|
Koninklijk besluit van 10 oktober 1974 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de bromfietsen, de motorfietsen en hun aanhangwagens moeten voldoen.
|
Remdoelmatigheid
ART 11. Reminrichtingen.
§ 1. Eisen toepasselijk op de voertuigen met twee wielen met of zonder zijspanwagen.
- De voertuigen met twee wielen met of zonder zijspanwagen moeten voorzien zijn van ~ onafhankelijk werkende reminrichtingen met onafhankelijke bedieningsorganen. waarvan de ene reminrichting op het (de) voorwiel(en) en de andere op het (de) achterwiel(en) werkt: zij behoeven niet op het wiel van de zijspanwagen te werken. ([ ] gewijzigd K.B. 16-12-1981, art. 10,1° Inwerkingtreding 1-2-1982).
- Wanneer een der reminrichtingen onklaar wordt moet de andere reminrichting nog steeds doelmatig kunnen werken.
- Alle delen van de reminrichtingen moeten ruim bemeten zijn en voor onderhoud gemakkelijk toegankelijk zijn.
- De bedieningsorganen moeten zich in het onmiddellijk bereik van de bestuurder bevinden.
- Tenminste een der reminrichtingen moet werken op remoppervlakten die hetzij vast. hetzij door middel van voldoende sterke onderdelen met de wielen verbonden zijn.
- De slijtage van de remmen moet op een eenvoudige wijze met de hand of automatisch bijgesteld kunnen worden.
- Bij de bromfietsen op drie wielen moet een rem kunnen worden vastgezet tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is.
§ 2. Eisen toepasselijk op de [voertuigen met meer dan twee wielen].
- De [voertuigen met meer dan twee wielen] moeten zijn jn voorzien van onafhankelijk werkende reminrichtingen met onafhankelijke bedieningsorganen. waarvan de ene reminrichting tenminste op het (de) voorwiel(en) en de andere tenminste op het (de) achterwiel(en) werkt. ([ ] gewzd. K.B. 16-12-1981. art. 10. 2° - inwerkingtreding 1-2-1982).
- Een van de onder 1. bedoelde reminrichtingen of een afzonderlijk daarvan aangebrachte reminrichting moet in staat zijn het voertuig op een helling in stilstand te houden. ook bij afwezigheid van de bestuurder. Deze reminrichting moet zodanig zijn ingericht en uitgevoerd dat hij door de bestuurder vanaf zijn zitplaats kan worden bediend. Hij moet ook bij afwezigheid van de bestuurder aangezet kunnen worden gehouden door middel van een geheel mechanisch werkende inrichting.
- De bedieningsorganen moeten zich in het onmiddellijk bereik van de bestuurder bevinden. Wanneer de onder 1. bedoelde reminrichtingen d.m.v. handgrepen worden bediend. moet een der handgrepen zodanig zijn aangebracht dat een rem in werking kan worden gesteld zonder het stuur los te laten.
- Tenminste een der reminrichtingen moet werken op remoppervlakten die, hetzij vast. hetzij door middel van voldoende sterke onderdelen met de wielen verbonden zijn.
- Wanneer een der reminrichtingen onklaar wordt. moet(en) de andere reminrichting(en) nog steeds doelmatig kunnen werken.
- Alle delen van de reminrichtingen moeten ruim bemeten zijn en voor onderhoud gemakkelijk toegankelijk zijn.
§ 3. De voorschriften van dit artikel zijn enkel van toepassing op de voertuigen die vanaf 1 januari 1975 tot het verkeer toegelaten worden.
Voor de voertuigen die voor 1 januari 1975 tot het verkeer toegelaten worden zijn de volgende bepalingen van toepassing;
Iedere bromfiets of iedere motorfiets moet voorzien zijn van reminrichting die doelmatig genoeg is om de voortbeweging daarvan te beheersen. de bromfiets of de motorfiets zeker en snel tot stilstand te brengen en het draaien van de geremde wielen te beletten bij elke wijze van belading en op elke op- en nederwaartse helling waarop de bromfiets of de motorfiets zich bevindt.
ART 12. Remdoelmatigheid.
§ 1. Eisen toepasselijk op de [tweewielige] bromfietsen.
1. De werking van de reminrichtingen moet zodanig zijn dat, op een nagenoeg horizontale en droge weg. de gemiddelde remvertraging bij, koude remmen en ontkoppelde motor, nimmer minder bedraagt dan 4.2 m/sec2 voor de nieuwe bromfietsen bij gezamenlijk gebruik van beide reminrichtingen, ongeacht de belastingstoestand of de snelheid.
Nochtans, wanneer er een zijspanwagen aanwezig is, mag de gemiddelde remvertraging niet minder bedragen dan 3,9 m/sec2
2. De onder 1. voorgeschreven waarden worden met 10 pct. verminderd voor de voertuigen die reeds in gebruik zijn.
3. De remvertragingen moeten kunnen worden behaald zonder dat de krachten op het bedieningsorgaan meer bedragen dan:
§ 2. Eisen toepasselijk op de motorfietsen op twee wielen met of zonder zijspanwagen.
1 . De werking van de reminrichtingen moet zodanig zijn dat, op een nagenoeg horizontale en droge weg, de gemiddelde remvertraging bij koude remmen en ontkoppelde motor. ongeacht belastingstoestand of snelheid nimmer minder bedraagt dan:
a) bij gebruik van beide reminrichtingen samen:
- 5m/sec2 voor nieuwe motorfietsen zonder zijspanwagen:
- 4,6 m/sec2 voor nieuwe motorfietsen met zijspanwagen;
b) bij gebruik van de reminrichting welke op het voorwiel werkt:
- 3,9 m/sec2 voor nieuwe motorfietsen zonder zijspanwagen;
c) bij gebruik van de reminrichting welke op het achterwiel werkt:
- 3,1 m/sec2 voor nieuwe motorfietsen zonder zijspanwagen.
2. De onder 1. voorgeschreven waarden worden met 10 pct. verminderd voor motorfietsen die reeds in gebruik zijn.
3. De remvertragingen moeten kunnen worden behaald zonder dat de krachten op het bedieningsorgaan meer bedragen dan:
§ 3. Eisen toepasselijk op de voertuigen op meer dan twee wielen
1. De werking van de in artikel 11 § 2. 1. bedoelde reminrichtingen van [nieuwe voertuigen op meer dan twee wielen] moet zodanig zijn dat op een nagenoeg horizontale en droge weg, de gemiddelde remvertraging bij koude remmen en ontkoppelde motor, ongeacht belastingstoestand of snelheid. nimmer minder bedraagt dan:
a) bij gebruik van beide reminrichtingen samen: 4.6 m/sec2
b) bij gebruik van elk der reminrichtingen afzonderlijk: 1,9 m/sec2
2. De in artikel 11 § 2. 2 bedoelde reminrichting van [nieuwe voertuigen op meer dan twee wielen] moet in staat zijn het beladen voertuig op een helling an 18 pct . in beide richtingen staande te houden.
Aan deze voorwaarden wordt geacht te zijn voldaan, indien met de parkeerrem op een nagenoeg horizontale en droge weg. met beladen voertuig en ontkoppelde motor, met koude rem. uitgaande van de beginsnelheid van 15 km/u. een gemiddelde remvertraging van 1.5 m/sec2 kan worden bereikt.
3. De hierboven onder 1. en 2. genoemde waarden voor de remvertragingen worden met 10 pct. verminderd voor voertuigen die reeds in gebruik zijn.
4. De remvertragingen moeten kunnen worden behaald zonder dat de krachten op het bedieningsorgaan meer bedragen dan:
- - 50 kg op een pedaal;
- - 20 kg voor de handbediende inrichting(en)
§ 4. De voorschriften van dit artikel zijn enkel van toepassing op de voertuigen die vanaf 1 januari 1975 tot het verkeer toegelaten worden.