|
|
![]() |
|||
|
Lichten - reflectoren - richtingsaanwijzers.
|
Definities |
Lichten van de aanhangwagens getrokken door bromfietsen of motorfietsen. |
![]() |
ART 13.
1. Definities.
Grootlicht: het voertuiglicht dat dient om de weg voor het voertuig over een grote afstand te verlichten.
Dimlicht: het voertuiglicht dat dient om de weg voor het voertuig te verlichten zonder de bestuurders van tegemoetkomende voertuigen en andere weggebruikers te verblinden of te hinderen.
Standlicht: het voertuiglicht dat, van voren gezien, dient om de aanwezigheid en de breedte van het voertuig aan te geven.
Achterlicht: het voertuiglicht dat, van achteraan gezien, dient om de aanwezigheid en de breedte van het voertuig aan te geven.
Stoplicht: het voertuiglicht dat dient om aan andere weggebruikers die zich achter het voertuig bevinden kenbaar te maken dat de bestuurder de bedrijfsreminrichting bedient.
Kentekenplaatverlichting: de inrichting die dient om de [achterste kentekenplaat] van het voertuig te verlichten.
Achterreflector: de inrichting die dient om de aanwezigheid van een voertuig kenbaar te maken door reflectie van licht, uitgestraald door een lichtbron die niet met het voertuig is verbonden, waarbij de waarnemer achter het voertuig en bij genoemde lichtbron is opgesteld.
Parkeerlicht: het voertuiglicht dat, hetzij van voren, hetzij van achteren gezien, dient om de aanwezigheid van het geparkeerde voertuig aan te geven.
Mistlicht voor: het voertuiglicht dat dient om de verlichting van de weg ingeval van mist, sneeuwval, dichte regen of stofwolken te verbeteren.
Mistlicht achter: het voertuiglicht dat dient om bij dichte mist de andere weggebruikers die zich achter het voertuig bevinden te verwittigen.
Voorreflector: de inrichting die dient om de aanwezigheid van een voertuig kenbaar te maken door reflectie van licht, uitgestraald door een lichtbron die niet met het voertuig is verbonden, waarbij de waarnemer voor het voertuig en bij genoemde lichtbron is opgesteld.
Zijreflector: de inrichting die dient om de aanwezigheid van een voertuig kenbaar te maken door reflectie van licht, uitgestraald door een lichtbron die niet met het voertuig is verbonden, waarbij de waarnemer naast het voertuig en bij genoemde lichtbron is opgesteld.
Richtingaanwijzer: het voertuiglicht dat dient om andere weggebruikers ervan te verwittigen dat de bestuurder het voornemen heeft naar rechts of links van richting te veranderen.
Minimum hoogte van een licht of reflector: de afstand tussen de grond en de onderzijde van het lichtdoorlatend of reflecterend gedeelte, als het voertuig ledig is.
Maximum hoogte van een licht of reflector: de afstand tussen de grond en de bovenzijde van het lichtdoorlatend of reflecterend
Maximum afstand van een licht of reflector tot de zijkant: de afstand tussen de buitenzijde van het voertuig en de buitenzijde van het lichtdoorlatend of reflecterend gedeelte.
§1. Elke combinatie van twee of meer lichten, hetzij gelijke of niet, doch van dezelfde functie en dezelfde kleur, zal als een enkel licht worden beschouwd indien de projecties van hun lichtdoorlatende oppervlakten op een verticaal vlak loodrecht op het mediaanvlak van het voertuig niet minder bedragen dan 50 pct. van de kleinste rechthoek omschreven op de projecties van de genoemde lichtdoorlatende oppervlakten.
§2. Wanneer het voertuig er mee is uitgerust, moeten het achterlicht, de verlichting van de kentekenplaat, alsmede het standlicht en het achterlicht van de zijspanwagen automatisch worden ontstoken wanneer een licht aan de voorzijde van het voertuig wordt ingeschakeld.
§3. Het voertuig moet zodanig zijn ingericht, dat het achterlicht en de reflectoren niet kunnen worden afgeschermd door enig deel van het voertuig of van de lading.
§4. Reflectoren mogen geen driehoek vorm hebben en moeten vast zijn aangebracht in een vlak, loodrecht op de lengteas van het voertuig.
§5. Lichten en reflectoren met dezelfde functie en richting moeten van gelijke kleur zijn.
In geen geval mag een voertuig naar voren rode lichten, rode reflectoren of rood reflecterend materiaal dan wel naar achteren witte of gele lichten, witte of gele reflectoren of wit of geel reflecterend materiaal vertonen.
De bepaling geldt niet voor de kentekenplaten.
§6. Ongelijknamige lichten alsmede reflectoren mogen in een en hetzelfde verlichtingsorgaan gegroepeerd of ingebouwd zijn, voor zover ieder van die lichten aan de erop toepasselijke bepalingen voldoet en geen verwarring mogelijk is.
3. Lichten en reflectoren van de bromfietsen op twee of drie wielen
§1. De bromfietsen [op twee of drie wielen], moeten altijd de in tabel I vermelde lichten en reflectoren voeren en moeten voldoen aan de voorschriften die in deze tabel zijn gesteld.
§2. In afwijking van §1 mag:
§3. Bovendien mogen de bromfietsen die lichten en reflectoren voeren waarmede een motorfiets moet of mag zijn uitgerust, mits zij zijn aangebracht overeenkomstig de eisen welke voor motorfietsen gelden.
4. Lichten en reflectoren van de motorfietsen met twee wielen met of zonder zijspanwagen.
§1. De motorfietsen met twee wielen met of zonder zijspanwagen moeten altijd de in tabel II vermelde lichten en reflectoren voeren en voldoen aan de voorschriften die in deze tabel zijn gesteld.
Bovendien mogen de in tabel III vermelde lichten en reflectoren op de motorfietsen met twee wielen met of zonder zijspanwagen gemonteerd worden indien ze voldoen aan de eisen van deze tabel.
§2. Lichten en reflectoren welke niet zijn genoemd in tabel II en tabel III mogen niet op de motorfietsen met twee wielen met of zonder zijspanwagen worden aangebracht.
§3. Het stoplicht moet in werking treden bij bediening van de rem die op het achterwiel [of het voorwiel of de beide wielen] werkt.
§4. De motorfietsen van de federale en lokale politie mogen voorzien worden van lichten en reflectoren voor bijzonder gebruik.
5. Lichten en reflectoren van de motorfietsen met drie wielen.
§1. De lichten en reflectoren van de motorfietsen met drie wielen moeten voldoen aan de eisen die voor motorvoertuigen op meer dan 3 wielen gelden.
§2. In afwijking van § 1 mag:
§3. Indien het voertuig met een achteruitversnelling en een achteruitrijlicht is uitgerust mag dit laatste alleen kunnen branden wanneer de achteruitversnelling is ingeschakeld.
§4. Het stoplicht moet in werking treden bij bediening van een der in art. 11, § 2-1 bedoelde reminrichtingen.
5bis. Lichten en reflektoren van de bromfietsen op vier wielen.
§1. De bromfietsen op vier wielen moeten altijd voorzien zijn van de lichten en reflektoren vermeld in tabel IV en moeten aan de schikkingen voorzien in deze tabel beantwoorden.
Bovendien mogen de in tabel V vermelde lichten en reflektoren op de bromfietsen op vier wielen gemonteerd worden indien ze voldoen aan de eisen van deze tabel.
§2. De lichten en reflektoren welke niet genoemd zijn in de tabellen IV en V mogen niet op de bromfietsen op vier wielen aangebracht worden.
§3. Het stoplicht moet in werking treden bij bediening van de rem.
§1.
§2. De motorfietsen met drie wielen, [de bromfietsen met vier wielen] moeten van richtingaanwijzers zijn voorzien overeenkomstig de eisen die gelden voor motorvoertuigen met meer dan 3 wielen.
6bis. Lichten van de aanhangwagens getrokken door bromfietsen of motorfietsen.
Bovendien moeten zij achteraan uitgerust zijn met de voor het trekkende voertuig voorziene lichten indien hun buitenafmeting deze onzichtbaar maken.]
7. Overgangsbepalingen [...]