Koninklijk besluit van 10 oktober 1974 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de bromfietsen, de motorfietsen en hun aanhangwagens moeten voldoen.

Naar mijn homepage
Aantal zitplaatsen
Tabel
Uitlaat, banden en spatboren

Motor en krachtoverbrenging - Versnellingsbak en koppeling - Startinrichting - Stuurinrichting.

ART 17. Snelheidsmeter en kilometerteller.

  1. De motorfietsen en de voertuigen met meer dan twee wielen moeten voorzien zijn van een snelheidsmeter en een kilometerteller die gemakkelijk door de bestuurder waarneembaar zijn aangebracht; deze instrumenten moeten ook bij nacht afleesbaar zijn zonder dat de bestuurder daarvan hinder ondervindt.
  2. De voorschriften van dit artikel zijn enkel van toepassing op de voertuigen die vanaf 1 januari 1975 tot het verkeer toegelaten worden. 

ART 18. Motor en krachtoverbrenging.

  1. De motor van de bromfietsen moet zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat zijn onderdelen niet gemakkelijk kunnen worden gewijzigd met het doel de maximum snelheid van het voertuig te verhogen.
  2. De krachtoverbrenging tussen motor en wielen moeten op eenvoudige wijze blijvend kunnen worden onderbroken.
    Indien het voertuig tweewielig is en de motor het voorwiel aandnjft moet de krachtoverbrenging bovendien zodanig opgevat zijn dat bij plotselinge stilstand van de motor het voorwiel niet ogenblikkelijk wordt geblokkeerd.
  3. De trekkracht van de motor moet op eenvoudige wijze door de bestuurder kunnen worden geregeld zonder dat deze hiertoe het stuur behoeft los te laten.

ART 19. Versnellingsbak en koppeling.

  1. De versnellingshefboom moet gemakkelijk zijn te bedienen en hij moet in onmiddellijk bereik van de bestuurder zijn gelegen.
    Bij een versnellingsbak welke direct wordt bediend moet de versnellingshefboom zich in elke stand automatisch vastzetten.
  2. Het inkoppelen moet geleidelijk geschieden en gemakkelijk geregeld kunnen worden.
  3. De voertuigen op meer dan twee wielen moeten van een achteruitstand voorzien zijn als hun tarra 200 kg overschrijdt en/of als hun draaicirkel groter dan 4 m is.

 ART 20. Startinrichting.

ART 21. Stuurinrichting.

  1. Een goede bestuurbaarheid van het voertuig moet zijn gewaarborgd; hierbij mogen geen ongewenste reactiekrachten van het of de bestuurde wiel(en) op de stuurinrichting worden overgebracht.
  2. Aan de stuurorganen mag, behalve door de fabrikant zelf. niet zijn gelast.
  3. Indien de stuurinrichting voorzien is van verbindingsstangen met kogelgewrichten moeten deze laatste zodanig zijn uitgevoerd. dat noch breuk van de opsluitveren noch geringe slijtage van de kogels of de kommen ten gevolge kan hebben. dat zij uit de kommen naar buiten treden.

Aantal zitplaatsen
Tabel
Uitlaat, banden en spatboren