VERORDENING (EG) nr. 561/2006 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 15 maart 2006
tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging
van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van
verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad


HOOFDSTUK II

BEMANNING, RIJTIJDEN, ONDERBREKINGEN EN RUSTTIJDEN

Leeftijd - Dagelijkse en Wekelijkse rijtijd - Onderbreking - Rusttijd (dagelijkse en wekelijkse) - Andere afwijkingen.

Artikel 5 (boetetarief 75 euro = minimumleeftijd van de bijrijder of conducteur werd niet gerespecteerd - KB 27 aril 2007)

1. De minimumleeftijd van conducteurs wordt vastgesteld op 18 jaar.

2. De minimumleeftijd van bijrijders wordt vastgesteld op 18 jaar. Lidstaten mogen echter de minimumleeftijd voor bijrijders verlagen tot 16 jaar, op voorwaarde dat:

a) het wegvervoer plaatsvindt binnen een lidstaat en binnen een straal van 50 km rondom de standplaats van het voertuig, met inbegrip van het grondgebied van de gemeenten waarvan het centrum binnen deze straal ligt;

b) de verlaging geschiedt met het oog op de beroepsopleiding; en

c) dit plaatsvindt conform de nationale arbeidswetgeving van de betreffende lidstaat.

Artikel 6

1. De dagelijkse rijtijd mag niet meer bedragen dan negen uur.

De dagelijkse rijtijd mag echter worden verlengd tot ten hoogste tien uur, doch niet meer dan twee keer in een week.

Overschrijding dagelijkse rijtijd. Boetetarieven

Info onderaan de tabel

minder dan 3 u. (1)

+ 3 u. en
minder dan 5 u. (1)

5 u. en
minder dan 7 u. (1)

7 u. en
minder dan 9 u. (1)

9 u. of meer (1)

1 u. of minder (2)

120 EUR

100 EUR

80 EUR

60 EUR

40 EUR

meer dan 1 u. tot 2 u. (2)

180 EUR

155 EUR

130 EUR

105 EUR

80 EUR

meer dan 2 u. tot 3 u. (2)

300 EUR

260 EUR

220 EUR

180 EUR

140 EUR

meer dan 3 u. tot 5 u. (2)

450 EUR

380 EUR

310 EUR

240 EUR

170 EUR

meer dan 5 u. tot 8 u. (2)

880 EUR

750 EUR

620 EUR

500 EUR

380 EUR

meer dan 8 u. tot 12 u. (2)

1.320 EUR

1.130 EUR

940 EUR

750 EUR

560 EUR

(1) Het grootste aantal uren achtereenvolgende rusttijd in de beschouwde periode van dagelijkse rijtijd.
(2) Aantal uren dagelijkse rijtijd waarmee de toegelaten dagelijkse rijtijd (9 of 10 uren) wordt overschreden.
Tarieven aangepast volgens het KB van 27 april 2007

De grijze vakken betreft de uren die men te lang heeft gereden.
De witte vakken betreft de uren die men gerust heeft in de beschouwd rijtijd.

2. De wekelijkse rijtijd mag niet meer bedragen dan 56 uur, waarbij de maximale wekelijkse arbeidstijd als gedefinieerd in Richtlijn 2002/15/EG niet mag worden overschreden.(€ 100 De max. toegestane wekelijkse rijtijd werd overschreden - KB 27 april 2007)

3. De totale bij elkaar opgetelde rijtijd gedurende twee opeenvolgende weken mag niet meer bedragen dan 90 uur.

4. De dagelijkse en wekelijkse rijtijd omvat alle rijtijd binnen het grondgebied van de Gemeenschap of van een derde land.

5. De bestuurder registreert als "andere werkzaamheden" alle tijd besteed volgens de omschrijving in artikel 4, onder e), en alle tijd die hij heeft besteed aan het besturen van een voertuig voor commerciële activiteiten die buiten de werkingssfeer van deze verordening vallen, en registreert alle perioden van "beschikbaarheid" volgens de definitie van artikel 15, lid 3, onder c), van Verordening (EEG) nr. 3821/85 sedert zijn laatste dagelijkse of wekelijkse rusttijd. Deze registratie gebeurt manueel op een registratieblad of een afdruk of door gebruik van handmatige invoerfaciliteiten op het controleapparaat.

Artikel 7

Na een rijperiode van vier en een half uur neemt de bestuurder een aaneengesloten onderbreking van ten minste vijfenveertig minuten, tenzij hij een rusttijd neemt.

Deze onderbreking kan worden vervangen door een onderbreking van ten minste 15 minuten gevolgd door een onderbreking van ten minste 30 minuten die elk zodanig tijdens de periode worden ingelast, dat aan de bepalingen van de eerste alinea wordt voldaan.

Overschrijding van de maximale toegestane ononderbroken rijtijd
Geen onderbreking van minstens 15 min. (1)
Van 15 min. tot minder dan 30 min. (1)
Van 30 min. tot minder dan 45 min. (1)
15 min. of minder (2)
40
30
20
+ 15 min. tot 30 min. (2)
80
60
40
+ 30 min. tot 1 uur (2)
120
90
60
+ 1 uur tot 2 uren (2)
240
180
120
+ 2 uren tot 3 uren (2)
400
300
200
+ 3 uren tot 5 uren (2)
600
450
300
+ 5 uren tot 8 uren (2)
1.200
880
600
+ 8 uren (2)
2.000
1.460
1.000

De boete wordt gemoduleerd in functie van het aantal uren waarme de maximaal toegestanen ononderbroken rijtijd werd overschreden alvorens de bestuurder een onderbreking van in totaal 45 min. heeft genomen en de duur van de langste aaneengesloten onderbreking tijdens de beschouwde rijtijd.
(
1) duur van de langste aaneengesloten onderbreking tijdens de beschouwde rijtijd. Een onderbreking van minder dan 15 min. wordt niet in aanmerking genomen.
(
2) De rijtijd waarmee de toegelaten ononderbroken rijtijd (4u30) wordt overschreden.
Boetetarieven volgens het KB van 27 april 2007.

Artikel 8 ( € 50 = De minimale verplichte Dagelijkse rusttijd werd niet in acht genomen € 100 = De min. verplichte Wekelijkse rusttijd werd niet in acht genomen - KB 27 april 2007)

1. Een bestuurder moet dagelijkse en wekelijkse rusttijden nemen.

2. Binnen elke periode van 24 uur na het einde van de voorafgaande dagelijkse of wekelijkse rusttijd moet een bestuurder een nieuwe dagelijkse rusttijd genomen hebben.

Indien het gedeelte van de dagelijkse rusttijd dat binnen die periode van 24 uur valt ten minste negen doch niet meer dan elf uur bedraagt, wordt deze dagelijkse rusttijd als een verkorte dagelijkse rusttijd aangemerkt.

3. Een dagelijkse rusttijd mag worden verlengd tot een normale wekelijkse rusttijd of een verkorte wekelijkse rusttijd.

4. Een bestuurder mag tussen twee wekelijkse rusttijden ten hoogste drie keer een verkorte dagelijkse rusttijd hebben.

5. In afwijking van lid 2 geldt dat een bestuurder die deel uitmaakt van een meervoudige bemanning, een nieuwe dagelijkse rusttijd van ten minste 9 uur moet hebben genomen binnen 30 uur na het einde van een dagelijkse of wekelijkse rusttijd.

6. Per periode van twee opeenvolgende weken moet een bestuurder ten minste:

- twee normale wekelijkse rusttijden, of
- één normale wekelijkse rusttijd en één verkorte wekelijkse rusttijd van ten minste 24 uur nemen. De verkorting moet evenwel worden gecompenseerd door een equivalente periode van rust die voor het einde van de derde week na de betrokken week en bloc genomen moet worden.

Een wekelijkse rusttijd mag niet later beginnen dan aan het einde van zes perioden van 24 uur te rekenen vanaf het einde van de vorige wekelijkse rusttijd.

7. Rust die wordt genomen ter compensatie van een verkorte wekelijkse rusttijd moet aansluitend op een andere rusttijd van ten minste negen uur worden genomen.

8. Wanneer een bestuurder dit zo verkiest, mogen dagelijkse rusttijden en verkorte wekelijkse rusttijden buiten de standplaats in een voertuig worden doorgebracht indien dit voor iedere bestuurder behoorlijke slaapfaciliteiten biedt en het voertuig stilstaat.

9. Een wekelijkse rusttijd die in twee weken valt, mag in één van beide weken geteld worden, maar niet in beide.

Artikel 9 (€125 De min. verplichte Dagelijkse rusttijd werd niet in acht genomen - KB 27 april 2007)

1. In afwijking van artikel 8 mag, wanneer een bestuurder een voertuig begeleidt dat per veerboot of trein wordt vervoerd, en op voorwaarde dat hij een normale dagelijkse rusttijd neemt, die rusttijd hooguit tweemaal worden onderbroken door andere activiteiten die niet langer dan één uur duren. Tijdens die normale dagelijkse rusttijd moet de bestuurder kunnen beschikken over een bed of slaapbank.

2. Tijd besteed om te reizen naar een plaats om controle te nemen over een voertuig dat onder het toepassingsgebied van deze verordening valt, of om terug te keren van deze plaats, wanneer het voertuig zich niet in de woonplaats van de bestuurder of in de exploitatievestiging van de werkgever waaraan de bestuurder normalerwijze verbonden is, bevindt, wordt niet geteld als rust of een onderbreking, tenzij de bestuurder reist met een veerboot of trein en een bed of slaapbank ter beschikking heeft.

3. Tijd besteed door een bestuurder om met een voertuig dat buiten het toepassingsgebied van deze verordening valt, te rijden naar of van een voertuig dat onder het toepassingsgebied van deze verordening valt en zich niet in de woonplaats van de bestuurder of in de exploitatievestiging van de werkgever waaraan de bestuurder normalerwijze verbonden is, bevindt, wordt geteld als "andere werkzaamheden".