Hoofdstuk II
Goedkeuring Art 3 tot 16


Art 16 IDENTIFICATIE VAN DE VOERTUIGEN.

§1. Chassisnummer.
Elk chassis of zelfdragend voertuig moet voorzien zijn van een nummer dat als chassisnummer wordt beschouwd, en dat verschillend is voor elk voertuig van eenzelfde merk en bestaande uit een reeks van ten minste drie en ten maximale [[zeventien]] letters of cijfers.
Die tekens moeten een hoogte van ten minste 7 mm hebben en zodanig van alle andere opschriften gescheiden zijn dat alle twijfel uitgesloten is.
Bij het indienen van de goedkeuringsaanvraag moet de aanvrager tegelijkertijd een model van het chassisnummer en de betekenis van de verschillende erin voorkomende symbolen insturen.
Het model van al de gebruikte cijfers en letters moet aan het Bestuur van het Voertuig kenbaar gemaakt worden.
Uitsluitend dat nummer mag in de officiële bescheiden als chassisnummer worden aangegeven. Het moet er in zijn geheel in voorkomen.
Het chassisnummer moet door de constructeur, de mandataris of door een door hen behoorlijk gemachtigde persoon goed leesbaar ingeslagen zijn in een langsligger of, wanneer het voertuig niet van langsliggers is voorzien, in een belangrijk constructief element van de carrosserie, zodat het niet kan verdwijnen door een licht ongeval. Niemand anders mag het chassisnummer inslaan, uitwissen of wijzigen.
De plaats van het chassisnummer wordt door de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde goedgekeurd.
Het chassisnummer moet steeds goed zichtbaar zijn en mag nimmer verborgen worden door een latere inrichting van het voertuig.
Indien, naar het oordeel van de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde, het chassisnummer van een aanhangwagen of oplegger aanleiding tot misverstand kan geven, kan hij voorschrijven dat een bepaald chassisnummer wordt ingeslagen of verwijderd.

§2. Identificatieplaat.
Op een plaat die op een gemakkelijk te bereiken plaats aan het voertuig moet gelast of geklonken worden of op een plastic zelfklever die zichzelf vernietigt bij het verwijderen, moet de constructeur of de mandataris met onuitwisbare tekens vermelden:

hetzij 1°:

  • het merk en het type van het voertuig;
  • het chassisnummer;
  • het nummer van het proces-verbaal van goedkeuring voor voertuigen onderworpen aan de typekeuring;
  • het M.T.M. van het voertuig en van de sleep voor personen-auto's. Ingeval de personenauto niet kan worden gebruikt voor het slepen van een aanhangwagen wordt "Nihil" geschreven in het vak voorbehouden voor de aanduiding van het M.T.M. van de sleep.
  • De gegevens van deze identificatieplaat moeten in één van de landstalen zijn opgesteld.

hetzij 2°
  • de hierna vermelde gegevens en in aangegeven volgorde:
  • de naam van de constructeur;
  • het nummer van het proces-verbaal van goedkeuring;
  • het chassisnummer;
  • de maximale toegelaten massa van het voertuig;
  • de maximale toegelaten massa van de sleep;
  • de maximale toegelaten massa voor elk der assen, vermeld in volgorde van voren naar achter.
De assen moeten in dezelfde volgorde worden genummerd.

In geval van een oplegger, moet voor de eerste as als maximale toegelaten massa onder het steunpunt worden vermeld.

De constructeur mag het nummer van het proces-verbaal van goedkeuring ook vermelden op een plaatje dat geen deel uitmaakt van de identificatieplaat.

Bij aanhangwagens en opleggers moet de identificatieplaat zijn aangebracht op het chassis of, bij een zelfdragende carrosserie, op een belangrijk deel ervan.

Betreft het een in oude staat ingevoerd, voor het eerst in België in dienst gesteld voertuig, dan voorziet de invoerder van dat voertuig zelf het voertuig van de identificatieplaat beschreven onder 1°. Deze plaat mag nochtans slechts worden aangebracht op voorwaarde dat het betrokken voertuig, door de bouwer of de mandataris, reeds van een plaat werd voorzien waarop ten minste het merk, type en chassisnummer van het voertuig voorkomen.

De door de invoerder van het voertuig aangebrachte plaat moet, onder de door de Minister van Verkeerswezen vast te stellen voorwaarden, door een merkteken van een door hem erkend organisme voor de motorvoertuiginspectie worden gevalideerd.

§3.
Bij de landbouwaanhangwagens zoals bedoeld in artikel 2, §2, 8° en 9° gebeurt de identificatie van het voertuig door het aanbrengen van een metalen plaat, die op een gemakkelijk te bereiken plaats aan het voertuig moet gelast of geklonken worden. Deze identificatieplaat wordt aangebracht door het Bestuur voor Landbouwtechniek van het Ministerie van Landbouw. Op deze plaats zal vermeld worden:

1° indien het een aanhangwagen betreft, gebouwd door of voor rekening van een landbouwer:
  • de meldingen: landbouwaanhangwagen ambachtelijke categorie
  • het nr. van het PVG
  • het chassisnummer

2° indien het een aanhangwagen betreft, gebouwd als eenmalig voertuig door een erkend constructeur:
  • de meldingen: landbouwaanhangwagen eenmalige categorie
  • het nr. van het PVG
  • het chassisnummer.