20 DECEMBER 1985. Verordening EEG n° 3820/85 van de raad, betreffende het controleapparaat in het wegvervoer
 |
Afdeling 8
|
|
Controle en sancties.
Artikel 14 [boete 500€ euro ]
- In onderstaande gevallen worden door de onderneming een dienstregeling en een dienstrooster opgesteld:
- binnenlands geregeld personenvervoer;
- internationaal geregeld personenvervoer, indien het begin en het eindpunt van de lijn zich bevinden binnen een straal van 50 km in vogelvlucht van een grens tussen twee Lid-Staten, en indien het traject niet langer is dan 100 km.
waarop deze verordening van toepassing is.
- Het dienstrooster moet voor iedere bestuurder de naam, de standplaats alsmede het vooraf vastgestelde rooster bevatten van de verschillende rijtijden, de overige werktijden en de beschikbaarheid.
- Het dienstrooster moet alle in lid 2 genoemde gegevens bevatten voor een periode die, naast de lopende week, ten minste ook de voorgaande en de volgende week omvat.
- Het dienstrooster moet worden getekend door het hoofd van de onderneming of diens gevolmachtigde.
- Iedere bestuurder van een voertuig dat een in lid 1 bedoelde dienst onderhoudt, moet een uittreksel uit het dienstrooster en een afschrift van de dienstregeling bij zich hebben.
- Het dienstrooster moet na afloop van de betrokken periode gedurende één jaar door de onderneming worden bewaard. Zij verstrekt de betrokken bestuurders op verzoek een uittreksel uit het rooster.
- Dit artikel is niet van toepassing wanneer de bestuurders een controleapparaat gebruiken dat wordt gebruikt overeenkomstig Verordening (EEG) nr 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer.
Artikel 15
- De onderneming organiseert het werk van de bestuurders zodanig dat deze de desbetreffende bepalingen van deze verordening en van Verordening (EEG) nr 3821/85 kunnen naleven.
- De onderneming gaat op gezette tijden na of deze twee verordeningen zijn nageleefd. Wanneer overtredingen worden geconstateerd, neemt de onderneming de nodige maatregelen om herhaling daarvan te voorkomen.

Artikel 16
- De Commissie stelt om de twee jaar een verslag op over de toepassing van deze verordening door de Lid-Staten en over de ontwikkelingen op de betrokken gebieden. De Commissie legt dit verslag binnen dertien maanden na afloop van de door het verslag bestreken tweejarige periode aan de Raad en het Europese Parlement voor.
- Ten einde de Commissie in staat te stellen dit verslag op te stellen, verstrekken de Lid-Staten de Commissie om de twee jaar de nodige inlichtingen aan de hand van een standaardschema. De Commissie moet deze inlichtingen uiterlijk op 30 september na afloop van de tweejarige verslagperiode ontvangen.
- De Commissie stelt het standaardschema op na overleg met de Lid-Staten.
Artikel 17
- De Lid-Staten stellen na raadpleging van de Commissie tijdig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van deze verordening.
Deze bepalingen hebben onder meer betrekking op de organisatie, de procedure en de controlemiddelen, alsmede op de bij overtredingen toepasselijke sancties.
- De Lid-Staten staan elkaar onderling bij met het oog op de toepassing van deze verordening en het toezicht daarop.
In het kader van deze onderlinge bijstand wisselen de bevoegde instanties van de Lid-Staten de beschikbare informatie uit over:
- de overtredingen van de bepalingen van deze verordening door niet-ingezetenen en de sancties die zij voor deze overtredingen op hen hebben toegepast;
- de sancties die een Lid-Staat voor in andere Lid-Staten begane overtredingen op zijn ingezetenen heeft toegepast.
