Koninklijk besluit van 14-07-2005 houdende uitvoering van de verordening (E.E.G.) nr. 3821/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer.


Bijlage 1. Naar startpagina


Voertuigen waarin de tachograaf niet gebruikt moet worden of waarin hij niet geïnstalleerd moet zijn in het geval van vervoer bedoeld in artikel 2, punt 3 van verordening (EG) nr. 561/2006 en tot de overeenstemming bedoeld in punt 3 van hetzelfde artikel van de verordening bereikt is:
(Titel gewijzigd door KB 09-04-2007)

Voertuigen gebruikt voor binnenlands of internationaal vervoer (gewijzigd door KB 09-04-2007)
  1. voertuigen die bestemd zijn voor het goederenvervoer en waarvan het toegestane maximumgewicht, dat van de aanhangwagens of opleggers inbegrepen, niet meer dan 3,5 ton bedraagt;

  2. voertuigen die bestemd zijn voor het personenvervoer en die volgens hun bouwtype en uitrusting ten hoogste negen personen, de bestuurder daaronder begrepen, kunnen vervoeren en die daartoe zijn bestemd;

  3. voertuigen die bestemd zijn voor het:
    1. geregeld personenvervoer waarvan de lengte van het traject niet groter is dan 50 kilometer;
    2. internationaal geregeld personenvervoer, indien het begin- en eindpunt van de lijn zich bevinden binnen een straal van 50 km in vogelvlucht van een grens met een andere LidStaat en indien het traject niet langer is dan 100 km;

  4. voertuigen waarvan de toegestane maximumsnelheid niet meer dan 30 km per uur bedraagt;

  5. voertuigen van of onder toezicht van strijdkrachten, bescherming burgerbevolking, brandweer en korpsen voor de handhaving van de openbare orde;

  6. voertuigen van de rioleringsdiensten, de diensten ter bescherming tegen overstromingen, of van de diensten van de water-, gas- en elektriciteitsvoorziening, de gemeentereiniging, de vuilnisophaling, de telegraaf en telefoon, de postzendingen, de radio-omroep, de televisie en de opsporing van radio- en televisiezend- en ontvangtoestellen;

  7. voertuigen die gebruikt worden in noodsituaties of voor reddingsoperaties;

  8. speciaal voor medische doeleinden uitgeruste voertuigen;

  9. voertuigen voor het vervoer van circus- of kermismateriaal;

  10. voertuigen die speciaal zijn uitgerust voor reparaties en wegslepen;

  11. voertuigen die op de weg worden beproefd met het oog op de technische ontwikkeling, reparatie of onderhoud, en nieuwe of vernieuwde voertuigen die nog niet in gebruik zijn genomen;

  12. voertuigen die worden gebruikt voor niet-commercieel goederenvervoer voor privé-doeleinden;

  13. voertuigen voor het ophalen van melk op de boerderijen en het terugbrengen van melkbussen of zuivelprodukten voor de veevoeding naar de boerderijen;

Voertuigen uitsluitend gebruikt voor binnenlands vervoer (gewijzigd door KB 09-04-2007)

  1. voertuigen bestemd voor het geregeld personenvervoer;

  2. voertuigen die voor personenvervoer zijn bestemd en, gezien hun constructie en uitrusting, geschikt zijn voor het vervoer van ten hoogste 17 personen, met inbegrip van de bestuurder en daarvoor moeten dienen;

  3. voertuigen die door de overheid worden gebruikt voor taken van openbare dienst die beroepsvervoerders niet beconcurreren;

  4. voertuigen voor goederenvervoer die door landbouw-, tuinbouw-, bosbouw- of visserijbedrijven worden gebruikt voor ritten binnen een straal van 50 km van de gebruikelijke standplaats van het voertuig, met inbegrip van het grondgebied van gemeenten waarvan de kern binnen deze straal is gelegen;

  5. voertuigen voor het vervoer van niet voor menselijke consumptie bestemde geslachte dieren of slachtafvallen;

  6. voertuigen voor het vervoer van levende dieren van de boerderijen naar de plaatselijke markten en omgekeerd, of van de markten naar de plaatselijke slachthuizen;

  7. voertuigen voor gebruik als winkels op plaatselijke markten, voor de verkoop aan huis, voor ambulante werkzaamheden van banken, wisselkantoren of spaarbanken, voor de eredienst, voor het uitlenen van boeken, platen of cassettes, voor culturele manifestaties of voor tentoonstellingen en speciaal voor dergelijk gebruik uitgerust;

  8. voertuigen voor het vervoer van het materieel of de uitrusting die de bestuurder beroepshalve gebruikt, binnen een straal van 50 km rond de gebruikelijke standplaats van het voertuig, op voorwaarde dat dit vervoer niet de hoofdactiviteit van de bestuurder is;

  9. voor goederenvervoer gebruikte voertuigen die worden aangedreven met in het voertuig geproduceerd gas of met elektriciteit, of die zijn uitgerust met een vertragingsinrichting, mits deze voertuigen gelijk worden gesteld met benzine of dieselolie aangedreven voertuigen met een toegestaan maximumgewicht, met inbegrip van aanhangwagens of opleggers, van niet meer dan 3,5 ton;

  10. voertuigen die worden gebruikt voor autorijlessen met het oog op het verkrijgen van een rijbewijs;

  11. trekkers die uitsluitend worden gebruikt voor landbouw en bosbouw.