Hoofdstuk II
Goedkeuring Art 3, 3bis en 3ter.

ART 3 GOEDKEURING van de TYPEN van CHASSIS of ZELFDRAGENDE VOERTUIGEN.

§1.
Elk type van chassis of zelfdragend voertuig dat in België gebouwd, gemonteerd of ingevoerd is onder dekking van een aangifte van verbruik moet door de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde zijn goedgekeurd.

De goedkeuring bestaat ofwel in het nagaan van de overeenkomst van het voertuig met de voorschriften van dit reglement, of wel in het afleveren van het E.E.G.-goedkeuringsformulier voorzien in artikel 2, b) van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en opgemaakt zoals is voorgeschreven in artikel 10 van die richtlijn, of wel in het nagaan van de overeenkomst van het voertuig met het eventueel in een andere Lid-Staat eraan verleende goedkeuringsformulier.

De bepaling van §1, 1, is niet van toepassing op de voertuigen die in dienst werden gesteld voor 15 juni 1968 en die niet moesten gedekt zijn door een proces-verbaal van goedkeuring.

De bepaling van §1, 1, is niet van toepassing voor de volgende voertuigen:
de aanhangwagens die uitsluitend worden gebruikt door kermiskramers en eigen zijn aan dat beroep;
• de voertuigen van de federale politie;
• de aanhangwagens waarvan de maximale toegelaten massa niet meer bedraagt dan 750 kg; (invoege vanaf 01 juli 2001)
• de voertuigen die overeenkomstig de vigerende reglementering van een inschrijvingsbewijs en een proefrittenplaat zijn voorzien;
• het materieel dat door de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde erkend is als zijnde van speciale constructie.

Om deze erkenning te bekomen moet de constructeur of zijn vertegenwoordiger bij het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur de nodige documentatie indienen dit het mogelijk moet maken de juiste benaming van het typevoertuig te bepalen. Dit wordt dan vastgesteld in een genummerd proces-verbaal van benaming (P.V.B.).

Deze bepaling is van toepassing op de voertuigen ingeschreven vanaf 1 januari 1982.

de auto's en de aanhangwagens ervan die zich uitsluitend tussen de laad- en loskaaien de opslagplaatsen, de hangars en de magazijnen gelegen binnen de zee- en rivierhavens verplaatsen, overeenkomstig een gemeentelijke machtiging, hiervoor afgeleverd.

§2.
De levering van een chassis of van een zelfdragend voertuig is verboden wanneer dit laatste niet geheel overeenkomt met het type dat werd goedgekeurd, tenzij voor de levering tussen partijen schriftelijk werd overeengekomen dat bedoeld voertuig niet bestemd is om op de openbare weg te worden gebruikt.

§3.
De ingebruikneming op de openbare weg van een chassis of van zelfdragend voertuig is verboden, wanneer dit laatste niet geheel overeenkomt met het type dat werd goedgekeurd ingevolge een aanvraag, ingediend door de in artikel 6 van hetzelfde besluit bedoelde personen.

§4.
De ingebruikneming op de openbare weg van voertuigen, bedoeld in §1,4, e, is verboden, wanneer voor het type ervan geen proces-verbaal van benaming is opgesteld of wanneer het type niet volledig overeenstemt met dat, vermeld in de documentatie waarvan sprake in hetzelfde lid.

ART 3bis DE E.E.G.-GOEDKEURING.

§1.
De E.E.G.-goedkeuring van de motorvoertuigen en hun aanhangwagens of bestanddelen daarvan moet geschieden overeenkomstig de bepaling van de Richtlijn 70/156/E.E.G. van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgeving van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan.

§2.
Elk verzoek om E.E.G.-goedkeuring moet door de constructeur of door diens gevolmachtigde worden ingediend bij het Ministerie van Verkeerswezen, Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur, Wegverkeer - Technische Directie, Wetstraat 155, 1040 Brussel.

Het verzoek moet vergezeld gaan van een inlichtingenformulier en een omstandig technische beschrijving van het goed te keuren voertuig of bestanddeel van voertuig.

Deze stukken moeten overeenkomen met de bepalingen van de voornoemde Richtlijn 70/156/E.E.G van 6 februari 1970.

Voor een zelfde type voertuig mag het verzoek om goedkeuring slechts in één Lid-Staat worden ingediend.

§3.
De verzoeker moet het bewijs leveren dat de eventuele onontbeerlijke proeven verricht werden in de door het Ministerie van Verkeerswezen erkende laboratoria.

§4.
De goedkeuring wordt verleend of geweigerd door de Minister van Verkeerswezen of diens gemachtigde naargelang van het al dan niet overeenstemmen van het type voertuig of bestanddeel van voertuig met bedoelde richtlijn.

§5.
Elk voertuig of bestanddeel van voertuig in het verkeersgebruik moet in overeenstemming blijven met het goedgekeurde type voertuig of bestanddeel van voertuig.

Elke wijziging van het type voertuig of bestanddeel van voertuig dat het voorwerp heeft uitgemaakt van de in paragraaf 4 bedoelde goedkeuring alsmede de eventuele stopzetting van de productie moeten aan de Minister van Verkeerswezen of aan diens gemachtigde betekend worden. Deze oordeelt dan of het een wijziging geldt die een nieuwe goedkeuring nodig maakt.

§6.
Op verzoek van de Minister van Verkeerswezen of van diens gemachtigde, is de constructeur ertoe gehouden hem de voertuigen, bestanddelen van voertuigen of serieïnrichtingen waarvan het prototype het voorwerp heeft uitgemaakt van een vorige goedkeuring ter beschikking te stellen voor gelijkvormigheidsproeven of -controles.

§7.
De voor een type voertuig of bestanddeel van voertuig verleende goedkeuring mag door de Minister van Verkeerswezen of diens gemachtigde ingetrokken worden ingeval dit voertuig of bestanddeel van voertuig niet meer in overeenstemming is met het goedgekeurd prototype.

§8.
Elke weigering of intrekking van goedkeuring moet aan de constructeur of diens gevolmachtigde betekend worden en met redenen omkleed zijn. Binnen acht werkdagen na de datum van de betekening mag de constructeur of diens gevolmachtigde een aanvraag tot herziening indienen bij de Minister van Verkeerswezen. Deze laatste moet binnen de maand die volgt op de datum van indiening van deze aanvraag een beslissing nemen.

ART 3ter VOORWAARDEN DER E.E.G.-GOEDKEURING.

De eisen van EEG-goedkeuring van de motorvoertuigen en van hun aanhangwagens, van de landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen, van hun bestanddelen of van hun veiligheidsonderdelen worden door Ons bepaald.
{In verband hiermede (worden te bouwen voertuigen) zie:
K.B. 26.2.81/stbl. 10.4.81: Uitvoering van de EEG-Richtlijnen betreffende de GOEDKEURlNG van de motorvoertuigen en hun aanhangwagens, landbouw- en bosbouwtrekkers op wielen, hun bestanddelen alsook hun veiligheidsonderdelen.}