![]() |
|
|
|
|
Gewijzigd door het KB van 09-04-2007
Art. 14.
§ 1. De voertuigen, onderworpen aan de voorschriften van dit besluit, ondergaan een inspectie van de tachograaf en van de installatie in haar geheel, teneinde na te gaan of de tachograaf en zijn installatie in overeenstemming zijn met de voorschriften van de verordening.
§ 2. De in § 1 bedoelde inspecties worden uitgevoerd door de erkende installateurs. Ze hebben plaats :
1° voor de digitale tachografen, na elke herstelling, na elke wijziging van de karakteristieke coëfficiënt van het voertuig of van de effectieve bandenomtrek of wanneer het UTC uurwerk een afwijking vertoont van meer dan twintig minuten.
De voertuigen maken ten minste om de twee jaar het voorwerp uit van een inspectie, met inbegrip van een ijking. Bij deze inspectie moet de installateur het installatieplaatje vernieuwen.
2° voor de analoge tachografen : de voertuigen maken ten minste om de twee jaar het voorwerp uit van een controle, uitgevoerd door een erkend installateur en bestaande uit het nazicht van :
Een controleplaatje waarvan het model is vastgelegd door de Administratie, wordt in de onmiddellijke nabijheid van het installatieplaatje aangebracht. Het bevat de naam, het adres en het erkenningsnummer van de installateur, alsook de datum van de controle.
De voertuigen maken ten minste om de zes jaar het voorwerp uit van een inspectie, met inbegrip van een ijking. Tijdens deze inspectie moet de installateur het installatieplaatje vernieuwen;
3° voor alle tachografen :
§ 3. Onafhankelijk van de in § 1 en § 2 bedoelde inspecties en controles wordt jaarlijks, ter gelegenheid van de periodieke keuring van het voertuig, nagegaan of :
Bij de periodieke keuring van een voertuig uitgerust met een analoge tachograaf, is het voorzien van een registratieschijf waarop minstens een afgelegde afstand van 5 km werd geregistreerd.
§ 4. Elk voertuig waarbij de in artikel 18 bedoelde controleambtenaren vaststellen dat de tachograaf niet meer overeenstemt met de voorschriften van de verordening, ingevolge een niet toegelaten ingreep, mag slechts op de openbare rijden om zich voor het herstellen van de conformiteit naar een erkende werkplaats te begeven.
Art. 15.
§ 1. Op het installatieplaatje staan de volgende vermeldingen:
§ 2. Het model van installatieplaatje wordt bepaald door de Administratie.
Art. 16.
§ 1. De tachograafkaarten waarvan de prijzen bepaald zijn in bijlage VII
, bestaan uit vier types :
De aanvragen om kaarten te bekomen worden gedaan door middel van de formulieren waarvan de modellen zich in bijlage VIII bevinden.
§ 2. De tachograafkaarten blijven eigendom van de Staat die ze te beschikking stelt van de houders.
§ 3. De tachograafkaarten worden geweigerd of ongeldig verklaard door de bevoegde instantie wanneer de aanvragers of de houders niet of niet meer, geheel of gedeeltelijk, aan de voorwaarden voldoen of wanneer de houders ze verkregen hebben op basis van valse, onjuiste of onvolledige verklaringen.
§ 4. De bestuurderskaart is persoonlijk en onoverdraagbaar, ze mag enkel afgeleverd aan een persoon die aan de volgende voorwaarden voldoet :
§ 5. De erkende werkplaats duidt de fysieke personen aan die aan de voorwaarden van artikel 10, tweede lid beantwoorden. De werkplaatskaarten worden uitgereikt aan de erkende werkplaats die erom verzoekt.
Ze zijn persoonlijk en onoverdraagbaar.
§ 6. De geheime code verbonden aan de werkplaatskaart, is persoonlijk. Zij wordt verstrekt aan de houder van een werkplaatskaart, mag niet medegedeeld worden aan een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon en mag enkel gebruikt worden door de kaarthouder.
§ 7. De werkplaatskaart mag de werkplaats niet verlaten behoudens voor externe activiteiten die rechtstreeks verbonden zijn aan de activiteiten van de werkplaats en voor de duur ervan. Wanneer ze niet gebruikt wordt, wordt ze in het beveiligde tachograaflokaal bewaard.
§ 8. De erkende werkplaats is verantwoordelijk voor het gebruik van de kaarten door zijn personeel en de teruggave van de werkplaatskaarten waarover zij beschikt.
§ 9. Bij verbreking van de arbeidsovereenkomst die een erkende werkplaats en de houder van een werkplaatskaart verbindt of wanneer de houder zijn activiteiten stopzet, wordt de werkplaatskaart binnen acht dagen terugbezorgd aan de bevoegde instantie.
§ 10. Het verlies of de diefstal van een in België uitgereikte kaart maakt het voorwerp uit van een verklaring van onvrijwillige buitenbezitstelling bij de politie of de bevoegde instantie. Het attest van onvrijwillige buitenbezitstelling uitgereikt door de politie wordt gevoegd bij de aanvraag tot vervanging.
§ 11. Bij verlies of diefstal van een kaart uitgereikt door een buitenlandse instantie, en wanneer de feiten zich op Belgisch grondgebied hebben voorgedaan, wordt de verklaring van onvrijwillige buitenbezitstelling afgelegd bij de politie.
§ 12. De controleagenten bedoeld in artikel 18 § 2 beschikken over een controlekaart.
§ 13. De kaarten zijn in beslag genomen en ingetrokken wanneer de kaart vervalst is, wanneer de bestuurder een kaart gebruikt waarvan hij niet de titularis is of wanneer de kaart bekomen werd op basis van valse verklaringen en/of vervalste documenten.
§ 14. Beschadigde of defecte in België uitgereikte kaarten worden aan de bevoegde instantie terugbezorgd. Zo nodig worden ze bij de aanvraag tot vervanging gevoegd.
§ 15. De kaarten waarvan de geldigheidsduur verstreken is of die niet meer worden gebruikt, worden door de houder aan de bevoegde instantie terugbezorgd binnen acht dagen volgend op de vervaldatum of het einde van het gebruik.
§ 16. Niemand mag een als verloren of gestolen gemelde kaart gebruiken.
§ 17. Niemand mag twee of meer geldige bestuurderskaarten die hij bezit beurtelings gebruiken, of een kaart bezitten die hem niet toebehoort.
HOOFDSTUK XI. Overbrenging van de in het geheugen
van de voertuigunit of van bestuurderskaarten opgeslagen gegevens
Art. 17.
§ 1. De in het geheugen van de voertuigunit opgeslagen gegevens worden overgebracht naar een beveiligd extern medium ten minste om de twee (2) maanden te rekenen vanaf de laatste overbrenging.
Indien het voertuig uit het verkeer wordt genomen of ter beschikking gesteld van een ander bedrijf in enigerlei vorm, worden de in het geheugen van de voertuigunit opgeslagen gegevens overgebracht voor de lopende periode sinds de laatste overbrenging.
De in het geheugen van de bestuurderskaart opgeslagen gegevens worden overgebracht naar beveiligde externe media ten minste om de eenentwintig (21) dagen vanaf de laatste overbrenging.
De in het geheugen van de bestuurderskaart opgeslagen gegevens worden overgebracht voor de lopende periode sinds de laatste overbrenging, wanneer de bestuurder zijn activiteiten binnen het bedrijf stopzet of vóór de kaart voor vervanging of vernieuwing naar de bevoegde instelling teruggestuurd wordt.
Een overbrenging van de gegevens over een bepaalde periode kan door de in § 4 bedoelde ambtenaren geëist worden.
§ 2. Het bedrijf bewaart de overgebrachte gegevens ten minste twee jaar.
De overgebrachte gegevens uit het geheugen van de voertuigunit van alle voertuigen van een zelfde bedrijf en uit het geheugen van de bestuurderskaart van alle door dit bedrijf tewerkgestelde bestuurders, worden bewaard op een zelfde beveiligde plek waartoe slechts gerechtigde personen toegang hebben.
§ 3. De overbrenging noch de bewaring van de gegevens mag deze wijzigen of aantasten.
§ 4. De door de bedrijven of werkplaatsen overgebrachte gegevens worden voor analyse ter beschikking gesteld op verzoek van en aan :
Deze ambtenaren kunnen op hun beurt de gegevens overbrengen naar hun eigen opslagmedium voor verdere analyse.
Art. 18.
§ 1. De inbreuken op de verordening en op dit besluit, vastgesteld in België of aangegeven door de bevoegde overheid van een andere lidstaat of van een derde land, worden bestraft overeenkomstig de artikelen 2 en 2bis van de bovengemelde wet van 18 februari 1969 of artikel 4 van de wet van 21 juni 1985, ook als de inbreuk is begaan op het grondgebied van een andere lidstaat of van een derde land, al naar gelang zij betrekking hebben op het gebruik van het controleapparaat of op zijn technische kenmerken. (§1 vervangen door KB 09-04-2007)
§ 2. Met het opsporen en vaststellen van de inbreuken op dit besluit
worden belast :
§ 3. De hoedanigheid van gerechtelijk officier kan door Ons verleend worden aan de in artikel 18, § 2, 2° bedoelde ambtenaren.
Art. 19.
§ 1. Artikel 2, 1° punt h van het koninklijk besluit van 19 juli 2000 betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige inbreuken inzake het vervoer over de weg, gewijzigd bij artikel 67, 2° van het koninklijk besluit van 7 mei 2002 betreffende het vervoer van zaken over de weg, wordt aangevuld als volgt :
Art. 20.
« indien een bestuurder geen voertuig heeft kunnen besturen ingevolge ziekte of verlof, of indien hij een voertuig heeft bestuurd dat niet onder het toepassingsgebied van de verordening valt en hij geen registratiebladen of prestaties op zijn bestuurderkaart kan voorleggen, kan hij op het ogenblik van de controle zijn afwezigheden rechtvaardigen bij middel van een origineel attest van zijn werkgever.
Het attest is van het model bedoeld in de bijlage van de beslissing van de Commissie van C(2007)1470, over het formulier betreffende de sociale wetgeving inzake wegvervoer. » (art 20 vervangen door KB 09-04-2007).
Art. 21.
In afwijking van de voorschriften van artikel 4, § 4 van dit besluit, betreffende de controle bij de aanvrager, mag een voorlopige erkenning worden afgeleverd na onderzoek en aanvaarding van het aanvraagdossier. De voorlopige erkenning heeft een geldigheid van maximum één jaar, te rekenen vanaf de datum van aflevering.
Art. 22.
De nieuwe voertuigen ingeschreven vanaf 5 augustus 2005 zijn uitgerust met een digitale tachograaf. Evenwel, voor de periode tussen 5 augustus 2005 en 31 december 2005, mogen deze uitgerust zijn met een analoge tachograaf indien de houder van de inschrijving het bewijs levert dat het onmogelijk (*) was het voertuig uit te rusten met een digitale tachograaf.
Vóór 5 augustus 2006, dienen alle voertuigen met een installatieplaatje dat sinds twee jaar of meer geldig is bij een erkend installateur aangeboden te worden voor een controle zoals voorzien in artikel 14, na afloop waarvan een controleplaatje wordt aangebracht.
Alle voertuigen voorzien van een installatieplaatje dat sinds zes jaar geldig is, worden aangeboden voor een controle van de nauwkeurigheid van de tachograaf en van zijn installatie in haar geheel, na afloop waarvan een installatieplaatje, zoals beschreven in artikel 15, wordt aangebracht.
* Toepassing van de eerste alinea van artikel 22 (publicatie in het Staatsblad van 5 augustus 2005)
De onmogelijkheid het voertuig uit te rusten met een digitale tachograaf kan het gevolg zijn van :
- het niet beschikbaar zijn van digitale apparaten op het ogenblik van de constructie van het voertuig;
- de onmogelijkheid het voertuig in te schrijven vóór 5 augustus 2005.
Deze onmogelijkheid moet ter gelegenheid van de eerste, verplichte technische controle van het voertuig worden aangetoond d.m.v. een attest - degelijk gedateerd en ondertekend - verstrekt door een fabrikant van digitale tachografen of de voertuigconstructeur (of zijn gemandateerde) die bevestigt dat op het ogenblik van de montage geen digitale apparaten konden geleverd of geïnstalleerd worden.
Op basis van dit document en tot en met 31 december 2005 zal de technische controle voertuigen kunnen aanvaarden die met een analoog apparaat zijn uitgerust. Indien het station het attest als onvoldoende beoordeelt, zal het logischerwijze de tekortkoming ten opzichte van het technisch reglement vaststellen.
De Minister van Mobiliteit,
R. LANDUYT
Art. 23.
Het koninklijk besluit van 13 juli 1984 houdende uitvoering van de verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 november 1987, wordt opgeheven.
Art. 24.
Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 25.
Onze Minister van Mobiliteit en Onze Minister van Economie en Energie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 14 juli 2005.
|
|||||
|
|
|