Waaraan moet een lichte vrachtauto voldoen.
Een lichte vrachtauto is een auto met een MTM (maximale toegelaten massa) van max. 3.500 kg, bestemd voor het vervoer van zaken en die niet gewijzigd kan worden om personen te vervoeren.

Er zijn 2 types van lichte vrachtauto's.

1. de klassieke met slechts vooraan zitplaatsen voor de bestuurder en rechts naast hem 1 of 2 passagiers, daarachter een laadvloer.
2. met dubbele cabiene.
Vooraan zijn er 2 rijen zetels die volledig gescheiden zijn van de goederen- of laadruimte. De passagiersruimte mag maximaal 6+1 zitplaatsen hebben.

Zie voor de technische details art. 27bis dat in voege is vanaf 1 mei 2003.

Vanaf 1 januari 2006 nieuwe fiscale regels (BS 27 dec 2005).

Wijzigingen aan het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, aan het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, met betrekking tot het begrip « lichte vrachtauto », en aan het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde

Afdeling 1. - Wijzigingen aan het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen

Art. 101. Artikel 4 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, wordt aangevuld met de §§ 2 en 3, luidende :

« § 2. In afwijking van § 1, wordt, voor de toepassing van de bepalingen van Titel II, Hoofdstuk VI, en van Titel VI, onder motorvoertuig bestemd voor het vervoer van goederen waarvan de maximaal toegelaten massa 3 500 kilogram niet overschrijdt, ook « lichte vrachtauto » genoemd, verstaan :

a. elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximaal toegelaten massa 3 500 kg niet overschrijdt, bestaande uit een volledig van de laadruimte afgesloten enkele cabine die ten hoogste twee plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een open laadbak;

b. elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximaal toegelaten massa 3 500 kg niet overschrijdt, bestaande uit een volledig van de laadruimte afgesloten dubbele cabine die ten hoogste zes plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een open laadbak;

c. elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximaal toegelaten massa 3 500 kg niet overschrijdt, gelijktijdig bestaande uit een passagiersruimte die ten hoogste twee plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen en een daarvan afgesloten laadruimte waarvan de afstand, tussen elk punt van de scheidingswand achter de zitplaatsen en de binnenkant van de achterzijde van de laadruimte, gemeten in de langsrichting van het voertuig, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, steeds minstens 50 % dient te bedragen van de lengte van de wielbasis. Deze laadruimte moet bovendien over haar hele oppervlakte bestaan uit een van het koetswerk deel uitmakende, vaste of duurzaam bevestigde, horizontale laadvloer zonder verankeringsplaatsen voor bijkomende banken, zetels of veiligheidsgordels;

d. elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximaal toegelaten massa 3 500 kg niet overschrijdt, gelijktijdig bestaande uit een passagiersruimte die ten hoogste zes plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen en een daarvan volledig afgesloten laadruimte waarvan de afstand, tussen elk punt van de scheidingswand achter de laatste rij zitplaatsen en de binnenkant van de achterzijde van de laadruimte, gemeten in de langsrichting van het voertuig, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, steeds minstens 50 % dient te bedragen van de lengte van de wielbasis. Deze laadruimte moet bovendien over haar hele oppervlakte bestaan uit een van het koetswerk deel uitmakende, vaste of duurzaam bevestigde, horizontale laadvloer zonder verankeringsplaatsen voor bijkomende banken, zetels of veiligheidsgordels.

§ 3. Indien het in de voormelde reglementering als lichte vrachtauto aangeduid voertuig, niet beantwoordt aan één van de in § 2 opgesomde voertuigtypes, wordt het in de zin van Titel II, Hoofdstuk VI, en van Titel VI, afhankelijk van zijn constructie, beschouwd als een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus. »


Instructienota van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer


1. Inleiding.
art. 27bis van het koninklijk besluit van 15 maart 1968, houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en het veiligheidstoebehoren moeten voldoen, omschrijft de criteria waaraan de voertuigen van de categorie N1 - aldus gebouwd of na ombouw - moeten voldoen.
Voor de praktische toepassing volgt hierna enige toelichting.

2. Oorspronkelijke constructie.
Voertuigen die als “oorspronkelijke constructie” worden beschouwd hebben volgende P.V.G. :
- enkelvoudige bestuurdersruimte : PVG n° U/0….
- dubbele bestuurdersruimte : PVG n° U/2….

3. Voertuigen van categorie N1 (lichte vrachtauto) met enkelvoudige bestuurdersruimte.
Art. 27bis, §1, punt 1.2. : Bekomen door verbouwing Punt 1.2.1. :
• het type VP wordt gelijkgesteld met AB, SW wordt gelijkgesteld met AC, OM wordt gelijkgesteld met AF
• M1-voertuigen in dienst gesteld vanaf 01/01/2004: verbouwing naar categorie N1 is slechts toegestaan indien een overeenstemmend P.V.G. in de categorie N1 beschikbaar is.
Punt 1.2.2. :
- de constructeur verwijst in zijn attest naar het P.V.G. van de categorie N1, of levert zelf een nieuw gelijkvormigheidsattest af.
Punt 1.2.5. :
• de platen die in de laadruimte de bevestigingspunten onbruikbaar maken, mogen eveneens aangebracht worden met lijm van hoogwaardige kwaliteit;
• afbreekbouten mogen gebruikt worden om de bevestigingspunten van zetels die zich buiten de aangebrachte laadvloer zouden bevinden, onbruikbaar te maken.

4. Voertuigen van categorie N1 (lichte vrachtauto) met dubbele bestuurdersruimte
.
1.
De scheidingswand achter de tweede rij zitplaatsen is een verticale, volledige scheidingswand van vloer tot dak. Deze scheidingswand moet derwijze aangebracht zijn dat er tijdens het rijden langs binnen geen doorgang tussen de laadruimte en de passagiersruimte mogelijk is. De werking van eventuele airbags mag niet verstoord worden. De scheidingswand dient stevig te zijn en mag geen gaten vertonen.

2.
Wat betreft de bepalingen opgenomen in art. 30 (bevestigingspunten voor veiligheidsgordels) en 57, § 7, 4° en 5° (weerstand en bevestiging van zetels) van het K.B. van 15.3.1968 dient bij voertuigen waar geen originele verankerings- of bevestigingspunten aanwezig zijn of gebruikt worden, het volgende in acht genomen te worden: Indien het voertuig uitgerust is met een inbouwvloer en zetels, dient voor het betreffende voertuigtype een E.C.-goedkeuring of een beproevingsrapport opgesteld door een door de F.O.D. aangeduid laboratorium, voorgelegd te worden, waaruit blijkt dat het voertuig voldoet aan bovenvermelde bepalingen (veiligheidsgordels, zetels en verankeringspunten voor veiligheidsgordels en zetels).

3.
Het voertuig moet ter hoogte van de tweede rij zetels zijn uitgerust met zijruiten (cfr. K.B. 15.3.1968, art. 58 - punt 3 ).

4. Massa. De lichte vrachtauto's bekomen door verbouwing, moeten eveneens voldoen aan de regel voorzien in art. 1, § 1, punt 2 van het K.B. van 15.3.1968 :
P - (M + N x 68) > N x 68, waarin :

P = de technische toelaatbare maximummassa in beladen toestand (in kg);
M = massa in rijklare toestand (in kg);
N = aantal zitplaatsen met uitzondering van die van de bestuurder

Derhalve is het mogelijk dat het aantal zitplaatsen dat in de oorspronkelijke constructie (volgens C.O.C. of P.V.G.) voorzien was, verminderd dient te worden.


5. Zitplaatsen: Indien in de bestuurdersruimte, ingevolge punt 4 hiervoor, plaatsen dienen verwijderd te worden, dan gebeurt dit door het fysiek verwijderen van de :
- zetels;
- veiligheidsgordels;
- verankeringspunten van de veiligheidsgordels.

(Zie art. 1, §1, a), punt 1, van het K.B. van 15.3.1968)

5. Overgangsbepalingen.

a) Verbouwde voertuigen van vóór 01/05/2003 : Voertuigen waarvan de verbouwing goedgekeurd werd vóór het van kracht worden van het K.B. van 17/03/2003 en waarvoor geen machtiging van de constructeur bestond, blijven verder aanvaard.
b) Verbouwde voertuigen van vóór 04.04.2005 : De verbouwingen toegelaten volgens de criteria van de instructie DV/43.12/2003-08 dd. 1.10.2003 blijven geldig.
c) Voor 04.04.2005 aangevraagde verbouwingen: Verbouwingen aangevraagd voor 04.04.2005 kunnen aanvaard worden indien voldaan wordt aan de criteria van de instructie DV/43.12/2003-08 dd. 1.10.2003.


6. Inwerkingtreding.
Deze instructie treedt in werking op 4 april 2005.