.
Bij voertuigen voor traag vervoer mag de maximum hoogte van de achterlichten 190 cm bedragen .
6. Stoplicht.
Zij moeten gaan branden bij het in werking stellen van de bedrijfsrem.
De stoplichten zijn niet verplicht op de voertuigen voor traag vervoer waarvan de maximumsnelheid niet hoger is dan 30 km/h. Indien zij er echter toch mee uitgerust zijn, mag de maximale hoogte van de stoplichten maximum 190 cm bedragen.
« Het aantal verplichte stoplichten bedraagt drie voor voertuigen van categorie M1, in gebruik genomen na 1 januari 1998 en die een Europese typegoedkeuring hebben. Voor de voertuigen van een andere categorie, bedraagt het twee, met dien verstande dat een derde stoplicht toegelaten is. »
7. Kentekenplaatverlichling.
Het licht mag van uit de lichtbron geen direct licht achter het voertuig uitstralen.
8. Achterreflector.
De achterreflectoren moeten voldoen aan de eisen gesteld in het koninklijk besluit van 8 mei 1969 betreffende de goedkeuring van reflectoren voor voertuigen.
De achterreflectoren moeten worden aangebracht op een vast deel van het voertuig in een vlak, loodrecht op de lengteas van het voertuig. Zij mogen niet driehoekig zijn indien ze op een auto gemonteerd zijn.
De achterreflectoren gemonteerd op de aanhangwagens, moeten de vorm hebben van een gelijkzijdige driehoek van 15 cm tot 20 cm zijde. Een van de toppen van de driehoek moet naar boven gericht zijn, terwijl de tegenoverliggende zijde horizontaal ligt.
Indien in de op de achterzijde van de voertuigen aangebrachte lichtgevende inrichtingen een reflecterend vlak voorkomt zonder goedkeuringsmerk, wordt dit vlak niet beschouwd als reflector. In dit geval moeten op de achterzijde van het voertuig twee behoorlijk reflectoren aangebracht worden.
9. Omtreklicht.
Zij moeten aan de zijkant aan de totale breedte en zo mogelijk in het bovenste gedeelte van het voertuig zijn aangebracht.
10. Zijreflector.
De zijreflectoren moeten voldoen aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 8 mei 1969 betreffende de goedkeuring van reflectoren voor voertuigen.
De auto's met uitzondering van de personenauto's en de auto's voor dubbel gebruik die meer dan 6 meter lang zijn, alsmede aanhangwagens waarvan de lengte, dissel inbegrepen, meer dan 3 meter bedraagt, moeten aan elke zijkant ten minste een oranje reflector voeren.
De afstand tussen het meest vooruitstekende punt van het voertuig, dissel niet inbegrepen, wanneer het om een aanhangwagen gaat, en het meest naar voren gelegen punt van het lichtweerkaamtsend gedeelte van de zijreflecor, mag niet groter zijn dan 3 meter; bovendien mag de afstand tussen het meest achteruitstekende punt van het voertuig en het meest naar achter gelegen punt van het lichtweerkaatsend gedeelte van de zijreflector niet groter zijn dan 1 meter. Indien deze beide afmetingen niet kunnen geëerbiedigd worden en dat de kortste afstand tussen de lichtweerkaatsende gedeelten van twee op elkaar volgende reflectoren niet meer dan 3 meter bedraagt.
De zijreflectoren moeten vast bevestigd zijn in vlakken, evenwijdig met het vertikale vlak door de lengteas van het voertuig.
De maximumhoogte van de zijreflectoren mag 145 cm bedragen wanneer om constructieve redenen de maximum hoogte van 120 cm niet kan geeerbiedigd worden.
11. Parkeerlicht.
Alleen de auto's, ingericht voor het vervoer van ten hoogste acht personen, de bestuurder niet inbegrepen, en de andere voertuigen die niet langer zijn dan 6 meter en niet breder dan 2 meter, mogen een parkeerlicht voeren, hetzij aan hun linker zijkant, hetzij aan elk van hun zijkanten. Het parkeerlicht moet nagenoeg in het midden van de zijkant van het voertuig zijn aangebracht; de kleur ervan moet wit of oranje naar voren en rood of oranje naar achteren zljn .
Het parkeerlicht mag ook bestaan uit een vooraan op het voertuig aangebracht wit of oranje licht en uit een achteraan op het voertuig aangebracht rood of oranje licht.
Het moet mogelijk zijn de parkeerlichten aan eenzelfde kant van het voertuig afzonderlijk te onststeken.
12. Achtermisllicht.
De achtermistlichten moeten voldoen aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 6 maart 1975 betreffende de goedkeuring van achtermisllichlen voor de auto's en hun aanhangwagens. De achtermistlichten mogen slechts ontstoken kunnen worden door een afzonderlijke schakelaar, die slechts werkt wanneer de achterlichten branden. Die schakelaar mag evenwel ook dienen om de voormistlichlen te ontsteken.
De ontstoken achtermistlichten moeten aan de bestuurder gesignaleerd worden door een oranje verklikkerlichtje, aangebracht op een in het oog vallende plaats.
Wanneer er een achtermistlicht is, moet dit aangebracht zijn in het vertikale vlak door de lengteas van het voertuig of tussen dit vlak en de linkerrand van het voertuig.
De rand van het lichtdoorlatend gedeelte van het achtermistlicht moet zich bevinden op ten minste 10 cm van de rand van het lichtdoorlatend gedeelte van hel stoplicht.
De maximum-hoogte van het achtermistlicht mag 190 cm zijn voor de voertuigen voor traag vervoer.
In het geval van een sleep mag het achtermistlicht van het gesleepte voertuig alleen branden wanneer het montagesysteem van het achtermistlicht van het trekkend voertuig dusdanig is, dat de eleclrische stroomkring van dat lichl aulomatisch opengesteld wordt als het achtermistlicht van de aanhangwagen brandt.
13. Achteruitrijlicht.
De achteruitrijlichten mogen alleen door het inschakelen van de achteruitrijstand in werking gesteld worden.
14. Voorreflector.
De voorreflecloren moelen voldoen aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 8 mei 1969 belreffende de goedkeuring van de reflectoren voor voertuigen.
Zij moeten worden aangebracht op een vast deel van het voertuig in een vlak, loodrecht op de lengteas van het voertuig. Zij mogen niet driehoekig zijn.
De hoogte van de voorreflectoren mag maximum 145 cm bedragen wanneer om constructieve redenen de maximum hoogte van 120 cm niet kan geeerbiedigd worden.
3°
Indien de inrichting bedoeld in art 18 §4, de zichtbaarheid van de lichten en reflectoren vermeld in dit artikel, schaadt of wegneemt moet die inrichting uitgerust zijn met een verlichtingssysteem dat elektrisch op het voertuig aangesloten wordt en de werking van de lichten van het voertuig ontdubbelt.
§4.
Bijkomende signaalinrichtingen aan de achterzijde voor lange en zware voertuigen (andere dan de tractoren) en hun aanhangwagens, alsook voor trage voertuigen en hun aanhangwagens die geen landbouw voertuigen zijn.
1. Vanaf 1 juli 1985 moeten de voertuigen opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken met een massa boven 3.500 kg, met uitzondering van tractors, uitgerust zijn met een bijkomende signaalinrichting aan de achterzijde, goedgekeurd en aangebracht overeenkomstig de voorschriflten van bijlage 11 van dit besluit.
2. Elke aanvraag om goedkeuring van een bijkomende signaalinrichting aan de achterzijde moet ingediend worden door de fabrikant of diens gemachtigde bij de Minister van Verkeerswezen, Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur, Wegverkeer - Technische Directie, Wetstraat 155, 1040 Brussel.
De aanvraag gaat vergezeld van de in aanhangsel III van bijlage II van dit besluit opgenomen stukken .
3. Ten einde het goedkeuringsattest van een type bijkomende signaalinrichting aan de achterzijde te bekomen, moet de fabrikant of diens gemachtigde het bewijs leveren dat het type inrichting voor goedkeuring voorgesteld, overeenstemt met de voorschriflen van bijlage II van dit besluit.
Dit bewijs zal bestaan uit een beproevingsrapport uitgereikt door het Centraal Laboratorium voor Elektriciteit, 1640 Sint-Genesius-Rode.
4. De goedkeuring van een type bijkomende signaalinrichting aan de achterzijde wordt verleend door de Minister van Verkeerswezen of diens afgevaardigde.
5. De goedkeuring of weigering van goedkeuring van een type bijkomende signaalinrichting aan de achterzijde zal vastgesteld worden door het opstellen van een formulier overeenstemmend met het model opgenomen in aanhangsel IV van bijlage 11 van dit besluit.
De goedkeuring of weigering van goedkeuring zal aan de fabrikant of diens vertegenwoordiger betekend worden.
6. Elke verleende goedkeuring behelst de toekening van een goedkeuringsnummer; dit kan slechts eenmaal toegekend worden, en voor een enkel type bijkomende signaalinrichting aan de achterzijde.
7. Elke overeenkomstig bijlage 11 van dit besluit goedgekeurde bijkomende signaalinrichting aan de achterzijde zal moeten zijn voorzien van de in aanhangsel III van die bijlage voorziene merken .
8.1 Elke fabrikant van reflecterend en/of fluorescerend materiaal is verplicht, door middel van periodieke passende controlemethodes, de overeenstemming van het produkt geleverd voor het bouwen van de inrichtingen, te verzekeren met het type materiaal dat de proeven heeft ondergaan.Te dien einde moet de fabrikant:
De resultaten van de overeenstemmingsproeven van de produktie moeten bewaard worden en, gedurende minimaal één jaar, ter beschikking van de bevoegde autoriteiten gehouden worden.
8.2. Elke verbouwer van reflecterend en/of fluorescerend materiaal verplicht de overeenstemming van zijn produktie te verzekeren met het type bijkomende signaalinrichting aan de achterzijde, goedgekeurd door middel van periodieke passende controlemethodes.
Te dien einde moet de verbouwer de gelijkvormigheidsproeven van de produktie aan een erkend laboratorium toevertrouwen.
De resultaten van de overeenstemmingscontrole van de produktie moeten bewaard worden en, gedurende minimaal een jaar, ter beschikking van de bevoegde autoriteiten gehouden worden.
9. De gelijkvormigheidscontrole van de produktie met het type bijkomende signaalinrichting aan de achterzijde heeft plaats onder de voorwaarden en volgens de methodes voorzien in bijlage 11 van dit besluit. Hij wordt uitgevoerd door de ambtenaren van het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur, aangeduid te dien einde door de Minister van Verkeerswezen of diens afgevaardigde.
Op verzoek van de in eerste lid bedoelde ambtenaren, en met het oog op gelijkvormigheidscontrole of -proeven, zijn de fabrikanten verplicht de bijkomende signaalinrichtingen aan de achterzijde, waarvan het type het voorwerp heeft uitgemaakt van een vroegere goedkeuring, ter beschikking te stellen van deze ambtenaren.
Indien het in Belgie gebouwde inrichtingen betreft, worden de steekproeven bij de fabrikant genomen.
Indien het ingevoerde inrichtingen betreft, worden de steekproeven hetzij bij de invoerder, hetzij bij de verdelers genomen.
10. De voor een type bijkomende signaalinrichting aan de achterzijde verleende goedkeuring mag door de Minister van Verkeerswezen of diens afgevaardigde ingetrokken worden wanneer het type bijkomende signaalinrichting aan de achterzijde niet in overeenstemming is met de voorschriften van deze 4.
In dit geval wordt een afschrift van het goedkeuringsformulier met in vette letters, de ondertekende en gedateerde vermelding "goedkeuring ingetrokken" naar de fabrikant of diens afgevaardigde gezonden.
11. De agenten bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemene verordening met betrekking tot het wegverkeer zijn bevoegd om te zien op de naleving van deze §4.
12. De Minister van Verkeerswezen of zijn afgevaardigde mag de voertuigen, die terwille van hun structuur en/of hun uitrusting niet kunnen voldoen aan de voorschriften van dit algemeen reglement, geheel of gedeeltelijk vrijstellen van de bepalingen van deze §4.
13. « De voertuigen voor brandbestrijding, de betonmixers, betonpompen, voertuigen voor vervoer van personenwagens, evenals de voertuigen bedoeld in artikel 7 van het ministerieel besluit van 7 mei 1999 betreffende het signaleren van werken en verkeersbelemmeringen op de openbare weg, zijn niet onderworpen aan de bepalingen van § 4. » gewijzigd sinds1 mei 2003 « »
« § 5 Reflecterende markeringen :
1° De voertuigen van de categorieën M2, M3, N1, N2, N3, O2, O3, O4 mogen voorzien zijn van reflecterende markeringen die voldoen aan de regels die bepaald werden door Reglement nr. 104 betreffende de eenvormige voorschriften aangaande de goedkeuring van reflecterende platen voor zware en lange voertuigen en hun aanhangwagens, opgenomen in addendum 103 van het Akkoord betreffende invoeren van eenvormige technische voorschriften voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en voor onderdelen die geschikt zijn en om gemonteerd of gebruikt te worden op wielvoertuigen en de voorwaarden voor de wederzijdse erkenning van goedkeuringen afgeleverd conform de geldende voorschriften van Genève van 20 maart 1958 gewijzigd op 10 november 1967 en 16 oktober 1995.
Het Reglement nr. 104 wordt opgenomen als bijlage 18 bij dit besluit.
De Minister of zijn gemachtigde duidt (het) (de) laboratori(um)(a) aan (dat) (die) gemachtigd (is) (zijn) om de testen uit te voeren, voorgeschreven door dit Reglement.
De Dienst Voertuigen van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid is belast met het administratief beheer en de toepassing van dit Reglement en inzonderheid om, ingeval van positieve testen, de goedkeuring af te leveren aan de fabrikanten die erom vragen.
De retroreflecterende markeringsinrichtingen dragen een goedkeuringsteken van het type :
C Ex 104 R - 0001148
"C" duidt op de klasse van materiaal en kan vervangen zijn door "D", "D/E" of "E".
2° De voorschriften van Reglement nr. 104 zijn verplicht voor voertuigen bestemd voor uitzonderlijk vervoer.
3° In afwijking van de bepalingen van punt 3.1 van bijlage 9 van het Reglement nr. 104 mogen op de achterzijde van de voertuigen retroreflecterende kenmerkende markeringen en grafische afbeeldingen (reklame) aangebracht worden op voorwaarde dat ze voldoen aan dezelfde voorwaarden als deze die zich op de zijwanden mogen bevinden. »
![]() |
|
![]() |
|
|
|
|||||
|
|
|