|
![]() |
Laatste wijziging art 3bis - KB 14-03-2009 BS. 28-04-2009 - invoege 29 april 2009
ART 3 GOEDKEURING VAN DE TYPEN VAN CHASSIS OF ZELFDRAGENDE VOERTUIGEN.
§1.
§2.
De levering van een chassis of van een zelfdragend voertuig is verboden wanneer dit laatste niet geheel overeenkomt met het type dat werd goedgekeurd, tenzij voor de levering tussen partijen schriftelijk werd overeengekomen dat bedoeld voertuig niet bestemd is om op de openbare weg te worden gebruikt.
§3.
De ingebruikneming op de openbare weg van een chassis of van zelfdragend voertuig is verboden, wanneer dit laatste niet geheel overeenkomt met het type dat werd goedgekeurd ingevolge een aanvraag, ingediend door de in artikel 6 van hetzelfde besluit bedoelde personen.
§4.
De ingebruikneming op de openbare weg van voertuigen, bedoeld in §1,4, e, is verboden, wanneer voor het type ervan geen proces-verbaal van benaming is opgesteld of wanneer het type niet volledig overeenstemt met dat, vermeld in de documentatie waarvan sprake in hetzelfde lid.
ART 3bis Goedkeuring van landbouw- en bosbouwtrekkers. (art 3bis vervangen door KB 14-04-2009)
§1.
De goedkeuring van de landbouw- en bosbouwtrekkers bestaat ofwel uit de verificatie van de overeenstemming van het voertuig met de bepalingen van dit besluit, ofwel uit het uitreiken van het EG-goedkeuringscertificaat voorzien door de richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers, hun aanhangwagens en hun verwisselbare getrokken machines, alsook systemen, onderdelen en technische eenheden van deze voertuigen, en de aanhangwagens die specifiek zijn ontworpen en gebouwd om te worden getrokken door deze voertuigen, ofwel uit de verificatie van de overeenstemming van het voertuig met het goedkeuringscertificaatdateraan zou zijn toegekend door een andere Lidstaat.
§2.
De EG-goedkeuring van de landbouw- of bosbouwtrekkers, hun aanhangwagens en hun getrokken verwisselbare machines, alsook de systemen, onderdelen en technische eenheden van deze voertuigen moet gebeuren overeenkomstig de bepalingen van de richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers, hun aanhangwagens en hun verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan, en aanhangwagens die specifiek voor deze trekkers zijn ontworpen en die de richtlijn 74/150/EEG opheft;
§3.
Elke aanvraag voor goedkeuring moet worden ingediend door de constructeur of zijn mandataris bij de overheid die bevoegd is voor de goedkeuring.
Zij moet vergezeld zijn van een inlichtingenformulier en van een omstandige technische beschrijving van het voertuig of van het goed te keuren bestanddeel van het voertuig.
Deze onderdelen moeten beantwoorden aan de bepalingen van voormelde richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 26 mei 2003.
Voor eenzelfde type voertuig kan er geen aanvraag voor EG-goedkeuring worden ingediend als er al een werd ingediend in een Lidstaat.
§4.
De aanvrager moet het bewijs voorleggen van het feit dat de eventuele onontbeerlijke tests werden uitgevoerd.
§5.
De goedkeuring wordt verleend of geweigerd door de bevoegde overheid naargelang het feit of het type voertuig of voertuigbestanddeel al dan niet overeenstemt met de technische voorschriften waarvan sprake in dit besluit of in de richtlijn 2003/37/EG van het EuropeesParlement en van de Raad van 26 mei 2003.
§6.
Elk in het verkeer gebracht voertuig of voertuigbestanddeel moet in overeenstemming blijven met het goed te keuren type voertuig of voertuigbestanddeel.
Elke wijziging van het type voertuig of voertuigbestanddeel dat het voorwerp heeft uitgemaakt van de goedkeuring bedoeld in § 5 en de eventuele stopzetting van de productie moeten worden betekend aan de overheid die bevoegd is voor de goedkeuring. Deze oorgaat om een wijziging die een nieuwe goedkeuring vereist.
§7.
De voor een type voertuig of voertuigbestanddeel verleende goedkeuring mag door de goedkeuringsinstantie worden ingetrokken wanneer dit voertuig of voertuigbestanddeel niet meer overeenstemt met het goedgekeurde prototype
§8.
Op verzoek van de goedkeuringsinstantie, moet de fabrikant de voertuigen, voertuigbestanddelen of serie-inrichtingen waarvan het prototype het voorwerp heeft uitgemaakt van een vorige goedkeuring ter beschikking houden voor de overeenstemmingstests of -controles.
§9.
Elke weigering of intrekking wordt betekend aan de fabrikant of aan zijn mandataris. Binnen de acht werkdagen die volgen op de datum van betekening, kan de fabrikant of zijn mandataris een aanvraag tot herziening indienen bij de goedkeuringsinstantie. Die overheid moet binnen de maand die volgt op de datum van indiening van de aanvraag beslissen.
§10.
De voorwaarden voor EG-goedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen, van hun bestanddelen of van hun veiligheidsinrichtingen worden bepaald door Ons.
ART 3bis DE E.E.G.-GOEDKEURING. (art 3bis vervangen door KB 14-04-2009 - zie hierboven)
§1.
De E.E.G.-goedkeuring van de motorvoertuigen en hun aanhangwagens of bestanddelen daarvan moet geschieden overeenkomstig de bepaling van de Richtlijn 70/156/E.E.G. van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgeving van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan.
§2.
Elk verzoek om E.E.G.-goedkeuring moet door de constructeur of door diens gevolmachtigde worden ingediend bij het Ministerie van Verkeerswezen, Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur, Wegverkeer - Technische Directie, Wetstraat 155, 1040 Brussel.
Het verzoek moet vergezeld gaan van een inlichtingenformulier en een omstandig technische beschrijving van het goed te keuren voertuig of bestanddeel van voertuig.
Deze stukken moeten overeenkomen met de bepalingen van de voornoemde Richtlijn 70/156/E.E.G van 6 februari 1970.
Voor een zelfde type voertuig mag het verzoek om goedkeuring slechts in één Lid-Staat worden ingediend.
§3.
De verzoeker moet het bewijs leveren dat de eventuele onontbeerlijke proeven verricht werden in de door het Ministerie van Verkeerswezen erkende laboratoria.
§4.
De goedkeuring wordt verleend of geweigerd door de Minister van Verkeerswezen of diens gemachtigde naargelang van het al dan niet overeenstemmen van het type voertuig of bestanddeel van voertuig met bedoelde richtlijn.
§5.
Elk voertuig of bestanddeel van voertuig in het verkeersgebruik moet in overeenstemming blijven met het goedgekeurde type voertuig of bestanddeel van voertuig.
Elke wijziging van het type voertuig of bestanddeel van voertuig dat het voorwerp heeft uitgemaakt van de in paragraaf 4 bedoelde goedkeuring alsmede de eventuele stopzetting van de productie moeten aan de Minister van Verkeerswezen of aan diens gemachtigde betekend worden. Deze oordeelt dan of het een wijziging geldt die een nieuwe goedkeuring nodig maakt.
§6.
Op verzoek van de Minister van Verkeerswezen of van diens gemachtigde, is de constructeur ertoe gehouden hem de voertuigen, bestanddelen van voertuigen of serieïnrichtingen waarvan het prototype het voorwerp heeft uitgemaakt van een vorige goedkeuring ter beschikking te stellen voor gelijkvormigheidsproeven of -controles.
§7.
De voor een type voertuig of bestanddeel van voertuig verleende goedkeuring mag door de Minister van Verkeerswezen of diens gemachtigde ingetrokken worden ingeval dit voertuig of bestanddeel van voertuig niet meer in overeenstemming is met het goedgekeurd prototype.
§8.
Elke weigering of intrekking van goedkeuring moet aan de constructeur of diens gevolmachtigde betekend worden en met redenen omkleed zijn. Binnen acht werkdagen na de datum van de betekening mag de constructeur of diens gevolmachtigde een aanvraag tot herziening indienen bij de Minister van Verkeerswezen. Deze laatste moet binnen de maand die volgt op de datum van indiening van deze aanvraag een beslissing nemen.
ART 3ter VOORWAARDEN DER E.E.G.-GOEDKEURING.
{In verband hiermede (worden te bouwen voertuigen) zie:
K.B. 26.2.81/stbl. 10.4.81: Uitvoering van de EEG-Richtlijnen betreffende de GOEDKEURlNG van de motorvoertuigen en hun aanhangwagens, landbouw- en bosbouwtrekkers op wielen, hun bestanddelen alsook hun veiligheidsonderdelen.}
|
|||||
|
|
|