Tekening startpagina
Wet van 18-02-1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg.


Art. 1. 

De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, inzake vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg, alle vereiste maatregelen treffen ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de internationale verdragen en uit de krachtens deze genomen internationale akten, welke maatregelen de opheffing en de wijziging van wetsbepalingen kunnen inhouden.
[Deze wet is niet van toepassing op de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen.Deze wet geldt niet voor de verplichtingen die voortvloeien uit de verordeningen en de richtlijnen die uitgevaardigd zijn in toepassing van artikel 87 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, goedgekeurd bij de wet van 2 december 1957.]
Gewijzigd bij art. 10 W. 21 juni 1985 (B.S., 13 augustus 1985), met ingang van 13 augustus 1985 (art.11) en bij art. 4 W. 28 juli 1987 (B.S., 24 september 1987).


Art. 2. 

§ 1. De overtredingen van de besluiten die genomen werden bij toepassing van artikel 1 van deze wet worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en een geldboete van vijftig tot tienduizend frank, of slechts één van beide straffen, onverminderd de eventuele schadevergoeding.
De bepalingen van het eerste boek van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en van artikel 85, zijn toepasselijk op deze overtredingen.

Onverminderd artikel 56 van het Strafwetboek mag de straf, in geval van herhaling binnen twee jaren te rekenen van de veroordeling, evenwel niet minder bedragen dan het dubbel van de straf die vroeger voor dezelfde overtreding uitgesproken werd.

De politierechtbanken zijn bevoegd voor de in dit artikel bedoelde overtredingen.


§ 2. In afwijking van artikel 43, eerste lid, van het Strafwetboek, kan de rechter in de door de Koning bepaalde gevallen, de verbeurdverklaring of de tijdelijke vastlegging van het vervoermiddel bevelen, [als dit vervoermiddel eigendom is van de dader van de overtreding, of van de mededader of van de medeplichtige]*.

In geval van tijdelijke vastlegging stelt de rechter de duur hiervan vast en wijst de plaats aan waar het vervoermiddel aan de ketting zal gelegd worden, op kosten en risico van de eigenaar.


§ 3. De schadevergoeding die toegekend wordt aan de burgerlijke partij is bevoorrecht op het vervoermiddel waarmede de overtreding werd gepleegd, [als dit vervoermiddel eigendom is van de dader van de overtreding, of van de mededader of van de medeplichtige]*. Dit voorrecht neemt rang in onmiddellijk na dat bedoeld in artikel 20, 5°, van de wet van 16 december 1851.


§ 4. De personen die op grond van artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk zijn voor de schadevergoeding en de kosten, zijn het ook voor de geldboete.

*
Nieuwe wettekst - nog niet in voege
In art. 2 worden §§ 2 en 3 gewijzigd bij art. 41, § 2, 1° en 2° W. 3 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (eerste uitg.)), met ingang van een door de Koning te bepalen datum (art. 43). De tussen [] geplaatste tekst valt dan weg.

Art. 2. 
§ 2. In afwijking van artikel 43, eerste lid, van het Strafwetboek, kan de rechter in de door de Koning bepaalde gevallen, de verbeurdverklaring of de tijdelijke vastlegging van het vervoermiddel bevelen [...].
§ 3. De schadevergoeding die toegekend wordt aan de burgerlijke partij is bevoorrecht op het vervoermiddel waarmede de overtreding werd gepleegd [...]. Dit voorrecht neemt rang in onmiddellijk na dat bedoeld in artikel 20, 5°, van de wet van 16 december 1851.

[Art. 2bis. 

§ 1. Bij het vaststellen van een der speciaal door de Koning aangewezen overtredingen van de reglementen uitgevaardigd op grond van deze wet kan, indien het feit geen schade aan derden heeft veroorzaakt, en met instemming van de overtreder, een som geheven worden, hetzij onmiddellijk, hetzij binnen een door de Koning bepaalde termijn.
Het bedrag van deze som, dat niet hoger mag zijn dan het maximum van de geldboete die op die overtreding staat, vermeerderd met de opdeciemen, alsook de nadere regels inzake heffing, worden door de Koning bepaald.

De ambtenaren en de beambten die tot een der door de Koning bepaalde categorieën behoren en door de procureur-generaal bij het Hof van Beroep daartoe individueel zijn gemachtigd, zijn belast met de toepassing van dit artikel en van de ter uitvoering ervan genomen maatregelen.


§ 2. Door betaling vervalt de strafvordering, tenzij het openbaar ministerie binnen een maand, te rekenen van de dag van de betaling, de betrokkene kennis geeft van zijn voornemen die vordering in te stellen. De kennisgeving geschiedt bij een ter post aangetekende brief; zij wordt geacht te zijn gedaan de eerste werkdag na de dag van afgifte ter post.


§ 3. Indien de overtreder geen woonplaats of vaste verblijfplaats in België heeft en de voorgestelde som niet onmiddellijk betaalt, moet hij aan de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren of beambten een som in consignatie geven bestemd om de eventuele geldboete en gerechtskosten te dekken.

Het bedrag van de som die in consignatie moet worden gegeven en de nadere regels inzake heffing, worden door de Koning bepaald.

Het door de overtreder bestuurde voertuig wordt op zijn kosten en risico ingehouden tot deze som betaald is en het bewijs geleverd wordt dat de eventuele bewaringskosten van het voertuig betaald zijn of, indien dit niet gebeurt, gedurende zesennegentig uren te rekenen vanaf de vaststelling van de overtreding. Bij het verstrijken van deze termijn mag de inbeslagneming van het voertuig bevolen worden door het openbaar ministerie.

Een bericht van inbeslagneming wordt binnen de twee werkdagen aan de eigenaars van het voertuig gezonden.

Het risico en de kosten voor het voertuig blijven tijdens de duur van het beslag ten laste van de overtreder.

Het beslag wordt opgeheven nadat het bewijs geleverd werd dat de som die in consignatie moet worden gegeven en de eventuele bewaringskosten van het voertuig betaald werden.


§ 4. Leidt de strafvordering tot veroordeling van de betrokkene:

1° dan wordt de geheven of in consignatie gegeven som toegerekend op de aan de Staat verschuldigde gerechtskosten en op de uitgesproken geldboete; het eventueel overschot wordt terugbetaald;
2° dan wordt, indien het voertuig in beslag genomen werd, bij het vonnis bevolen dat de Administratie van de Domeinen het voertuig moet verkopen indien de geldboete en de gerechtskosten niet binnen een termijn van veertig dagen vanaf de uitspraak van het vonnis betaald werden; deze beslissing is uitvoerbaar niettegenstaande elk rechtsmiddel.

De opbrengst van de verkoop wordt toegerekend op de aan de Staat verschuldigde gerechtskosten, op de uitgesproken geldboete en op de eventuele bewaringskosten van het voertuig; het eventueel overschot wordt terugbetaald.


§ 5. In geval van vrijspraak wordt de geheven of in consignatie gegeven som of het in beslag genomen voertuig teruggegeven; de eventuele bewaringskosten van het voertuig vallen ten laste van de Staat.

In geval van voorwaardelijke veroordeling wordt de geheven of in consignatie gegeven som teruggegeven na aftrek van de gerechtskosten; het in beslag genomen voertuig wordt teruggegeven nadat de gerechtskosten betaald zijn en het bewijs geleverd wordt dat de eventuele bewaringskosten van het voertuig betaald zijn.


§ 6. In geval van toepassing van artikel 166 van het Wetboek van Strafvordering wordt de geheven som toegerekend op de door het openbaar ministerie vastgestelde som en wordt het eventuele overschot terugbetaald.


§ 7. De in consignatie gegeven som of het in beslag genomen voertuig worden teruggeven wanneer het openbaar ministerie beslist geen vervolging in te stellen of wanneer de strafvordering vervallen of verjaard is.


§ 8. De bepalingen van dit artikel gelden niet wanneer de overtreding wordt begaan door een militair die zich verplaatst voor de behoeften van de dienst, of door een van de personen bedoeld in de artikelen 479 en 483 van het Wetboek van Strafvordering.]

[ ] Ingevoegd bij art. 3 W. 6 mei 1985 (B.S., 13 augustus 1985), met ingang van 1 september 1989 (art. 1 K.B. 12 juli 1989 (B.S., 20 juli 1989)).


Art. 3. 

§ 1. De Koning duidt de ambtenaren en beambten van de overheid aan die, behalve de officieren van de gerechtelijke politie, belast zijn met het opsporen van de overtredingen van de besluiten genomen bij toepassing van artikel 1 van deze wet.
De bevoegde agenten stellen de overtredingen vast bij processen-verbaal, die bewijskracht hebben tot bewijs van het tegendeel. Een afschrift van de processen-verbaal wordt aan de overtreders toegestuurd binnen [vijf] dagen na de vaststelling van de overtredingen.


§ 2. De bevoegde agenten hebben toegang tot de lokalen, terreinen, vervoermiddelen en hebben het recht de beroepsboeken en -documenten in te zien van de ondernemingen die onderworpen zijn aan de bij toepassing van artikel 1 van deze wet genomen besluiten.

Zij mogen deze beroepsboeken en -documenten nazien en ter plaatse afschrift nemen of een uittreksel vragen en allerlei nodige uitleg hierover eisen.


§ 3. In geval van behoorlijk vastgestelde overtreding mogen de bevoegde agenten op kosten en risico's van de eigenaar overgaan tot de in beslagneming van het vervoermiddel waarmede de overtreding gepleegd werd.

Nieuwe wettekst - nog niet in voege
§ 1 gewijzigd bij art. 41, § 2, 3° W. 3 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999), met ingang van een door de Koning te bepalen datum (art. 43). vijf wordt vijftien.



Art. 4. 

Voor de uitvoering van hun opdrachten mogen de bevoegde agenten bij toepassing van artikel 3 ofwel overeenkomstig de internationale verdragen en de krachtens deze genomen internationale akten, een beroep doen op de leden van de federale en lokale politie, die hun bijstand moeten verlenen.