Hoofdstuk III
Gebruik en Lading Art 17 tot 22


Art 17 GEBRUIK VAN DE VOERTUIGEN.
§1.
Alleen de motorvoertuigen van categorieën M1, M2 en M3 zoals gedefinieerd in artikel 1 van dit besluit en goedgekeurd volgens de technische specificaties voor deze categorieën mogen gebruikt worden voor personenvervoer.

§2.
Het vervoer van personen door middel van aanhangwagens, andere dan die welke uitsluitend gebruikt worden door kermisexploitanten en die eigen zijn aan dat beroep, is verboden.

§3.
Het is toegestaan personen te vervoeren in het achterste gelijkvloerse gedeelte van de voertuigen met vouwbalg.

§4.
Voor de toepassing van de bepalingen van §§ 1 en 2 worden niet als vervoerde personen beschouwd :

1. degenen die vervoerd worden tijdens de dienstprestaties, voor zover desbetreffende voorschriften van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming (A.R.A.B.) nageleefd worden en voorzover hun aantal, de bestuurder niet meegerekend, niet hoger is dan acht, en voorzover dat deze personen vervoerd worden door voertuigen die voor de eerste keer in gebruik zijn genomen vóór 1 januari 1999. Voor deze voertuigen, dient de ruimte voor bagage of goederen en de ruimte voor personen gedeeltelijk of geheel afgezonderd te zijn door een wand;

2. de personen die plaatsnemen in de bestuurdersruimte van een voertuig, uitgerust voor brandbestrijding, dat niet behoort tot een voor het vervoer van personen goedgekeurd type en voorzover het maximum aantal personen, de bestuurder niet meegerekend, niet meer dan tien bedraagt;

3. voertuigen van de categorieën N2 en N3 met een dubbele of driedubbele passagiersruimte mogen eveneens personen vervoeren met een maximum van 8 personen, de bestuurder uitgezonderd, op voorwaarde dat de passagiersruimte volledig onafhankelijk is van de laadruimte.

§5.
Bezoldigd of gratis vervoer van personen door publieke of privé-diensten gebeurt met voertuigen van categorie M.

§6.
De voertuigen van de categorieën N1, N2, N3, O1, O2, O3, O4 zijn bestemd voor het vervoer van goederen.

Art 18 LADING VAN DE VOERTUIGEN.
Algemene bepalingen
§1.
Geen voertuig waarvan de massa in beladen toestand meer bedraagt dan de maximale toegelaten massa mag zich op de openbare weg bevinden.

§2.
Onverminderd de bepalingen van artikel 32 van dit besluit, mag geen voertuig zich op de openbare weg bevinden wanneer de massa op de grond onder elk van de assen of, eventueel, de maximum massa onder het steunpunt, het bij de goedkeuring vastgestelde maximum met meer dan 5 pct. overschrijdt.

§3.
De door de Minister van Verkeerswezen voor de automobielinspectie erkende instellingen vermelden op het inschrijvingsbewijs of op het keuringsbewijs de maximale toegelaten massa van het voertuig. Voor de voertuigen met een maximale toegelaten massa van meer dan 2.500 kg wordt tevens de maximale massa op de grond onder de assen en, eventueel, de maximale massa onder het steunpunt vermeld.

Deze bepaling is alleen toepasselijk op de voertuigen die onderworpen zijn aan de bij artikel 23 van dit besluit voorziene schouwingen.

§4.
Inrichtingen bestemd om fietsen en rolstoelen te dragen, mogen achteraan op de voertuigen bevestigd worden, indien ze:
  - lading inbegrepen, niet meer dan een meter achter het voertuig uitsteken;
  - uitsluitend gebruikt worden om fietsen en rolstoelen te vervoeren.

Art 19 LADING van de voor het VERVOER van ZAKEN gebouwde VOERTUIGEN.
§1.
De door de Minister van Verkeerswezen voor de automobielinspectie erkende instellingen vermelden op het keuringsbewijs van de voor het vervoer van zaken gebouwde voertuigen, de eigen massa van het voertuig en het laadvermogen.

Voor zover bij gebruik van het voertuig op de openbare weg de eigen massa niet verschilt van die vermeld op het keuringsbewijs, is het laadvermogen de maximum massa van de lading die mag geladen en vervoerd worden door het voertuig, rekening houdend met de bepalingen van artikel 18.

§2.
De bestuurder van een auto moet doelmatig beschermd zijn tegen alle verplaatsingen van de lading.

§3.
Elk voertuig met een maximale toegelaten massa van meer dan 7.000 kg dat gebruikt wordt voor het vervoer van ladingen bestaande uit balken, buizen, palen, stalen platen, rollen, vaten en tonnen, boomstammen of gelijkaardige voorwerpen die van aard zijn om bij een brutale vertraging de bestuurdersruimte in te drukken of op gevaarlijke wijze te doorboren, moet:

1. voorzien zijn van een voldoend aantal aangepaste vasthechtingsmiddelen waarmede die ladingen op veilige wijze kunnen worden vastgezet;

2. uitgerust zijn met een scherm, gescheiden van de bestuurders ruimte, dat deze beschermt tegen alle mogelijke verplaatsingen van de lading.
  Het moet zich bevinden tussen de bestuurdersruimte en de lading en rechtstreeks aan het chassis of aan de voorkant van het laadvlak zijn bevestigd. Bij gelede voertuigen met uitzondering van mallejans, moet het scherm rechtstreeks aan het voorste gedeelte van de oplegger bevestigd zijn.

  Dit scherm mag afneembaar zijn.

  Deze bepalingen zijn niet toepasselijk op de voertuigen die speciaal voor het vervoer van ondeelbare voorwerpen zijn toegelaten, voor zover de toegelaten maximumsnelheid ervan niet meer bedraagt dan 25 km/u.

§4.
Elk voertuig dat gebruikt wordt voor het vervoer van zaken moet voorzien zijn van een voldoende aantal verankeringspunten, aangepast aan de lading.

Deze verankeringspunten moeten aan een minimale kracht kunnen weerstaan van :

  1. 400 daN voor een voertuig met een MTM =< 3,5 t;
  2. 800 daN voor een voertuig met een MTM = 3,5 t en <= 7,5 t;
  3. 1 000 daN voor een voertuig met een MTM > 7,5 t en <= 12 t;
  4. 2 000 daN voor een voertuig met een MTM > 12 t.

§5.
De bepalingen van § 4 zijn niet van toepassing op :
  1. de voertuigen die speciaal voor het vervoer van ondeelbare voorwerpen zijn toegelaten, voor zover de toegelaten maximumsnelheid ervan niet meer bedraagt dan 25 km/u;
  2. de trage voertuigen die worden gebruikt voor landbouwdoeleinden;
  3. de voertuigen en samenstellen van voertuigen die uitsluitend worden gebruikt door kermiskramers en eigen zijn aan dat beroep.

Deze bepalingen zijn bovendien uitsluitend van toepassing vanaf 1 mei 2008 voor de nieuwe typegoedkeuringen en vanaf 1 mei 2009 voor de voertuigen in nieuwe staat in het verkeer gebracht en voor de voertuigen omgebouwd na deze datum.

Art 20 LADING van de voor het VERVOER van PERSONEN gebouwde VOERTUIGEN.
§1.
De door de Minister van Verkeerswezen voor de automobielinspectie erkende instellingen vermelden op het keuringsbewijs van de voor het vervoer van personen gebouwde auto's met uitzondering van de personenauto's en de auto's voor dubbel gebruik die gebezigd worden voor het niet met bezoldigd vervoer gelijkgesteld gratis vervoer, het volgens de reglementsbepalingen toelaatbaar maximum aantal personen.

De massa van elke vervoerde persoon. met inbegrip van de bestuurder, wordt vastgesteld op 75 kg. Voor de minibussen, autobussen of autocars die niet voorzien zijn van een bagageruimte of een bagagerek op het dak, wordt de massa, evenwel teruggebracht op 70 kg. Dit geldt eveneens voor autocars met een bagagerek op het dak of met een bagageruimte die voor een openbare autobusdienst gebruikt worden, op voorwaarde dat zich geen bagage bevindt in de bagageruimte of op het bagagerek op het dak.

Het totaal aantal vervoerde personen mag niet hoger zijn dan het aantal vermeld op het keuringsbewijs. [ Hierbij worden kinderen van minder dan twaalf jaar op de zitplaatsen achterin voor twee derden geteld ]. vervalt vanaf 1 sep 2003 voor autocars (uitgezonderd voor regulier schoolvervoer) en op 1 januari 2005 voor alle andere voertuigen.

Voor de kampeerauto's voor de eerste keer in dienst gesteld als kampeerauto vanaf 1 januari 1986 wordt de massa per vervoerde persoon vastgesteld op 100 kg (70 kg + 30 kg bagage). De massa van een kind van minder dan 13 jaar is vastgesteld op 70 kg (40 kg + 30 kg bagage).

§2.
Onder voorbehoud van de bepalingen van §1, mag geen van die voertuigen zich op de openbare weg bevinden wanneer het aantal vervoerde personen het op het keuringsbewijs vermelde maximumaantal overschrijdt. Deze voertuigen, met uitsluiting van de voertuigen gebruikt voor verhuring met of zonder chauffeur, dienen buiten aan de aanduiding van het door het keuringsbewijs vermelde aantal reizigers te dragen. Die vermelding, met cijfers van ten minste 30 mm hoogte, gevolg door letters "PL", moet zichtbaar zijn voor de personen die in het voertuig stappen.

§3.
Bij de voor het gelijktijdig vervoer van personen en zaken gebezigde voertuigen, moet de voor bagage of goederen bestemde ruimte door middel van een schot geheel of gedeeltelijk van de reizigersruimte zijn gescheiden.

§4.
Voor voertuigen bestemd voor personenvervoer worden de identificatieverslagen of de keuringsbewijzen aangevuld met de gegevens die door de Minister die de autokeuring onder zijn bevoegdheid heeft of door zijn gemachtigde, worden bepaald.

Art 21 Maximale toegelaten massa (MTM) van de Slepen.
§1.
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 18, 32, 32bis en 47 van dit besluit, mag de massa in beladen toestand van een sleep de bij de proces-verbaal van goedkeuring betreffende het trekkend voertuig, vastgestelde maximale toegelaten massa van de sleep niet overschrijden.

Dit voorschrift geld niet voor de slepen die toevallig worden gevormd ter gelegenheid van het depanneren van een voertuig.

§2.
a) Beschikkingen toepasselijk op personenauto's en auto's voor dubbel gebruik.

  1 De massa van een aanhangwagen in beladen toestand mag de maximale toegelaten sleepbare massa niet overschrijden. Deze waarde wordt berekend door de maximale toegelaten massa van het trekkend voertuig af te trekken van de maximale toegelaten massa van de sleep.

  2 De maximale toegelaten massa van de aanhangwagen mag, indien het gaat om een aanhangwagen zonder remmen, niet groter zijn dan de helft van de eigen massa van het trekkend voertuig, vermeerderd met 75 kg.

  3 De maximale toegelaten sleepbare massa mag niet meer bedragen dan 75 % van de maximale toegelaten massa van het trekkend voertuig, indien het gaat om een aanhangwagen uitgerust met een reminrichting van het oplooptype, d.w.z. deze welke de krachten benut die ontstaan door nadering van de aanhangwagen tot het trekkend voertuig.

b) Bijzondere beschikkingen toepasselijk op personenauto's voor dubbel gebruik, minibussen en lichte vrachtauto's waarvan het proces-verbaal van goedkeuring in een maximale toegelaten sleepbare massa voorziet.

  1 De massa van een aanhangwagen in beladen toestand mag de maximale toegelaten sleepbare massa van het trekkend voertuig, vastgesteld in het proces-verbaal van goedkeuring, niet overschrijden.

  2 De maximale toegelaten massa van een aanhangwagen zonder remmen mag niet groter zijn dan de helft van de eigen massa van het trekkend voertuig, vermeerderd met 75 kg.

  3 De maximale toegelaten sleepbare massa mag niet meer bedragen dan de maximale toegelaten massa van het trekkend voertuig, indien het gaat om een aanhangwagen uitgerust met een reminrichting van het oplooptype. Nochtans, indien het trekkend voertuig uitgerust is met vierwielaandrijving en met een onderstel, los van het koetswerk, mag de maximale toegelaten sleepbare massa niet groter zijn dan de maximale toegelaten massa van het trekkend voertuig vermenigvuldigd met 1, 2.

§3.
De door de Minister van Verkeerswezen voor de automobielinspectie erkende instellingen vermelden de maximale toegelaten massa van de voertuigensleep op het inschrijvingsbewijs van het trekkend voertuig en de maximale toegelaten sleepbare massa, wanneer deze waarde in het proces-verbaal van goedkeuring voorzien is.

Wanneer de personenauto of de auto voor dubbel gebruik niet kan gebruikt worden voor het slepen van een aanhangwagen, wordt er "Nihil" geschreven in het vak voorbehouden voor de aanduiding van de maximum massa van de voertuigensleep.

§4.
De bepalingen van 3 zijn alleen toepasselijk op de voertuigen die onderworpen zijn aan de bij artikel 23 van dit besluit voorziene schouwingen.

Art 22 Plicht van de Bezitters.
Zodra door om het even welke omstandigheden de in de artikelen 18§3 -19§1 - 20§1 - 21§3, bedoelde vermeldingen niet meer voorkomen op ten minste een van de documenten die in die artikelen vermeld zijn, moet de bezitter van het voertuig of van de voertuigsleep deze vermeldingen binnen de tien dagen op een van deze documenten doen aanbrengen door de bevoegde instelling die door de Minister van Verkeerswezen voor de automobielinspectie werd erkend.

Deze bepaling is alleen toepasselijk op de voertuigen die onderworpen zijn aan de bij artikel 23 van dit besluit voorziene schouwingen.