Verordening EEG 3821/85. van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer
| I. Definities |
In de zin van deze bijlage wordt verstaan onder:
in wegvoertuigen in te bouwen apparaat om gegevens betreffende het rijden van deze voertuigen en bepaalde werktijden van hun bestuurders aan te wijzen en automatisch of semi-automatisch te registreren.
blad dat is ontworpen om aantekeningen op te nemen en te registreren, dat dient te worden aangebracht in het controleapparaat en waarop de schrijfstiften van dit apparaat continu de diagrammen der te registreren gegevens optekenen.
getal dat de waarde aangeeft van het ingangssignaal dat nodig is ter aanwijzing en registratie van een afgelegde afstand van 1 kilometer; deze constante moet hetzij in omwentelingen per kilometer (k =... omw/km), hetzij in impulsen per kilometer (k =... imp/km) worden uitgedrukt.>
getal dat de waarde aangeeft van het uitgangssignaal van het op het voertuig aangebrachte onderdeel voor de aansluiting op het controleapparaat (in sommige gevallen aftakas van de versnellingsbak, soms ook wiel van het voertuig), wanneer het voertuig de afstand van één kilometer aflegt, gemeten onder normale beproevingsomstandigheden (zie hoofdstuk VI, punt 4, van deze bijlage). De kenmerkende coëfficiënt wordt hetzij in omwentelingen per kilometer (w =... omw/km), hetzij in impulsen per kilometer (w =... imp/km) uitgedrukt.
gemiddelde der afstanden, afgelegd door elk der het voertuig aandrijvende wielen (aandrijfwielen) bij een volledige omwenteling. Het meten van deze afstanden moet geschieden onder normale beproevingsomstandigheden (zie hoofdstuk VI, punt 4, van deze bijlage) en wordt als volgt uitgedrukt: 1 =... mm.
| II.. Algemene kenmerken en functies van controleapparaat |
Het apparaat moet onderstaande gegevens registreren:
| III. Constructie-eisen van het controleapparaat |
a). Algemeen
b). Aanwijsinrichtingen
1.1.. De afleeseenheid van de aanwijsinrichting voor de afgelegde afstand moet 0,1 km zijn. De cijfers die het aantal hectometers aangeven moeten duidelijk kunnen worden onderscheiden van de cijfers die het aantal hele kilometers aangeven.
1.2.. De cijfers van de totaalteller moeten duidelijk leesbaar zijn en een zichtbare hoogte van ten minste 4 mm hebben.
1.3.. De totaalteller moet kunnen aanwijzen tot ten minste 99 999,9 km.
2.1.. Binnen het meetbereik moet de snelheidsschaal gelijkelijk zijn ingedeeld in 1, 2, 5 of 10 km/h. De snelheidswaarde van een onderverdeling (tussenruimte tussen twee achtereenvolgende deelstreepjes) mag niet meer bedragen dan 10 % van de hoogste snelheid die op het eind van de schaal is aangegeven.
2.2.. Het aanwijsbereik boven het meetbereik mag niet zijn becijferd.
2.3.. De afstand tussen twee achtereenvolgende deelstreepjes overeenkomend met een snelheidsverschil van 10 km/h, mag niet minder bedragen dan 10 mm.
2.4.. Op een aanwijzingsinrichting met een wijzer mag de afstand tussen de wijzer en de wijzerplaat niet groter zijn dan 3 mm.
De aanwijsinrichting voor de tijd moet van buiten het apparaat af zichtbaar zijn en moet juist, gemakkelijk en zonder gevaar voor vergissingen kunnen worden afgelezen.
c). Registreerinrichtingen
1.. Algemeen
1.1.. In ieder apparaat, ongeacht de vorm van het registratieblad (band of schijf), moet een merkteken aanwezig zijn waardoor het registratieblad op de juiste wijze kan worden ingebracht zodat er overeenstemming bestaat tussen de door het uurwerk aangegeven tijd en de uuraanduiding op het blad.
1.2.. Het mechanisme dat het registratieblad aandrijft, moet zo zijn uitgevoerd dat de aandrijving zonder speling geschiedt en dat het blad vrijelijk kan worden ingebracht en verwijderd.
1.3.. Het voortbewegingsorgaan van het registratieblad wordt, indien dit schijfvormig is, aangedreven door het uurwerkmechanisme. In dat geval moet de draaiende beweging van het blad continu en gelijkmatig zijn, met een minimumsnelheid van 7 mm/h, gemeten aan de binnenkant van de ronde strook die de snelheidsregistratiezone begrenst.
Bij apparaten van het bandtype waarbij het voortbewegingsorgaan der bladen wordt aangedreven door het uurwerkmechanisme, moet de rechtlijnige voortbewegingssnelheid ten minste 10 mm/h bedragen.
1.4.. Het registreren van de afgelegde afstand, de snelheid van het voertuig en het openen van de kast die het (de) blad(en) bevat, dient automatisch te geschieden.
2.. Registratie van de afgelegde afstand
2.1.. Iedere afgelegde afstand van 1 km moet op het diagram worden weergegeven door een verandering van ten minste 1 mm op de desbetreffende coördinaat.
2.2.. Zelfs bij snelheden die dicht bij het maximale meetbereik zijn gelegen, moet het diagram van de afgelegde afstand duidelijk afleesbaar zijn.
3.. Registratie van de snelheid
3.1.. De registratiestift voor de snelheid moet zich in principe rechtlijnig verplaatsen, loodrecht op de bewegingsinrichting van het registratieblad, ongeacht de vorm daarvan.
Evenwel kan een kromlijnige beweging van de stift worden toegelaten op de volgende voorwaarden:
het door de stift beschreven tracé staat loodrecht op de gemiddelde omtrek (bij schijfvormige bladen) of op de as van de zone, bestemd voor het registreren van de snelheid (bij bandvormige bladen);
de verhouding tussen de kromtestraal van het door de stift beschreven tracé en de breedte van de zone, bestemd voor het registreren van de snelheid, bedraagt niet minder dan 2,4: 1, ongeacht de vorm van het registratieblad;
de onderscheiden lijnen van de tijdschaal moeten door de voor het registreren bestemde zone lopen in een kromme met gelijke straal als het door de stift beschreven tracé. De afstand tussen de lijnen mag ten hoogste overeenkomen met één uur op de tijdschaal.
3.2.. Iedere verandering van 10 km/h van de snelheid moet op het diagram worden weergegeven door een verandering van ten minste 1,5 mm op de desbetreffende coördinaat.
4.. Registratie van de tijden
4.1.. [Het controleapparaat dient zodanig te zijn gebouwd dat de rijtijd altijd automatisch wordt geregistreerd en dat door eventuele bediening van een schakelorgaan de overige in artikel 15, lid 3, tweede gedachtenstreepje, onder b), c), en d), van de verordening aangegeven tijdgroepen onderscheidbaar kunnen worden geregistreerd.]
4.2.. Aan de hand van de kenmerken van de tracés, hun stand ten opzichte van elkaar en eventueel de in artikel 15 van de verordening genoemde tekens, moet men duidelijk de aard der verschillende tijden kunnen onderkennen.
De aard der verschillende tijdgroepen wordt op het diagram weergegeven door verschillende dikten der desbetreffende merkstrepen of door enig ander systeem dat tenminste even doelmatig is ten aanzien van de afleesbaarheid en de interpretatie van het diagram.
4.3.. Bij voertuigen die door een uit meer dan één bestuurder bestaande bemanning worden gebruikt, moet de registrering van de onder 4.1 genoemde gegevens op twee afzonderlijke bladen geschieden, waarbij ieder blad voor één bestuurder is bestemd. In dit geval moeten de verschillende bladen of wel door hetzelfde mechanisme, of wel door gesynchroniseerde mechanismen worden voortbewogen.
d). Afsluitingen
1.. De kast die het registratieblad of de registratiebladen en het bedieningsorgaan van de bijstelinrichting bevat, moet van een slot zijn voorzien.
2.. Iedere opening van de kast die het registratieblad of de registratiebladen en het bedieningsorgaan van de bijstelinrichting bevat, moet automatisch op het blad of de bladen worden aangegeven.
e). Opschriften
1.. Op de wijzerplaat van het apparaat moeten onderstaande opschriften voorkomen:
in de buurt van het door de totaalteller aangegeven getal, de meeteenheid der afstanden, die door het symbool km wordt aangegeven;
in de nabijheid van de snelheidsschaal, de aanduiding km/h;
het meetbereik van de tachometer in de vorm van Vmin... km/h, Vmax... km/h. Deze aanduiding is niet noodzakelijk wanneer zij voorkomt op de opschriftenplaat van het apparaat.
Deze voorschriften zijn evenwel niet van toepassing op controleapparaten die zijn goedgekeurd vóór 10 augustus 1970.
2.. Op de opschriftenplaat die met het apparaat één geheel vormt, moeten op het geïnstalleerde apparaat de volgende vermeldingen zichtbaar voorkomen:
naam en adres van de fabrikant van het apparaat,
fabricagenummer en bouwjaar,
goedkeuringsmerk van het model van het apparaat,
de constante van het apparaat in de vorm k =... omw/km of k =... imp/km,
eventueel het snelheidsmeetbereik in de vorm, als onder 1 aangegeven,
indien de inclinatiehoekgevoeligheid van het instrument tot gevolg kan hebben dat de toegestane toleranties worden overschreden: de toelaatbare standhoek, in de vorm:

waarbij a de hoek is gemeten vanuit de horizontale positie van de naar boven gerichte voorzijde van het apparaat waarop het instrument is afgesteld, terwijl ß en &Mac182; respectievelijk de toelaatbare grensafwijkingen naar boven en naar beneden ten opzichte van de hoek a vormen.
f). Maximaal toelaatbare fouten (aanwijs- en registreerinrichtingen)
1. Op de proefbank voor de installatie
afgelegde afstand: snelheid: tijd:
1 % meer of minder van de werkelijke afstand die ten minste 1 km moet bedragen;
3 km/h of minder ten opzichte van de werkelijke snelheid;
± 2 minuten per dag, met een maximum van 10 minuten per 7 dagen indien de looptijd van het uurwerk na opwinden niet minder bedraagt dan deze periode.
2. Bij installatie
afgelegde afstand:
2 % meer of minder van de werkelijke afstand die ten minste 1 km moet bedragen;
snelheid:
4 km/h meer of minder ten opzichte van de werkelijke snelheid;
tijd:
± 2 minuten per dag of
± 10 minuten per 7 dagen.
3. In gebruik
afgelegde afstand:
4 % meer of minder van de werkelijke afstand die ten minste 1 km moet bedragen;
snelheid:
6 km/h of minder ten opzichte van de werkelijke snelheid;
tijd:
± 2 minuten per dag, of
± 10 minuten per 7 dagen.
4. De sub 1, 2 en 3 aangegeven maximaal toelaatbare fouten gelden voor temperaturen tussen 0° en 40° C, gemeten in de onmiddellijke nabijheid van het apparaat.
5. De sub 2 en 3 aangegeven maximaal toelaatbare fouten gelden wanneer zij zijn gemeten volgens hoofdstuk VI.
| IV.. Registratiebladen |
a). Algemeen
1.. De registratiebladen moeten van zodanige kwaliteit zijn dat zij de normale werking van het apparaat niet verhinderen en dat de daarop opgetekende registraties onuitwisbaar, duidelijk leesbaar en herkenbaar zijn.
De afmetingen van en de registraties in de registratiebladen mogen bij normale vochtigheid en temperatuur niet aan veranderingen onderhevig zijn.
Bovendien moet men, zonder de bladen te beschadigen of de afleesbaarheid van de registraties te schaden, de in artikel 15, lid 5, van deze verordening genoemde gegevens erop kunnen aantekenen.
De registraties moeten, onder normale omstandigheden bewaard, gedurende ten minste één jaar goed leesbaar blijven.
2.. De minimale registreercapaciteit der registratiebladen moet, ongeacht hun vorm, 24 uur bedragen.
Indien meerdere schijven met elkaar zijn verbonden ter verhoging van de zonder tussenkomst van het personeel bereikbare registreercapaciteit, moeten de verbindingen tussen de verschillende schijven zodanig zijn uitgevoerd dat de registratie op de overgangspunten van de ene schijf naar de volgende geen onderbrekingen of overlappingen vertonen.
b). Registratiezones en verdeling
1.. De registratiebladen bevatten de volgende registratiezones:
zone waarop uitsluitend snelheidsaanduidingen mogen worden opgetekend,
zone waarop uitsluitend aanduidingen inzake de afgelegde afstanden mogen worden opgetekend,
zone of zones voor de aanduidingen inzake de rijtijd, de andere werktijden, de beschikbaarheid, de arbeidsonderbrekingen en de rusttijden der bestuurders.
2.. De zone, bestemd voor het optekenen van de snelheid moet een onderverdeling bezitten van 20km/h of kleiner. Op elke streep van deze onderverdeling moet in cijfers de overeenkomstige snelheid zijn aangegeven. Het symbool km/h moet ten minste één keer voorkomen binnen deze zone. De laatste streep van deze zone moet samenvallen met de bovenste grens van het meetbereik.
3.. De zone, bestemd voor het optekenen der afgelegde afstanden moet zodanig zijn bedrukt dat het aantal afgelegde kilometers gemakkelijk kan worden afgelezen.
4.. In de zone(s), bestemd voor het optekenen van de onder 1 bedoelde tijden, dienen gegevens vermeld te zijn, waardoor men ondubbelzinnig de verschillende tijdgroepen kan onderkennen.
c). Gedrukte opschriften op de registratiebladen
Elk blad moet in drukletters de volgende gegevens bevatten:
naam en adres of merk van de fabrikant,
goedkeuringsmerk van het model van het blad,
goedkeuringsmerk van het model of de modellen van de apparaten waarbij het blad mag worden gebruikt,
bovengrens van de registreerbare snelheid in km/h.
Ieder blad moet bovendien tenminste één onderverdeelde, gedrukte tijdschaal bevatten, ten einde de tijd direct te kunnen aflezen met tussenruimten van 15 minuten, alsmede de mogelijkheid om op eenvoudige wijze perioden van 5 minuten te bepalen.
d). Open ruimte voor geschreven aantekeningen
De bladen moeten een open ruimte bevatten waarop de bestuurder ten minste de volgende aantekeningen kan schrijven:
naam en voornaam van de bestuurder,
datum en plaats van begin en einde van het gebruik van het blad,
nummers van de kentekenplaat van het (de) voertuig(en) waarop de bestuurder tijdens het gebruik van het blad werkt,
de stand van de kilometerteller van het (de) voertuig(en) waarop de bestuurder tijdens het gebruik van het blad werkt,
tijd waarop van voertuig werd gewisseld.
| V.. Installatie van het controleapparaat |
1.. De controleapparaten moeten zodanig in de voertuigen worden geïnstalleerd dat enerzijds de bestuurder gemakkelijk vanaf zijn zitplaats de aanwijsinrichting voor de snelheid, de totaalteller en het uurwerk kan controleren en anderzijds alle elementen ervan, met inbegrip van de overbrengingsorganen, zijn beschermd tegen toevallige beschadiging.
2.. De constante van het controleapparaat moet kunnen worden aangepast aan de kenmerkende coëfficiënt van het voertuig door middel van een daartoe geschikte inrichting, het aanpassingsorgaan genoemd.
Voertuigen met verschillende brugoverbrenging moeten zijn voorzien van een schakelorgaan om deze verschillende overbrengingen automatisch terug te brengen tot de overbrenging waarop het toestel door het aanpassingsorgaan op het voertuig is ingesteld.
3.. Na de eerste ijking wordt op het voertuig, in de nabijheid van of op het apparaat, een goed zichtbaar installatieplaatje bevestigd. Na elke door een erkende installateur of erkende werkplaats verrichte werkzaamheid, waarbij de regeling van de installatie als zodanig moet worden gewijzigd, dient een nieuw plaatje te worden aangebracht, dat het oude vervangt.
Op het plaatje moeten ten minste de volgende gegevens zijn aangebracht:
kenmerkende coëfficiënt van het voertuig in de vorm w =... omw/km of w =... imp/km, effectieve omtrek der wielbanden, in de vorm 1 =... mm, datum waarop de kenmerkende coëfficiënt van het voertuig is vastgesteld en de effectieve omtrek der wielbanden is gemeten. 4.. Verzegelingen De volgende onderdelen moeten worden verzegeld: [De onder b), c) en e) genoemde verzegelingen mogen worden verwijderd: Iedere verbreking van deze zegels moet schriftelijk worden gemotiveerd; deze motivering dient ter beschikking van het bevoegde gezag te worden gehouden. [5.. De kabels waarmee de impulsoverbrenger op het controleapparaat wordt aangesloten, moeten worden beschermd met een naadloos met kunststof bekleed roestvrij stalen omhulsel met krimpverbindingen, tenzij een zelfde mate van bescherming tegen manipulatie wordt verkregen met een andere methode (zoals elektronische beveiliging van de kabels door bij voorbeeld signaalencryptie), waarmee de aanwezigheid kan worden gedetecteerd van elke inrichting die niet noodzakelijk is voor de goede werking van het controleapparaat en die tot doel heeft de juiste werking van het controleapparaat te verhinderen door kortsluiting, onderbreking of wijziging van de elektronische signalen afkomstig van de snelheids- en afstandsopnemer. Een uit verzegelde verbindingen bestaande aansluiting wordt als naadloos in de zin van deze verordening beschouwd. Bovengenoemde elektronische beveiliging mag worden vervangen door een elektronische voorziening die ervoor zorgt dat het controleapparaat alle bewegingen van het voertuig, onafhankelijk van het signaal van de snelheids- en afstandsopnemer, kan vastleggen.] [Voor de toepassing van dit punt zijn voertuigen van de categorieën M 1 en N 1 voertuigen als gedefinieerd in bijlage II A van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad. Voor dergelijke voertuigen die overeenkomstig de verordening zijn uitgerust met tachografen en niet zijn ontworpen op de installatie van een gepantserde kabel tussen de afstands- en snelheidssensoren en het controleapparaat, wordt een adapter zo dicht mogelijk bij de afstands- en snelheidssensoren gemonteerd. De gepantserde kabel wordt gemonteerd tussen de adapter en het controleapparaat.] De Lid-Staten wijzen de instanties aan die de ijkingen en controles moeten verrichten. 1.. Waarmerking van nieuwe of gerepareerde apparaten De goede werking en de nauwkeurigheid van de aanwijzingen en registraties, binnen de in hoofdstuk III, onder f), 1, vastgestelde toleranties, moeten voor elk nieuw of gerepareerd apparaat afzonderlijk worden gewaarmerkt met de in hoofdstuk V, 4, onder f), voorgeschreven verzegeling. De Lid-Staten kunnen daartoe de eerste ijk invoeren, die de controle en de vaststelling van de overeenstemming van een nieuw of vernieuwd apparaat met het goedgekeurde model en/of met de eisen van de verordening en haar bijlagen omvat, of het waarmerken delegeren aan de fabrikanten of hun gemachtigden. 2.. Installatie Bij de installatie in een voertuig moeten het apparaat en de installatie in haar geheel voldoen aan de voorschriften betreffende de maximaal toelaatbare fouten vastgesteld in hoofdstuk III, onder f), 2. De desbetreffende controleproeven worden door de erkende installateur of de erkende werkplaats op eigen verantwoordelijkheid uitgevoerd. 3.. Periodieke controles a). Periodieke controles van de in de voertuigen geïnstalleerde apparaten dienen minstens om de twee jaar te geschieden en kunnen onder andere worden uitgevoerd in het kader van de technische inspecties van auto's. Met name moeten worden gecontroleerd: de goede werking van het apparaat, b). De controle op de naleving van de voorschriften van hoofdstuk III, onder f), 3, betreffende de maximaal toelaatbare fouten in gebruik moet ten minste eens in de zes jaar worden uitgevoerd; iedere Lid-Staat kan echter voor de op zijn grondgebied ingeschreven voertuigen een kortere termijn voorschrijven. Bij deze controle moet het installatieplaatje worden vervangen. 4.. Vaststelling van de afwijkingen De vaststelling van de afwijkingen bij installatie en gebruik geschiedt onder de volgende omstandigheden, die beschouwd moeten worden als normale beproevingsvoorwaarden: onbelast voertuig, in normale rij-omstandigheden,
naam, adres of merk van de erkende installateur of de erkende werkplaats,
In bijzondere gevallen kunnen andere verzegelingen worden geëist bij de goedkeuring van het model van het apparaat en de plaats van deze verzegelingen moet op het goedkeuringscertificaat worden vermeld.
VI.. ijkingen en controles
de aanwezigheid van het goedkeuringsteken op het apparaat,
de aanwezigheid van het installatieplaatje,
de ongeschonden staat van de verzegelingen van het apparaat en van de andere installatieonderdelen,
de effectieve omtrek van de banden.
bandenspanning overeenkomstig de door de fabrikant verstrekte gegevens,
slijtage van de banden binnen de door de geldende voorschriften toegestane grenzen,
voortbeweging van het voertuig: het voertuig moet zich, aangedreven door zijn eigen motor, in rechte lijn over een plat vlak bewegen met een snelheid van 50 ± 5 km/h; de controle kan ook plaatsvinden op een daartoe geschikte proefbank, op voorwaarde dat de uitslag ervan een vergelijkbare nauwkeurigheid bezit.
This site is created by
Stefaan Van Hoeck
![]()