Verordening EEG 3821/85. van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer


Bijlage I. Constructie-, beproevings-, installatie- en controlevoorschriften


I. Definities

In de zin van deze bijlage wordt verstaan onder:

a) Controleapparaat:
b) Registratieblad:
c) Constante van het controleapparaat:
d) Kenmerkende coëfficiënten van het voertuig:
e) Effectieve omtrek der wielbanden


II.. Algemene kenmerken en functies van controleapparaat

Het apparaat moet onderstaande gegevens registreren:

  1. afstand, afgelegd door het voertuig,
  2. snelheid van het voertuig,
  3. rijtijd,
  4. overige werktijden en beschikbaarheid van de bestuurder(s),
  5. arbeidsonderbrekingen en dagelijkse rusttijden,
  6. opening van de kast die het registratieblad bevat.
  7. [voor elektronische controleapparaten, zijnde apparaten die functioneren via signalen die vanaf de afstands- en snelheidsopnemer elektronisch worden overgebracht, elke onderbreking van meer dan 100 milliseconden in de stroomvoorziening van een controleapparaat (verlichting uitgezonderd) en in de stroomvoorziening van de afstands- en snelheidsopnemer, en elke onderbreking van de signaalverbinding naar de afstands- en snelheidsopnemer.]
Bij voertuigen die worden gebruikt door twee bestuurders, moeten de onder 3, 4 en 5 genoemde gegevens voor twee bestuurders gelijktijdig en onderscheidbaar op twee aparte bladen door het apparaat kunnen worden geregistreerd.


III. Constructie-eisen van het controleapparaat

a). Algemeen

  1. De volgende inrichtingen zijn voor het controleapparaat voorgeschreven:
    1.1.. Aanwijsinrichtingen:
    – voor de afgelegde afstand (totaalteller),
    – voor de snelheid (tachometer),
    – voor de tijd (uurwerk).
    1.2.. Registreerinrichtingen, te weten:
    – een registreerorgaan voor de afgelegde afstand,
    – een registreerorgaan voor de snelheid,
    – een of meer registreerorganen voor de tijd, die voldoen aan de in hoofdstuk III, onder c), 4, gestelde eisen.
    [1.3.. Een merkorgaan dat afzonderlijk op het registratieblad aangeeft:
    – iedere opening van de kast die het registratieblad bevat;
    – voor de in punt 7 van hoofdstuk II bedoelde elektronische controleapparaten: elke onderbreking van meer dan 100 milliseconden van de stroomvoorziening van het controleapparaat (verlichting uitgezonderd), uiterlijk bij het opnieuw inschakelen van de stroomvoorziening;
    – voor de in punt 7 van hoofdstuk II bedoelde elektronische controleapparaten: elke onderbreking van meer dan 100 milliseconden van de stroomvoorziening van de afstands- en snelheidsopnemer en elke onderbreking van de signaalverbinding naar de afstands- en snelheidsopnemer.]
  2. Indien in het apparaat andere inrichtingen dan de bovengenoemde aanwezig zijn, mogen deze de juiste werking der verplichte inrichtingen niet schaden en het aflezen daarvan niet bemoeilijken. Wanneer het apparaat ter goedkeuring wordt aangeboden, dienen deze eventuele andere inrichtingen te zijn aangebracht.
  3. Materiaal
    3.1.. Alle samenstellende delen van het controleapparaat moeten zijn uitgevoerd in materiaal van voldoende stabiliteit en mechanische sterkte en met onveranderlijke elektrische en magnetische eigenschappen.
    3.2.. Elke wijziging van een samenstellend deel van het apparaat of in de aard van het materiaal dat voor de vervaardiging ervan is gebruikt, moet vóór het gebruik worden goedgekeurd door de instantie die het apparaat heeft goedgekeurd.
  4. Meting van de afgelegde afstand
    De afgelegde afstanden kunnen worden opgeteld en geregistreerd:
    – hetzij bij vooruitrijden en achteruitrijden,
    – hetzij uitsluitend bij vooruitrijden.
    Het eventueel registreren der achteruitrijmanoeuvres mag beslist geen invloed uitoefenen op de duidelijkheid en de nauwkeurigheid der overige registraties.
  5. Meting van de snelheid
    5.1.. Het meetbereik van de snelheidsmeter is vastgelegd in het modelgoedkeuringscertificaat.
    5.2.. De eigen frequentie en het dempingsorgaan van het meetmechanisme moeten zodanig zijn dat de aanwijs- en registreerinrichtingen van de snelheid in het meetbereik, binnen de maximaal toelaatbare fouten, versnellingen kunnen volgen tot 2 m/s².
  6. Tijdmeting (uurwerk)
    6.1.. De aandrijving van het bijstelorgaan moet zich bevinden binnenin de kast welke het registratieblad bevat en waarvan elke opening automatisch wordt opgetekend op het registratieblad.
    6.2.. Indien het voortbewegingsmechanisme van het registratieblad door het uurwerk wordt aangedreven, moet de tijd gedurende welke het geheel opgewonden uurwerk juist aanwijst ten minste 10 % langer zijn dan de tijd waarin geregistreerd kan worden op het grootste aantal bladen dat het apparaat kan bevatten.
  7. Verlichting en bescherming
    7.1.. De aanwijsinrichtingen van het apparaat moeten zijn voorzien van een afdoende, niet-verblindende verlichting.
    7.2.. Alle inwendige delen van het apparaat moeten voor normale gebruiksomstandigheden beschermd zijn tegen vocht en stof. Verder moeten zij door middel van omhulsels die kunnen worden verzegeld, beschermd zijn tegen ingrepen van buitenaf.

b). Aanwijsinrichtingen

1.. Aanwijsinrichting voor de afgelegde afstand (totaalteller)
2.. Aanwijsinrichting voor de snelheid (tachometer)
3.. Aanwijsinrichting voor de tijd (uurwerk)


c). Registreerinrichtingen

1.. Algemeen

2.. Registratie van de afgelegde afstand

3.. Registratie van de snelheid

4.. Registratie van de tijden


d). Afsluitingen

    1.. De kast die het registratieblad of de registratiebladen en het bedieningsorgaan van de bijstelinrichting bevat, moet van een slot zijn voorzien.

    2.. Iedere opening van de kast die het registratieblad of de registratiebladen en het bedieningsorgaan van de bijstelinrichting bevat, moet automatisch op het blad of de bladen worden aangegeven.

e). Opschriften

1.. Op de wijzerplaat van het apparaat moeten onderstaande opschriften voorkomen:

2.. Op de opschriftenplaat die met het apparaat één geheel vormt, moeten op het geïnstalleerde apparaat de volgende vermeldingen zichtbaar voorkomen:

f). Maximaal toelaatbare fouten (aanwijs- en registreerinrichtingen)

1. Op de proefbank voor de installatie

2. Bij installatie

    afgelegde afstand:
      2 % meer of minder van de werkelijke afstand die ten minste 1 km moet bedragen;

    snelheid:
      4 km/h meer of minder ten opzichte van de werkelijke snelheid;

    tijd:
      ± 2 minuten per dag of
      ± 10 minuten per 7 dagen.

3. In gebruik

    afgelegde afstand:
      4 % meer of minder van de werkelijke afstand die ten minste 1 km moet bedragen;

    snelheid:
      6 km/h of minder ten opzichte van de werkelijke snelheid;

    tijd:
      ± 2 minuten per dag, of
      ± 10 minuten per 7 dagen.

4. De sub 1, 2 en 3 aangegeven maximaal toelaatbare fouten gelden voor temperaturen tussen 0° en 40° C, gemeten in de onmiddellijke nabijheid van het apparaat.

5. De sub 2 en 3 aangegeven maximaal toelaatbare fouten gelden wanneer zij zijn gemeten volgens hoofdstuk VI.

IV.. Registratiebladen

a). Algemeen

b). Registratiezones en verdeling

c). Gedrukte opschriften op de registratiebladen

d). Open ruimte voor geschreven aantekeningen

    De bladen moeten een open ruimte bevatten waarop de bestuurder ten minste de volgende aantekeningen kan schrijven:

    – naam en voornaam van de bestuurder,
    – datum en plaats van begin en einde van het gebruik van het blad,
    – nummers van de kentekenplaat van het (de) voertuig(en) waarop de bestuurder tijdens het gebruik van het blad werkt,
    – de stand van de kilometerteller van het (de) voertuig(en) waarop de bestuurder tijdens het gebruik van het blad werkt,
    – tijd waarop van voertuig werd gewisseld.

V.. Installatie van het controleapparaat

    1.. De controleapparaten moeten zodanig in de voertuigen worden geïnstalleerd dat enerzijds de bestuurder gemakkelijk vanaf zijn zitplaats de aanwijsinrichting voor de snelheid, de totaalteller en het uurwerk kan controleren en anderzijds alle elementen ervan, met inbegrip van de overbrengingsorganen, zijn beschermd tegen toevallige beschadiging.

    2.. De constante van het controleapparaat moet kunnen worden aangepast aan de kenmerkende coëfficiënt van het voertuig door middel van een daartoe geschikte inrichting, het “aanpassingsorgaan” genoemd.

    Voertuigen met verschillende brugoverbrenging moeten zijn voorzien van een schakelorgaan om deze verschillende overbrengingen automatisch terug te brengen tot de overbrenging waarop het toestel door het “aanpassingsorgaan” op het voertuig is ingesteld.

    3.. Na de eerste ijking wordt op het voertuig, in de nabijheid van of op het apparaat, een goed zichtbaar installatieplaatje bevestigd. Na elke door een erkende installateur of erkende werkplaats verrichte werkzaamheid, waarbij de regeling van de installatie als zodanig moet worden gewijzigd, dient een nieuw plaatje te worden aangebracht, dat het oude vervangt.

    Op het plaatje moeten ten minste de volgende gegevens zijn aangebracht:

      – naam, adres of merk van de erkende installateur of de erkende werkplaats,

      – kenmerkende coëfficiënt van het voertuig in de vorm “w =... omw/km” of “w =... imp/km”,

      – effectieve omtrek der wielbanden, in de vorm “1 =... mm”,

      – datum waarop de kenmerkende coëfficiënt van het voertuig is vastgesteld en de effectieve omtrek der wielbanden is gemeten.

    4.. Verzegelingen

    De volgende onderdelen moeten worden verzegeld:

    • het installatieplaatje, tenzij het zodanig is aangebracht dat het niet kan worden verwijderd zonder de daarop aangebrachte aanduidingen te vernietigen;
    • de uiteinden van de verbinding tussen het eigenlijke controleapparaat en het voertuig;
    • het eigenlijke aanpassingsorgaan en de aansluiting hiervan op het circuit;
    • het schakelorgaan voor voertuigen met verschillende brugoverbrengingen;
    • de verbindingen van het aanpassingsorgaan en het schakelorgaan met de overige delen van de installatie;
    • de in hoofdstuk III, onder a), 7.2 genoemde omhulsels;
    • [ieder omhulsel dat toegang verschaft tot de middelen om de constante van het controleapparaat aan de kenmerkende coëfficiënt van het voertuig aan te passen.]

      In bijzondere gevallen kunnen andere verzegelingen worden geëist bij de goedkeuring van het model van het apparaat en de plaats van deze verzegelingen moet op het goedkeuringscertificaat worden vermeld.

    [De onder b), c) en e) genoemde verzegelingen mogen worden verwijderd:

    – in dringende gevallen, en
    – voor het plaatsen, afstellen of repareren van een snelheidsbegrenzer of om het even welke andere tot de verkeersveiligheid bijdragende inrichting, op voorwaarde dat het controleapparaat op betrouwbare en juiste wijze blijft functioneren en door een erkende installateur of werkplaats onmiddellijk na het plaatsen van de snelheidsbegrenzer dan wel om het even welke andere tot de verkeersveiligheid bijdragende inrichting of in andere gevallen binnen zeven dagen opnieuw wordt verzegeld.]

    Iedere verbreking van deze zegels moet schriftelijk worden gemotiveerd; deze motivering dient ter beschikking van het bevoegde gezag te worden gehouden.

    [5.. De kabels waarmee de impulsoverbrenger op het controleapparaat wordt aangesloten, moeten worden beschermd met een naadloos met kunststof bekleed roestvrij stalen omhulsel met krimpverbindingen, tenzij een zelfde mate van bescherming tegen manipulatie wordt verkregen met een andere methode (zoals elektronische beveiliging van de kabels door bij voorbeeld signaalencryptie), waarmee de aanwezigheid kan worden gedetecteerd van elke inrichting die niet noodzakelijk is voor de goede werking van het controleapparaat en die tot doel heeft de juiste werking van het controleapparaat te verhinderen door kortsluiting, onderbreking of wijziging van de elektronische signalen afkomstig van de snelheids- en afstandsopnemer. Een uit verzegelde verbindingen bestaande aansluiting wordt als naadloos in de zin van deze verordening beschouwd.

    Bovengenoemde elektronische beveiliging mag worden vervangen door een elektronische voorziening die ervoor zorgt dat het controleapparaat alle bewegingen van het voertuig, onafhankelijk van het signaal van de snelheids- en afstandsopnemer, kan vastleggen.]

    [Voor de toepassing van dit punt zijn voertuigen van de categorieën M 1 en N 1 voertuigen als gedefinieerd in bijlage II A van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad. Voor dergelijke voertuigen die overeenkomstig de verordening zijn uitgerust met tachografen en niet zijn ontworpen op de installatie van een gepantserde kabel tussen de afstands- en snelheidssensoren en het controleapparaat, wordt een adapter zo dicht mogelijk bij de afstands- en snelheidssensoren gemonteerd.

    De gepantserde kabel wordt gemonteerd tussen de adapter en het controleapparaat.]


VI.. ijkingen en controles

De Lid-Staten wijzen de instanties aan die de ijkingen en controles moeten verrichten.

1.. Waarmerking van nieuwe of gerepareerde apparaten

    De goede werking en de nauwkeurigheid van de aanwijzingen en registraties, binnen de in hoofdstuk III, onder f), 1, vastgestelde toleranties, moeten voor elk nieuw of gerepareerd apparaat afzonderlijk worden gewaarmerkt met de in hoofdstuk V, 4, onder f), voorgeschreven verzegeling.

    De Lid-Staten kunnen daartoe de eerste ijk invoeren, die de controle en de vaststelling van de overeenstemming van een nieuw of vernieuwd apparaat met het goedgekeurde model en/of met de eisen van de verordening en haar bijlagen omvat, of het waarmerken delegeren aan de fabrikanten of hun gemachtigden.

2.. Installatie

    Bij de installatie in een voertuig moeten het apparaat en de installatie in haar geheel voldoen aan de voorschriften betreffende de maximaal toelaatbare fouten vastgesteld in hoofdstuk III, onder f), 2.

    De desbetreffende controleproeven worden door de erkende installateur of de erkende werkplaats op eigen verantwoordelijkheid uitgevoerd.

3.. Periodieke controles

a). 

    Periodieke controles van de in de voertuigen geïnstalleerde apparaten dienen minstens om de twee jaar te geschieden en kunnen onder andere worden uitgevoerd in het kader van de technische inspecties van auto's.

    Met name moeten worden gecontroleerd:

    – de goede werking van het apparaat,
    – de aanwezigheid van het goedkeuringsteken op het apparaat,
    – de aanwezigheid van het installatieplaatje,
    – de ongeschonden staat van de verzegelingen van het apparaat en van de andere installatieonderdelen,
    – de effectieve omtrek van de banden.

b). 

    De controle op de naleving van de voorschriften van hoofdstuk III, onder f), 3, betreffende de maximaal toelaatbare fouten in gebruik moet ten minste eens in de zes jaar worden uitgevoerd; iedere Lid-Staat kan echter voor de op zijn grondgebied ingeschreven voertuigen een kortere termijn voorschrijven. Bij deze controle moet het installatieplaatje worden vervangen.

4.. Vaststelling van de afwijkingen

    De vaststelling van de afwijkingen bij installatie en gebruik geschiedt onder de volgende omstandigheden, die beschouwd moeten worden als normale beproevingsvoorwaarden:

      – onbelast voertuig, in normale rij-omstandigheden,
      – bandenspanning overeenkomstig de door de fabrikant verstrekte gegevens,
      – slijtage van de banden binnen de door de geldende voorschriften toegestane grenzen,
      – voortbeweging van het voertuig: het voertuig moet zich, aangedreven door zijn eigen motor, in rechte lijn over een plat vlak bewegen met een snelheid van 50 ± 5 km/h; de controle kan ook plaatsvinden op een daartoe geschikte proefbank, op voorwaarde dat de uitslag ervan een vergelijkbare nauwkeurigheid bezit.